De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEVAREN!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEVAREN!

11 minuten leestijd

In de Kerkbode „Voetius" van 18 Mei j.l. die door vele Brabantse gemeenten wordt gelezen kwam een artikel voor van de hand van ds W. Anker te Heusden. De titel van dit artikel luidde : „Gevaren".

Het is zeer dienstig dat wij ons als Hervormd-Gereformeerden met grote ernst bezinnen op de nieuwe situatie, die het van kracht worden van de Nieuwe Kerkorde geschapen heeft. Het ontbreekt aan deze bezinning, d.i. aan het heel reëel bepalen van onze positie, die wij nu innemen, maar al te veel. Er is onder „onze mensen", — als ik dat zo eens zeggen mag — veel te veel een „maar wat zeggen" over die nieuwe Kerkorde, hetgeen meestal niet meer is dan een maar wat napraten van wat de een of ander — die het weten kan — er over losgelaten heeft in een gesprek of een artikeltje. Meestal is het zo, dat men bij voorbaat al oordeelt — omdat het nu eenmaal geoordeeld en veroordeeld móét worden. Het is ontstellend soms te horen met welk een onkunde en daarom met welke uitdrukkingen vele mensen hun eigen kerk met haar orde „afkammen".
   Er is in de Classicale Vergaderingen, in de Prov. Kerkbesturen, in de Synodevergaderingen een zeer ernstige bezinning geweest, in de periode, waarin we bezig zijn geweest met de nieuwe Kerkorde. En juist de ernst van deze bezinning heeft mij en enkele anderen, die meenden het zo te moeten zien, op de 7de December 1950, tot de „tegen"-stem gebracht. En toen op die 7de December was het ook de plaats om onze diepste overtuiging t.a.v. deze Kerkorde uit te spreken ; daarvoor werd immers deze stemming gehouden. Maar nu is deze nieuwe Kerkorde er gekomen, en nu is dit de orde, waaronder wij hebben te leven. En daarom moeten wij, nu deze situatie geschapen is, de zaken vanaf de andere kant benaderen.
   Hebben wij op de 7de December „neen" gezegd, omdat het onze overtuiging was dat in deze orde de band aan Schrift en belijdenis niet sterk genoeg gelegd is, nu moeten wij ons afvragen : „Verhindert deze Kerkorde óns ook maar enigszins, om het Woord recht te prediken en de Sacramenten te bedienen naar de instelling van Christus? " En dan moet ons antwoord zijn „neen" (en hierbij wil ik nadrukkelijk aantekenen, dat het onwaarachtig is om nu ten koste van deze Kerkorde, 1816 omhoog te gaan schroeven, vooral wanneer dit gebeurt door mensen, die vroeger geweldig op die reglementen hebben afgegeven. We zijn nu gelukkig van 1816 af!)
   Zie, wanneer het onze overtuiging is, dat de nieuwe Kerkorde ons geenszins verhindert het Woord recht te prediken en de Sacramenten te bedienen naar de instelling van Christus, dan moet dit nu grondleggend zijn voor onz.e positiebepaling in deze nieuwe situatie. Vonden wij het bij de beoordeling van deze Kerkorde onaanvaardbaar, dat de binding aan Schrift en belijdenis hierin te los is, nu ligt op ons de geweldige opdracht om in deze nieuwe Kerkorde met Schrift en belijdenis te gaan „woekeren" (denk aan de gelijkenis!) Hier geldt terecht en mét volle kracht het woord, dat deze orde onze Ned. Hervormde Kerk niet gezond zal maken, maar dat de rechte prediking en de rechte bediening (èn genieting) der Sacramenten dit zal doen. Daarom ligt hier op ons, met ons strikt vasthouden aan Schrift en belijdenis, nu zulk een grote verantwoordelijkheid voor het geheel der Hervormde Kerk — maar daarom liggen hier voor ons zulke grote gevaren op de loer.
   Dat is in de eerste plaats het gevaar van het isolement. De leuze : „in het isolement ligt onze kracht", is in deze situatie een onchristelijke leus, want hiermee ontkennen we in het geheel van onze zieke Hervormde Kerk, onze verantwoordelijkheid voor anderen. Daarom is het, om deze dingen concreet te maken, nu zaak, dat „onze mensen", wanneer zij, in deze presbyteriale Kerkorde, benoemd worden in de vergaderingen, in de raden en commissies, dat zij deze benoemingen aanvaarden, en daarin hun oordeel en visie voortdurend kenbaar maken en zich verzetten tegen wat niet in gehoorzaamheid aan de H. Schrift geschiedt. Laten wij deze dingen los, dan kan dit alleen maar tot onheil onzer Kerk zijn — niet vanwege ons, (want dat zou hoogmoedig zijn) —, maar omdat het Woord Gods tot Zijn gezag moet komen in de Kerk.
   En om nog verder concreet te zijn — daarom moet vooral de Gereformeerde Bond zeer voor dit isolement oppassen en er voor waken dat zij zich niet opsluit binnen een „Gereformeerdheid", die zij alleen voor Gereformeerd houdt. Er zou veel meer van de Gereformeerde Bond uit kunnen gaan, wanneer de armslag wijder was en men samen optrok met hen, die juist voor de verbreiding van het Gereformeerd beginsel, zulke enorme verdiensten hebben door hun theologische arbeid, waarbij juist de gezonde critiek op elkander alleen maar heilzaam kan werken.
   Onmiddellijk verbonden met het isolement is het gevaar van het wederzijdse wantrouwen. Wanneer men zich isoleert, spreekt men elkaar niet meer, of alleen door de pers. De pers kan één van de meest funeste manieren zijn om met elkaar te praten — er wordt o.a. in richtingsbladen verschrikkelijk veel zonde gedaan. Er is wel eens gezegd —• voor de 7e December 1.1., dat wanneer „onze mensen" lid van de 'Synode werden, zij dan eigenlijk enigszins bedorven werden, want zij kwamen helemaal onder beslag van een zekere „synodale sfeer". Echter, zou hier aan de andere kant niet de mogelijkheid mogen worden opengelaten, dat we hier iets mogen zien van de heilzame werking van het feit, dat we hier met elkander bijeen waren, spraken, worstelden, baden, en dat we daarin begrepen dat we niet moeten beginnen met elkander te wantrouwen?
   Want aan de andere kant moeten we ons er ten sterkste tegen verzetten, dat er door onze mensen (en zelfs door de leiding gevenden), uitdrukkingen worden gebruikt als : „die heren van de Synode", enz. enz. — het gaat mij hier om de sfeer, waarin over de Synode gesproken wordt, en dit is een sfeer van wantrouwen — een sfeer, waarin men een „vijand" tegenover zich ziet. We moeten goed bedenken, dat onder deze Kerkorde, de generale synode, ónze synode is, waarnaar wij, als kerkeraden, mede afgevaardigden hebben gekozen.
   Dit is één van de zeer verontrustende dingen in onze kringen, b.v. ook in het jeugdwerk, dat er vaak zo over de Hervormde Kerk en over de Synode wordt gesproken, dat onze mensen, en ook juist onze jonge mensen, kopschuw gemaakt worden tegen hun eigen kerk. En hier plukken we dan ook telkens de vruchten van.

