De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

10 minuten leestijd

   Paulus schrijft in 1 Cor. 2 : 2 „Want ik heb mij niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Dien gekruist". Het Griekse woord, dat in het Hollands vertaald wordt door : „voorgenomen", bevat toch meer in zich. De nieuwe vertaling heeft : „besloten". Dat is er inderdaad dichterbij.
   Van het oorspronkelijke woord : „ekrina" is zelfs het woord „crisis" afkomstig.
   Paulus heeft er eerst als het ware een geestelijke crisis voor doorgemaakt, alvorens het bij hem vast stond, „om alleen te prediken Jezus Christus en Dien gekruist".
   Dat moet nu bij ons ook zo zijn. Wij hebben onze prediking daaraan te toetsen en daaraan steeds te herzien. Wij mogen noch ons zelf, noch de hoorders ophouden met andere dingen.
   Weg met alle quasigeleerdheid ! De verstandigen onder de kerkgangers laten er zich niet eens door beetnemen. Ook niet door het gebruik van vreemde woorden.
   Hier komt mij een vermakelijk geval in de herinnering. Wij waren nog schoolgaande jongens, toen wij op een Zondagmorgen eens in onze dorpskerk neerzaten.
   Er trad een predikant op van elders en van zelf trok dat even wat meer de aandacht. Daar hoorden wij hem in zijn predikatie plotseling spreken van : „gerehabiliteerd" en „solidariteitsgevoel". Ik weet nog hoe wij elkander aangestoten hebben onder het horen van die woorden, waarvan wij niets begrepen, maar die wij toch op de klank af onthielden. Wel vonden wij het nog al grappig en dachten : „wat een wondere domine is dat, die met zulke vreemde woorden spreekt !"
   Dat kinderen soms de waarheid kunnen zeggen of denken, bleek ook hier .
   Wij zouden willen vragen : wat weet een eenvoudig, ongeleerd' mens nu toch van „gerehabiliteerd ? " Wat weet een landman, die op de stille akker werkt, alleen met zijn ploegpaarden, nu van „solidariteitsgevoel ? " Al zijn de tijden wel zeer veranderd en is er nu ook al een vast aaneengesloten boerenstand.
  
Wanneer gij ooit moet preken.
Laat spreken slechts het Woord.
Houdt u niet op met streken
Maar werp die over boord.
Wil geen geleerdheid luchten ;
Maar weest eenvoudig ; raak.
Niet onwaarachtig zuchten ;
Al valt dat in de smaak.
Laat slechts het tekstwoord spreken
En leg er niets bij in.
De ware Godsvrucht kweken.
Dat is naar 's Geestes zin.

