De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PURITEIN VAN DE HERTENPOLDER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PURITEIN VAN DE HERTENPOLDER

FEUILLETON

8 minuten leestijd

 — Kan een geest sterven, Aldert ? ontwijkt Janus het gesprek op Gieson, alsof het bericht hem niets zegt.
— Ge snapt 't wel, boer. Ik bedoel, Hent Gieson heeft 't tijdelijke met 't eeuwige verwisseld. De kwelgeest is zodoende dood !
Janus zet z'n klomp weer op de grond en steekt zijn voet er in, vouwt z'n mes en steekt dat in zijn broekzak.
— Aldert gao zitte.
Aldert van Janna zet zich naast Janus. Dan valt 't scherm dat scheen opgericht.
— Jie het een boodschap van vrouw Gieson, hê. Dus hij is gestorve. Daorum vroeg jie of ik an de man docht. Dat was zo, Aldert. Mer hoe treurig is ut, zo as mins geleefd te hen. In 't leven is de keuze te veraandere, mit de dood nie meer.
— En of je van avond nog kon komen.
— Ik gao zo mit je mee, Aldert, zegt Janus, en gaat naar binnen.
Aan Mia en Moeder vertelt hij de boodschap van de arme vrouw, die nu in de hoogste nood is. Zij weet van haar man, dat hij Janus diep heeft willen vernederen. Nu is hij dood. Zij zal niet kunnen denken aan zijn spotten over zijn afvaart naar Rotterdam, want zij is hem kwijt. Dat is haar nood nu.
— Janus, trek je bonker aan, zegt Mia en geeft hem die.
Dan stapt hij met Aldert naar de hoeve van Gieson.
•— Zal ik maar naar huis gaan, boer, stelt Aldert voor bij de dam.
•—• Gao mer naor huus, Aldert.
— Truste, boer.
— Truste, Aldert!
De schemer valt nu snel over de velden.
't Is avond nu.
Janus drukt de achterdeur open. Een vertrouwde lucht komt hem tegen. De stallucht van het vee.
Onder de lantaarn bewegen zich de figuren van kinderen.
Eén er van glipt door de middendeur en kondigt de vreemdeling aan.
Dan komt vrouw Gieson de deel op. Zij groet Janus. Haar ogen staan angstig. Zij mist, meer dan ooit een vrouw, haar man.
— Ja, buurmên, klaagt ze, daar zit ik nou. Hent is straks gestorve. Hij heeft gevochte als een leeuw, maar hij heeft 't afgelege. Wil jai naor 't dorp gaan en de heer Schrijner ermee in kennis stellen? En de dominee?
. — Jao zeker.
— Kom eve mee, buurmên, hoe hij ligt.
Janus loopt met haar mee.
Zij licht hem bij met een kleine petroleumlamp.
— Jao, hij is het. Hoe kalm is een mins, as ie dood is.
De vrouw begint te schreien.
— Buurmên, ik zal hem zo missen, krijt ze.
— Dat zult ge, vrouw. Maar de Heere wil uw Man worden. De troost dier vervulling is groter dan het bitterst verlies.
— Ik heb daar geen kennis aan, buurmên. Ik mag u prijzen, dat ge geen wrok tegen Hent hebt.
— De Heere is starker dan ons hart, buurvrouw. Hij overwint onze wraokgeveulens. Hoeveul wraok had God rechtvaardig op ons kunnen laoije. Wat zin wulie onbarmhartig, vergeleken bie Zien goedheid.
De vrouw zwijgt.
Eens in de maand ging .zij ter kerk. Hent Gieson kwam er nooit.
De woorden van Janus vinden geen weerklank in haar hart. Zij is teveel vervuld van dit gebeuren, dat haar nut toch overrompeld
— Buurmên, zegt ze, hij was zo kwaad niet, hoor.
— Gien mins kende hem beter dan jie buurvrouw, zegt Janus. Jie het mit 'm saome geleefd, is 't niet zo?
Janus gaat heen.
— Dus Schrijner zorrugt veur de begraofenis ; as hie bericht kriegt is 't goed. En de dominee! Maarge gao 'k naor daarp.
— Dank je, buurmên.
Janus stapt op z'n fiets.
— Hè, wat is dat?
Het voorwiel schaaft.
Hij stapt weer af. Een schroef is van de as gedraaid. Zal hij omkeren?
Neen.
Met de fiets in de haiid loopt Janus de polderweg op. De schroef bekommert hem niet meer.
— O, Heere, klaagt hij, waorum mot 't zo? Ik bin toch nie beter as deze Gieson die Gij een halt het toegeroepe. Tot hiertoe en nie veerder.
Dan klinkt het op de klankbodem van zijn ziel : Wat Ik nu doe, weet gij niet, maar gij zult het na deze verstaan..
Zijn klacht is verzwolgen in het dwaze Gods, dat wijzer is dan de mensen.
Hoe ondoorgrondelijk is de Heere in Zijn eeuwige raad. De wil Gods triumpheerde in het diepste lijden van Jezus op aarde. De Heere zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. God is groot, en wij begrijpen Hem niet.
De Dinsdag daarop wordt Hent Gieson begraven.
Dominee Greënveld spreekt in huis over de mens, die gaat naar zijn eeuwig huis, en waar de boom valt, daar zal hit wezen ; valt hij naar het Noorden of naar het Zuiden, de plaats waar hij valt, daar zal hij wezen. Janus Veldstroo, die door niemand geacht kon worden een vriend van Gieson te zijn geweest, heeft op het graf gesproken, daar­ voor aangezocht door dominee Greënveld. Bij elke begrafenis, welke er in Ririgelberge plaats vindt, is altijd grote belangstel­ling uit het dorp. Deze gelegenheid is doqr Janus aangegrepen om niet zijn mening te laten horen, maar te wijzen op de grote scheidslijn, welke God trekt door het midden der wereld.
Het getuigenis, van dit bizonder ogenblik uitgaande, heeft allen wat te zeggen. Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat. God is Rechter, Die 't beslist. Die als aller Oppervoogd, deez' vernedert, dien verhoogt. Geen ding geschiedt er ooit gewisser, dan 't hoogst bevel van 's Heeren mond. Het sterven van de kinderen der mensen predikt ons, dat ons leven een handbreed is gesteld. Daar is maar één schrede tussen ons en tussen de dood. Op de noodzakelijkheid der waarachtige wederkeer tot God, met de belijdenis van zonde en schuld, wordt tenslotte gewezen, met de opwekking, de Heere te zoeken voor het te laat is.
Zo droeg deze begrafenis nog een plechtig karakter door het toedoen van hem, die wel zeer smartelijk de schaduwzijde van de overledene had ondervonden.
En toen de weduwe bij Janus aandrong als buurman des namiddags ook te komen, bezweek hij ook daarvoor.. Alles was vlak. Hij had geen bezwaren. Daar was een ruime baan in zijn hart. Hij kon uitgaan uit zichzelf en buiten de legerplaats, met Christus, Zijn smaadheid dragen.