En dan wil ik nog één keer heel concreet worden. Het geval „Wakker" is enkele malen, door middel van het citeren van „De Waarheidsvriend", benaderd vanuit het direct in Aalburg plaats vindende. Maar wanneer „De Waarheidsvriend" en wij door overneming van deze stukjes, hieraan zó aandacht besteedden, dan moeten we toch vooral ook de hand in eigen boezem steken. Hoe komt het, dat de heer Wakker en anderen zo gemakkelijk de Hervormde Kerk verlaten, of voor een ogenblik verlieten? Dat komt, omdat zij in de grond van de zaak bitter weinig voor hun eigen kerk voelen — en dat zit hem voor een zeer groot gedeelte in een totaal verkeerde kerkelijke opvoeding door de leiding gevende mensen, vooral ook in het Herv. Gereformeerde jeugdwerk.
   Wij hebben ons nadrukkelijk te bezinnen op de nieuwe situatie, die geschapen is. Wij mogen niet doen, alsof er niets gebeurd is. We moeten nu, positief, iedere kans aangrijpen, die de nieuwe Kerkorde ons biedt. Wij moeten nadrukkelijk zeggen, wat wij onder gehoorzaamheid aaan de Heilige Schrift verstaan, en nu meer dan ooit strijden voor de verbreiding der Waarheid in het geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk!
   Ds. W. Anker