   De Evangeliedienaar houde zich verre van oratorische kunsten en demagogische streken. Een predikatie dient niet om onze geleerdheid te luchten. Of om mensen in spanning te houden en dan ineens met de clou te komen. Maar om van de beginne af aan de waarheid te verkondigenj zoals Gods Woord die aangeeft.
   Die dus waarlijk uitgaat van de grondbetekenis van de tekst, loopt ook geen gevaar, dat hij niet fris zal blijven. De tekst is meestal wel zó rijk, dat hij ons stof genoeg biedt.
   Laat men vooral niet vervallen in oefenaarstrant. Hiermee is niets kwaads gezegd van de Evangelisten en Godsdienstonderwijzers, die het Evangelie verkondigen, zoals hun geleerd werd en hun arbeid getrouw verrichten. Waarom zouden zij ook niet tot zegen kunnen zijn?
   Maar dat gevoel van de predikant, die de tekst in het oorspronkelijke leest, kunnen zij zó nooit hebben, al weten wij, dat ook de bestudeerde ambtsdragers hun schoonste, hun zaligmakende kennis alleen ontvangen moeten in de school des Heiligen Geestes.
   Jammer is, dat er ook onder de predikanten wel zijn, die in de oefenaarstoon vervielen. Daar is b.v. het vergeestelijken van teksten en woorden, die niet vergeestelijkt moeten worden.
   Waarom doet men dat toch ? Mijns inziens, omdat het vrij gemakkelijk is. Met een beetje oefening kan iedereen dat wel. Als men o.a. preekt over een gelijkenis, dan van stukje tot beetje alles vergeestelijken, terwijl het toch duidelijk is, dat Christus met die gelijkenis éne hoofdgedachte wilde uitspreken.
   Wat laat men Zacheüs ook gaarne pareren als een man, die nog uit zijn hoge boom naar beneden moest, omdat Jezus tot hem zeide : „Haast u en kom af !" Of men spreekt over Bethlehems stal en dan het mensenhart vergelijkt met een beestenstal, waarin allerlei dieren huizen, die men met name noemt.
   Kortom : wanneer men er een hele menagerie van maakt.
   Men doet dit ook wel, omdat vele mensen zo iets altijd mooi vinden en wel eens tot elkander zeggen : „die man heeft er toch maar kijk op".
   Wij kunnen niet wars genoeg wezen van al deze vertoning, daar het voor God de Heere toch geldt: „Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste".
   Wanneer de predikatie waarlijk goed en met ernst is voorbereid voor 's Heeren aangezicht, dan mogen wij geloven, dat de Heere Zijn zegen daaraan verbindt en het kan niet anders : dit zal de Gemeente ten goede komen. Zij wordt dan tenminste onderwezen uit en opgebouwd met Gods Woord.
   Natuurlijk zal er in den beginne nog niet zo dat contact wezen tussen voorganger en gemeenteleden. Men kent elkander nog te weinig. Maar dat moet toch op den duur groeien.
   Het gaat er immers maar niet om, dat elke Zondag de gereformeerde leer, zonder meer, in het midden der Gemeente worde neergelegd en dat de kerkgangers in hun traditionele kerk onder hun traditionele preek kunnen neerzitten. Zó stellen velen het zich wel voor. De preek moet volgens hen goed gereformeerd zijn en de bekende klanken moeten er in voorkomen. Meer verlangen zij niet. Zij verlangen allerminst in de ziel gegrepen te worden door iets „buiten de orde".
   Daarom werden, mijns inziens, ook de inwoners van Nazareth zo boos op Christus, „die zoon van Jozef", omdat Hij zich aan de gewone orde vergreep en hun eens wat te denken en te verwerken wilde geven, namelijk of het niet mogelijk zou kunnen wezen, dat zij, die naar eigen gedachte binnen de verkiezing lagen, er tenslotte ook buiten vielen.
   En deze roeping, bij monde van hare dienaren, heeft de kerk van onze tijd nog.
   Wij, als hoorders, moeten er niet zonder kleerscheuren afgekomen zijn, wanneer wij ter kerk zijn geweest. De preek moet ingrijpen in de gedachtengang der hoorders en in hun gevoelens. Zij moeten in hun persoonlijk zwak getast, want eerder kan er geen genezing volgen. Gebeurt dit niet, dan zou de Gemeente langzaam maar zeker worden doodgepreekt.
   In de predikatie moeten voorkomen de levensbeschouwingen der hoorders en hun moeilijkheden en somtijds ook de plaatselijke toestanden.
   Hoe dikwijls heb ik gevoeld, dat eenzelfde preek, op de ene plaats gehouden, zo maar niet geschikt is voor de andere, omdat zij plaatselijke toestanden inhield.
   De zogenaamde passe-partoutpreken, die overal geschikt zijn, zijn over het algemeen de beste niet.
   De predikatie moet een stuk leven zijn, hetzij ter vertroosting of ter vermaning. Dan zal er van de prediking ook waarlijk uitgaan de tucht des Woords.
   Nooit mag zij evenwel ontaarden in persoonlijke toespelingen. Immers, dat sticht niet, maar ontsticht. Wanneer de luisterende schare duidelijk bemerkt, wien domine bedoelt, dan zullen er altijd zijn, die daaraan hun pleizier beleven, en er in stilte om lachen. Het is echter heel jammer, wanneer een predikant daartoe aanleiding geeft. De persoon, die het treft, wordt er door afgestoten en keert nu de kerk misschien voor goed de rug toe. Men wint er niets mee en verliest er alles mee.
   Ook zonder persoonlijk te zijn, had men de waarheid kunnen zeggen. Wij raken het hart niet; dat moet de Heilige Geest doen. En wie dan de schoen past, die trekke ze aan.