Het is er een bont gezelschap, bij de weduwe Gieson. De ene broer komt van Dalervéen, de andere komt van Winterswijk. De ene is timmerman, de andere chauffeur. Weer een ander is voorganger van de Apostolische Broederschap, terwijl de vierde rooms geweest is en nu nergens aan doet.
Janus komt tegen twee uur bij de hoeve. Het is er een drukte van belang. Een geroezemoes van stemmen dringt tot hem door. Er zijn er, die 't hoogste woord voeren.
Janus weet, dat vaak de middagen de ernst niet meer dragen, welke er behoort te zijn op de dag van het begraven van één der dierbaren. De dode is nu weggebracht en uit de tijd. De zorgen der wereld nemen weer de overhand en de gesprekken zijn topzwaar van allerlei dingen, die het aardse betreffen.
Als de jonge boer binnenkomt, wordt het rumoer veel minder. Men fluistert, dat dit de man is, die op het kerkhof gesproken heeft.
Met blijdschap voelt Janus de stilte aangroeien. Dat is een werk Gods.
Stilte is er nodig bij de voorbereiding van een stichtelijk en opwekkend woord.
Daar zit de weduwe met haar kinderen. Janus ontgaan de gluiperige blikken niet, die de twee grootsten op hem slaan.
Wie zal een reine geven uit een onreine, niet één — heeft de man Job in de grijze oudheid reeds gesproken.
Janus hangt z'n pet aan de koffiemolen en zoekt zich een staanplaats in de deur van de keuken en huiskamer. De helpsters uit de buurt hebben hun werk gedaan. Zij zetten zich op een laag bankje tegen het aanrecht in de keuken. En als Aldert van Janna stil de achterdeur inkomt, vatten zij een stoel en geven hem die.
— Het is een goede gewoonte — begint Janus — de dag van begrafenis in zijn geheel te wijden aan de overdenking der eeuwige dingen. Dus ook deze middag daaraan te besteden. Wij hebben begrepen dat wij ons onder een gemengd gezelschap bevinden. Ik heb verschillende kerken en verenigingen horen noemen, als daar zijn de Gereformeerde kerken, een makkelijk geloof ; de Hervormde kerk, nogal makkelijker geloof ; de Remonstrantse Broederschap, nogal weer veel makkelijker geloof ; maar ik heb ook horen noemen het geloof, dat zich aansluit bij de Kerk aller eeuwen. Ik denk zo, dat deze nog het dichtste staan bij het Koninkrijk Gods. Want wij hoeven niet tot God te gaan met de kwaliteit van onze kerken, daar de Heere, Die woont in 't Hoge en in 't Heilige, alleen wil wonen bij die, die eens verbrijzelde en nederige geestes is, opdat Hij levend make de geest der nederigeii en opdat Hij levend make het hart der verbrijzelden.
Wat is het gemakkelijk, te staan in een kring, waar ieder van een ander gevoelen is. Nu zal het Woord van God alleen spreken. Niet éen kerk zullen we kunnen voorspreken, want niemand zou het er over eens kunnen zijn, maar als wij luisteren naar wat de Heere in Zijn Woord tot ons allen zegt, dan kan het goed worden.
Daartoe lees ik u voor uit de profeet Jesaja, het 53ste hoofdstuk, en zullen daar dan enkele gedachten aan verbinden.
Dan leest Janus Veldstroo dit bekende hoofdstuk, zo rijk aan profetie, zo boordevol beloftenissen aan de Kerk van het Oude Verbond.
Met grote aandacht wordt de Schriftlezing gevolgd.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PURITEIN VAN DE HERTENPOLDER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's