FLITSEN UIT DE GESCHIEDENIS DER KERK
III. Luthers einde
Er hangt een sluier, zelfs over de naaste toekomst.
Wij, mensen, weten niet wat er in Gods Raad besloten ligt, ook niet ten aanzien van een week, die voor ons ligt.
Zo was het ook met de gemeente van Eisleben, toen deze op Zondag 14 Februari 1546 zich onder de prediking van Luther bevond. Wie had kunnen vermoeden dat vier dagen later de grote Hervormer, die thans daar voor hen stond, het laatste woord hier beneden gesproken zou hebben en dat enige dagen daarna diens stoffelijk overschot in deze zelfde kerk opgebaard zou staan?
Niettemin door zwakheid was Luther deze Zondag genoodzaakt de prediking spoediger te beëindigen dan in zijn voornemen lag. „Er zou nog heel wat over dit Evangelie te zeggen zijn" — zo zei hij — „maar ik ben te zwak ; we zullen het hierbij laten".
Vier dagen later sprak Luther zijn laatste woord. Een woord van twee letters : „Ja!" En in dit korte woord lag als 't ware de bekroning van het werk van Gods Geest. Ondanks alle bestrijding had Luther het geloof behouden.
De man, die eens gestaan had op de Rijksdag van Worms en daar in de mogendheid des Heeren moedig getuigd had tegenover geestelijke en wereldlijke machthebbers en geweigerd zijn leer, die op het Woord Gods gegrond was, te herroepen, deze zelfde man, thans op zijn sterfbed, bevestigt door dit „Ja!" zijn geloofsgetuigenis van Worms.
Het was een antwoord op de vraag van zijn vriend Jonas, die in zijn laatste uren bij hem was : „Eerwaarde vader, wilt ge in het geloof in de Heere Jezus Christus sterven en blijft ge bij de leer, die ge in Zijn Naam verkondigd hebt? "
In het „Ja!" van Luther behaalde het geloof de overwinning, leed de vorst der duisternis zijn nederlaag en smaakte de stervende een vrede, die alle verstand te boven gaat.
De vrede des harten werd ook vertolkt door Luther's geloofsgetuigenis kort voor zijn einde nog uitgesproken. We 'willen er samen naar luisteren, want het is een woord van stervende lippen, van een knecht des Heeren, die als een instrument in Gods Hand van zulk een onzegbare waardij voor de kerk geweest is. En dat zijn lied
Een vaste Burcht is onze God, Een Toevlucht voor de Zijnen,
maar geen theorie voor hem geweest is, doch beleefde werkelijkheid, dat bewijzen de woorden, die we van hem beluisteren, terwijl hij zich bevindt voor de poort der eeuwigheid :
„Ik dank U, God, Vader van onze Heere Jezus Christus, dat Gij mij Uw lieve Zoon hebt geopenbaard, in Wien ik geloofd. Dien ik liefgehad, gepredikt, beleden en verheerlijkt heb. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. We hebben een God, Die helpt, en bij Hem zijn uitkomsten tegen de dood. Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest".
Zo is het einde van Luther, die aan hartkramp gestorven is, gekomen, 's Morgens, om 3 uur, van de 18 Februari 1546, ging hij over van de strijdende in de triumpherende kerk.
Zijn vriend Jonas sprak in dezelfde kerk, waar Luther 's Zondags nog gepredikt had, de lijkrede uit naar aanleiding van de tekst :
„Doch, broeders! ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hope hebben.
Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel ; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.
Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht, en alzo zullen wij altijd met de Heere wezen.
Zo dan, vertroost elkander met deze woorden". (1 Thess. 4 vs. 13—18).
Deze woorden alleen waren in staat om vertroosting te schenken in de grote droefheid die allerwege heerste. Het was een heenwijzing naar de grote Dag des Heeren, naar de Morgen der opstanding. „Daarom" zo belijdt Gods Kerk, in art. 37 onzer geloofsbelijdenis, „verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere."
Was er nu droefheid om Luthers heengaan, dan zal er voor allen die de Heere vrezen het wederzien volgen. Dan zal de gemeenschap der heiligen storeloos gesmaakt worden en in eeuwige blijdschap gezongen worden : Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de aanbidding en de dankzegging.
Luther stierf, geestelijk gesproken, als een bedelaar. Want de laatste woorden die hij neerschreef op een briefje met aantekeningen, luidden : „Wij zijn bedelaars. Dat is waar."
Maar Luther stierf ook als méér dan overwinnaar, door Hem Die ook Luther had liefgehad.
Luthers einde was een ingaan in die gewesten, waar geen reformatie meer nodig is. Waar zonder vlek en zonder rimpel Gods gemeente in volkomen zuiverheid Gode zal leven.
Luther stierf
Maar nóg spreekt hij, nadat hij gestorven is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's