2. „Hoe men het niet doet"
   Jeugdige voortvarendheid en ouderdomsbezadigdheid kunnen wel eens vlak tegenover elkander staan en brengen vaak hun eigen bezwaren mee.
   De laatste neemt de dingen wel eens te kalm op, onder de indruk van de vele teleurstellingen, die men in het ambtelijk leven opdeed.
   De eerste loopt nogal eens uit op te grote vurigheid, waarin men vergeet, dat dit vuur niet is ontleend aan Gods altaren en een gloed ontstak, niet uit Hem.
   Eens preekte ik in een Gemeente, die modern heette en het ook werkelijk was. Niet alleen daarom, omdat men er altijd moderne predikanten beriep, maar ook omdat er bij de vryzinnige voorgangers meer mensen ter kerke kwamen, dan bij de rechtzinnige ; iets, wat wel heel zeldzaam is.
   Had de vrijzinnige prediker ± 150 mensen, de rechtzinnige kon het getal 50, hoogstens 60, ternauwernood halen.
   Toen ik daar voor de eerste maal optrad, mocht ik beginnen met ± 125 toehoorders. De tweede maal had ik er nog een 80 ; de derde maal ook.
   Maar nu gebeurde er iets. Ik preekte namelijk over het Woord : 2 Petr. 1 vs. 16 : „Want wij zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en de toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn Majesteit".
   Reeds onder het voorlezen van de tekst kwam er een merkbare spanning onder de aanwezigen. Men luisterde vervolgens nog wel goed naar de preek, totdat deze passage er in voorkwam : „Er is niets nieuws onder de zon. Wanneer het hedendaagse modernisme sommige stukken in de Bijbel voor kunstiglijk verdichte fabelen houdt, dan is dat ook niets nieuws, maar zo oud als de nacht!"
   Daar had men het gaande. Ineens een groot kabaal ! De voorlezer, tevens hoofd der school, wierp zeker een stoof of een voetenbankje omver, dat met kletterend geluid op de stenen viel. Een soort moderne roffel van een woedende tamboer!
   Een ogenblik hield ik op met preken, keek de man aan en ging weer verder. Na het uitgaan van de kerk zei niemand van de kerieraadsleden iets. „Meester" poetste direct de plaat en zelf heb ik mij ook geen ogenblik langer opgehouden dan nodig was, maar ben, precies zoals gewoonlijk, onmiddellijk huiswaarts gereden.
   Een paar maanden later moest ik weer in die Gemeente preken en het bleek mij, dat ik nog 11 toehoorders overgehouden had. Ook later heb ik het nooit verder kunnen brengen dan tot een twintigtal. Naar ik vernam, waren dat meest rechtzinnigen.
   Hierin uitte zich dus het moderne protest. Een collega vertelde mij later, dat de voorlezer zich tegen hem „gelucht" had. Hij had gezegd, dat zij Ds. K. een paar malen met genoegen(!) hadden gehoord, maar na die preek moesten zij niets meer van hem hebben, want die had hij expres op hun Gemeente gemaakt. En waarom was hun Gemeente nu minder dan die, waar Ds. K. zelf stond? Het werd dus opgevat als een soort gemeentebelediging.
   Ik had op deze ontboezemingen, die niet tegen mij persoonlijk gericht waren, nog wel wat kunnen antwoorden. Die preek was wel niet zo oud als de nacht, maar toch oud en niet op de Gemeente X gemaakt. Zij werd in eigen Gemeente enige tijd geleden gehouden. Ik had er ook niets in veranderd ; althans niet in de uitdrukking, die zoveel stof had opgejaagd.
   Ik had gedacht bij mijzelf : Wat ik in een orthodoxe Gemeente over de modernen zeg, moet ik ook in een moderne Gemeente zelf durven zeggen ; en aldus was ik er toe gekomen. Omdat men evenwel zijn bezwaren niet persoonlijk tegen mij uitsprak, ben ik er zelf nooit op terug gekomen, temeer, waar ik toch niets van mijn beschuldigingen tegen het modernisme terugnemen kon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's