   Het zij mij vergund op dit artikel enige kanttekeningen te maken.
   Ik heb het ten zeerste gewaardeerd, dat ds. Anker te Heusden bij de eindstemming over de Kerkorde „neen" heeft gezegd. Toch zou ik mij bij het tegenstemmen hebben laten leiden door een ander motief, dan het motief, waardoor ds. Anker zich heeft laten leiden.
   Het is volgens hem de ernstige bezinning in de Classicale Vergaderingen, in de Prov. Kerkbesturen, in de Synodevergaderingen, die hem tot tegenstemmen heeft gebracht. Ik heb ook een drietal dagen in de Generale Synode zitting gehad. Helaas, heb ik juist over het Waarheidsvraagstuk zo weinig ernstige bezinning gevonden. Ik beweer niet, dat er in de Synode niet hard is gewerkt, soms zelfs tot diep in de nacht. Maar er kan toch maar moeilijk van een ernstige bezinning sprake wezen inzake de Waarheid, als zelfs de vrijzinnigen verklaren in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen te belijden, terwijl zij openlijk te kennen geven dat zij het met die belijdenis niet eens zijn. Ik zou zeggen, dat dit juist een bewijs is geweest dat het aan ernstige bezinning ontbroken heeft.
   Verder vraagt ds. Anker, of deze nieuwe Kerkorde óns ook maar enigszins verhindert om het Woord recht te prediken en de Sacramenten te bedienen naar de instelling van Christus. En dan is het antwoord van ds. Anker beslist „neen". En hij wil nog eens nadrukkelijk verklaren, dat het onwaarachtig is om nu ten koste van deze Kerkorde, 1816 omhoog te schroeven.
   Hiertegen moge ik het volgende opmerken. Het is geenszins onze bedoeling om 1816 te verheerlijken. Een kerk, die niet sprfiken kan en niet spreken mag, is eigenlijk geen kerk meer. Dit neemt echter niet weg, dat de prediking volkomen vrij was. De Synode was slechts een administratief lichaam, dat zich over de leer niet uitsprak.
   Nu wordt het echter anders. De Generale Synode zal zich nu wèl met de leer gaan bemoeien. En nu ben ik er volstrekt niet zo zeker van als ds. Anker, dat deze bemoeienis in de rechte weg zal gaan en ons niet voor grote moeilijkheden zal stellen. Reeds tientallen jaren geleden is immers gezegd, dat we er niet mee klaar zouden wezen, als de Synode zich eens werkelijk met de kerk ging bemoeien.
   Dat de Gereformeerde Bond nog altijd een ernstige taak heeft te vervullen onder de nieuwe Kerkorde, ben ik roerend met ds. Anker eens. Hij meent echter te moeten waarschuwen tegen het gevaar van het isolement. Daarom adviseert hij, om benoemingen in raden en commissies te aanvaarden. Wij moeten ons niet terug trekken. Dat doen wij ook niet. Het is daarom, dat dezerzijds werd geadviseerd om benoemingen te aanvaarden. Toch zijn er gevallen, waarin dit om des beginsels wille niet mogelijk is. Hoe kan b. v. een positief gereformeerd man met een vrijzinnige samen een kerkelijk blad redigeren?
   Toch zou ik de leuze „in het isolement ligt onze kracht" ook in de huidige situatie nog niet „onchristelijk" durven noemen. Het is de vraag, of zulk een kwalificatie niet veeleer past op een syncretisme (de samensmelting) van allerlei richtingen, die elkaar trachten wijs te maken, allen te staan op de bodem van Schrift en Belijdenis, hoever men daaarvan ook verwijderd is.
   Wat men voor gereformeerd of ongereformeerd moet houden, is overigens duidelijk genoeg in onze belijdenis bepaald.
   Daarom is het goed, dat er ook nog een groep mensen in onze kerk is, die vanuit hun isolement tegen de verkrachting der belijdenis blijft getuigen.
  
   Ds. Anker zegt, dat er wel eens gezegd is vóór 7 December 1.1., dat wanneer „onze mensen lid van de Synode werden, zij dan eigenlijk enigszins bedorven werden, want zij kwamen helemaal onder het beslag van een zekere „synodale sfeer".
   Ds. Anker, wat die mensen zeiden, zeg ik ook nog na 7 December.
   Waar waren b.v. de confessionelen in de Generale Synode, om op te komen voor de binding aan de belijdenis?
   Voorts is ds. Anker bang, dat de leiding gevende mensen, vooral ook in het Herv. . Gereformeerd jeugdwerk, een verkeerde leiding geven.
   Laat ik ds. Anker echter mogen verzekeren, dat de liefde tot de Hervormde Kerk ook onder de jongeren nog steeds groot is. Aan afscheiding wordt er in onze kringen niet gedacht. Wij mogen echter van de vele gevaren niet zwijgen. Dat zou ons veroordelen.
   Wat betreft het geval „Wakker" te Aalburg, ik weet zeker, dat hierbij andere motieven een rol hebben gespeeld, dan de voorlichting inzake het kerkelijk vraagstuk.
   Ik twijfel niet , of ds. Anker zal dit ook toegeven.
   Laat het gebed voor de Kerk, die wij liefhebben, vermenigvuldigen, maar laat er ook geen stilzwijgen wezen om haar terug te roepen tot de Wet en tot de Getuigenis.

Timmer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEVAREN!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's