De Puritein van de Hertenpolder
97
Ringelberge, Ashoven, Schortelveld. Dat is de route. Maar hij weet de oude niet te wonen. Dat zal echter geen bezwaar zijn, want iedereen in Schortelveld moet toch Cornelis Vliet weten te wonen ! Ieder zal gehoord hebben van het wonder dat daar is gebeurd. Want is dat geen wónder, als er een vuurbrand uit het vuur gerukt wordt ? Als er een mens, die langer leefde dan de anderen en dit leven in dienst stelde van de vijand van God, van deze dwaling zijns weegs bekeerd wordt en een menigte, ja een berg van zonde bedekt ziet door het bloed des Kruises. Hoe majesteitelijk is de vrijmachtige genade Gods. Zo is Janus' hart verheugd geweest over het bericht dat een oude predikant die zijn leven lang een ongereformeerde leer verkondigde als het Evangelie der Schrift, radicaal is omgezet door de opzoekende liefde Gods, in betoning des Geestes en der kracht. En die nog enkele jaren de rijkdom van Christus gepredikt heeft voor een arm zondaarsvolk. Er is geen blijder bericht en schoner boodschap dan deze, dat de duisternis is opgeklaard door het licht, en de gemeenschap van hen die in het licht wandelen is zeer goed, zolang zij zien op Jezus.
Naar deze gemeenschap haakt Janus en daarom is hij Ringelberge al door gefietst en gaat hij in de richting Ashoven. Sehortelveld ligt dan weer een kwartiertje verder.
Het weer is guur en koud, maar zijn hart gloeit. Alom vlakke weilanden en volle sloten. Troosteloos is het gezicht. Hij blijft in de polder een vreemde en toch vindt hij er veel eigens.
Het naakte land, met hier en daar onder de open hemel een dorp, de boerderijen verscholen in wat wilgebomen, het is zijn omgeving niet, maar de mensen maken veel uit.
Als ze Christus boven alles, boven goud en goed, boven hun eigen leven mogen schatten dan is het hier o zo goed in deze vlakke polder.
Waar Christus in de harten regeert, daar is het leven, het deel dat eeuwig is. Daar straalt de eeuwigheid door het tijdelijke heen in de eeuwigheid. Daar klinkt de melodie van de eeuwigheidszang, het- voorspel van het nieuwe lied. Dat is een voortreffelijke zaak, want daar wordt het goddelijke plan verwezenlijkt dat in 't onbegonnen der eeuwigheid ruimte vond.
Er zij licht, is het machtwoord Gods, dat ook over en in de duisterlingen van nu heerschappij voert. Ze zijn van eeuwigheid geboren.
In Ashoven tiert het leven binnen de muren.
Een enkele vrouw is buiten bezig.
Daar is het winkeltje van juffrouw Alter, onder gindse bomen, waar Mia hem meer dan eens van verhaalde. Daar kreeg zij band met de levende Kerk. Daar klonk de sprake die haar ziel fel beroerde.
Juffrouw Alter is niet vrij van kerkisme, maar overigens een oprechte christin. Zij weet onder de hand wel, dat haar vrienden overal zijn en dat haar kerkje het asyl niet is voor alle bekeerden. Toch kan zij wel eens zo onder water een steek geven. Deze of gene domine weet zij dan een mep te geven, maar overigens is zij niet kwaad.
Als Janus voorbij komt kijkt ze net over het bruine gordijn van de etalage.
Ze beduidt hem even aan te komen, maar Janus beduidt haar terug dat hij verderop moet.
Hij moet er over denken, hoe hij van jongsaf de Kerk beschouwd heeft. Hoe hij niet één kerk het etiket gaf van de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus, maar de kerk vond daar waar Christus woont in de harten. Zo heeft hij de Kerk gevonden, overal waar Zijns Naams gedachtenis gesticht wordt. En steeds meer ziet hij nu in dat de gruwelijke partijgeest enkel een satanisch uitwerksel is, waar men met haat en nijd vervuld ie en men elkaar verbijt en vereet. Hij gelooft dat Paulus gepredikt zou hebben, overal, waar mensen tezamen kwamen. Hij wilde Christus aanprijzen en de mens niet sparen.
Janus herinnert zich een getuigenis van de schipper E. de Goede. Daar is hij moeten bijvallen. De Heere wil eenheid in Christus, en deze eenheid in verdeeldheid hebben met de wereld en de zonde. Alle kerkelijke hoogmoed is vervloekt in het licht van Gods Geest.
Daarom kan Janus het verdragen als sommigen wat struikelen. De Heere Zelf moet hun kleinheid en hun tobben, hen doen zien. Wat zal een mens daaraan veranderen, doch het is en blijft een onverschoonlijk kwaad, dat er uit moet.
Daar waar de rivier vlak langs het kerkje stroomt, ligt het dorp Sehortelveld. Het torenspitsje is zichtbaar boven de huizen. In een mooie kring van nu bladerloze bomen ligt het dorp verscholen.
Janus zal nu spoedig gaan vragen waar Cornelis Vliet woont, 't Kan zijn dat hij aan deze kant van het dorp zijn huisje heeft.
Hij roept een jongen die zijn konijnen een koolraap brengt.
— Zeg, vertel us, ku-je me zeggen, waor Knelis Vliet woont ?
— Knelis Vliet ? antwoordt de jongen, nooit van gehoord.
Janus rijdt door.
Straks nog eens weer vragen.
Langzaam fietst hij het dorp in. Hier staat de jonge dominee Kobret. Een en andermaal gehoord in Ringelberge. Calvijn in knop, heeft hij toen gezegd. Gezegend is dit dorp. Dat is wat waard een heraut te hebben, die de bazuin blaast en een helder geluid voortbrengt. Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden van Gods troon.
Als het volk van Schortelveld daar nu acht op geven mag dan heeft het God tot een Schild in dagen van strijd.
No. 97
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's