DE UITVERKIEZING
Theologie is inderdaad nog wat anders dan geloof, hoewel ware theologie door het geloof wordt gedragen. Zij toch heeft haar beginsel in de Godsopenbaring. Ware er geen openbaring, had de Heere niet bekend gemaakt, wie en hoedanig Hij jegens ons is, wij zouden de kennis van God missen en konden over God niet spreken.
Geen Godskennis, geen theologie zonder openbaring.
Wij kunnen echter in deze weg niet voortredeneren, want God heeft zich geopenbaard en wij geloven, dat Calvijn volkomen terecht heeft geleerd, dat religie een algemeen menselijk verschijnsel is. Ook het heidendom bewijst, dat de mens een besef der Godheid eigen is. Calvijn schrijft dat besef toe aan een daad Gods. Hij doet herhaaldelijk nieuwe droppelen indruppen, opdat zij door hun eigen getuigenis zouden worden veroordeeld. (Inst. 1.3.1).
Daarnaast spreekt hij van de zuivere Godskennis, want wij zien, dat het algemeen besef der Godheid geenszins tot ware religie leidt, tenzij wij Gods aangezicht aanschouwen en tot de rechte zelfkennis komen.
Aangezien het getuigenis der Heilige Schrift deze dingen bevestigt, belijden wij van harte, dat er een algemene openbaring is, zoals art. 2 onzer geloofsbelijdenis dat voorstelt.
En ofschoon deze algemene openbaring niet tot klaarheid komt zonder de zuivere kennis van God door Zijn Woord en Geest, heeft men toch in alle tijden de werking daarvan in het mensenhart zo onmiskenbaar waargenomen, dat theologen en philosofen dit als een natuurlijke zaak hebben genomen en van een natuurlijke theologie hebben gewaagd.
Op die wijze is er verwarring ontstaan en heeft men ten onrechte algemene openbaring en natuurlijke Godskennis voor dezelfde zaak gehouden.
Dat nu is een fout, die vermeden moet worden.
Zo waarlijk ook het algemeen hesef der Godheid, zoals Calvijn duidelijk leert, op Gods openbarende daad teruggaat, kan het geen vrucht zijn van enig natuurlijk vermogen. Daarom, als wij opkomen voor artikel 2 der Ned. Geloofsbelijdenis, wijzen wij tegelijk iedere natuurlijke Godskennis van de hand. Zó zelfs, dat ook de afgoderij en valse godsdienst en mitsdien ook alle onzuivere theologie niet zouden kunnen voorkomen onder de mensen, dan enkel als verschijnselen onzer verdorven natuur, welke de waarheid verkeert in de leugen. (Vgl. Rom. 1 : 18vv.).
Derhalve geen theologie zonder openbaring.
De ware theologie kan dan ook slechts daar opbloeien, waar de zuivere religie wordt gevonden, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Theologie bloeit op uit het geloof van Gods kerk. Het geloof belijdt en de bezinning over de inhoud des geloofs leidt tot theologie. Daarom staat de theologie op de belijdenis, vindt haar beginsel in de Heilige Schrift, zijnde het Woord Gods ons toebetrouwd. En als zij zich bezint op de inhoud des geloofs, zoals die in de belijdenis wordt uitgedrukt, komt zij als vanzelf tot een hogere taak n.l. die belijdenis te toetsen aan de Heilige Schrift als de enige regel des geloofs.
Op die wijze kan de theologie de kerk dienen in de onderhouding van de zuivere leer en de bestrijding van alle valse leer.
Als wij ons rekenschap geven van het beginsel en de taak van de theologie, kan het duidelijk zijn, dat de verscheidenheid in kerkelijke belijdenis. Rooms, Gereformeerd, Luthers) zich ook in de theologie zal afspiegelen. Vervolgens, dat de theoloog aanleiding heeft ook de verschilpunten der kerkelijke leringen te vergelijken en te toetsen. De aanraking met de philosophische wereldbeschouwingen zal, zoals de ervaring leert, niet zonder wederzijdse invloed blijven. Ja, er kunnen theologische beschouwingen of stelsels ontstaan, die zo ver verwijderd raken van de kerkelijke confessie, dat zij als kerkelijke theologie zelfs niet meer kunnen gelden. De negentiende eeuw vertoont daarvan verschillende voorbeelden en dat wreekt zich in onze dagen in velerlei opzicht, ook in het kerkelijk leven.
Inzonderheid heeft dit proces nadelige invloeden gehad voor het kerkelijk leven der Gereformeerde gezindheid en de ontwikkeling van de Gereformeerde theologie.
Het een met het ander, kon niet naar eigen aard tot krachtig leven komen, omdat men tegenover de toenemende verwording van het kerkelijk leven en de vervreemding van de Schrifttheologie in het isolement werd gedreven.
Van een doorgaande ontwikkeling der Gereformeerde theologie op de grondslag der belijdenis en gedragen door het reformatorisch geloof, kan geen sprake zijn. Van een gereed zijn om bij de inzinking van het negentiende-eeuwse humanisme, de ontreddering op te vangen, evenmin.
Men kan roepen : ,,tot de Wet en de Getuigenis", en dat mag niet nagelaten! Men kan het betreuren, dat het volk zijn Catechismus is vergeten, tot grote schade van de volkskracht. Maar wij staan voor het feit.
Men kan sceptisch staan tegenover allerlei nieuwigheden of wat als zodanig wordt aangeprezen, maar het ontbreekt aan de kracht.
Het schijnt te ontbreken aan de profetie, welke vanuit de wortel van het reformatorisch geloof de vraagstukken van vandaag aangrijpt en heerschappij neemt over de geesten.
Ondanks alles, wil de mens zichzelf blijven en zijn leven in eigen hand houden.
Geen wonder, dat de beroering doorwerkt op het terrein der Gereformeerde theologie, en geen wonder ook, dat er geschud wordt aan de traditionele belijdenis, voornamelijk aan die stukken der leer, welke als kenmerkende stukken van het reformatorisch geloof worden genoemd, het sola fide, en die, welke van meetaf weerstand hebben gezocht in en buiten het kerkelijk leven als de praedestinatie.
Zo is het o.a. opvallend, dat ook de nieuwe theologie in haar verschillende leringen zich beweegt om twee hoofdpunten : de Schriftbeschouwing en de prasdestinatie. Met name de leer der verkiezing en verwerping, zoals die door Calvijn werd gesteld, is in discussie. Dr. W. staat niet alleen met zijn stelling, dat de Heilige Schrift geen eeuwig besluit der verwerping zou kennen.
Deze vraagstukken raken dan ook het leven van Gods kerk in de wortel. Daaruit verklaart zich de vasthoudendheid van de gereformeerde gezindheid aan de belijdenis aangaande de Heilige Schrift als Gods Woord. Zij kan die niet prijs geven, omdat zij overtuigd is daarin de Christus en Zijn apostelen te volgen.
En zoals bekend is, heeft Calvijn de praedestinatie het hart der kerk genoemd.
Het gaat inderdaad om het rechte gezicht op het leven van de ware kerk.
Wij beweren geenszins, dat dr. W. dat niet ziet en dat ook niet zou wensen te bevorderen. Integendeel, hij is van oordeel, dat de door hem aangevallen leringen als onschriftuurlijke staketsels in de weg staan. En niemand zal ontkenneuj dat een dode orthodoxie dood is en dat onder een dor dogmatisme een ongeestelijke onverschilligheid kan schuil gaan.
Het is ook zeer wel mogelijk, dat de theologische beschouwingen de grenzen, door Gods Woord gesteld, overschrijden, om zich te verliezen in nutteloze speculaties en haarkloverijen, die met het leven van Gods kerk niets te maken hebben.
Wie enigermate in de geschiedenis der theologie thuis is, kan dat opmerken, hoewel hij dan niet vergeet, dat de daarmede verband houdende vragen destijds dan toch in het centrum der belangstelling hebben gestaan en raakten aan dingen, die het leven der kerk beroerden.
En in zoverre zij uit het leven der kerk zijn opgekomen, is er altijd nog een kant aan, die met de „Waarheid" wat te maken heeft, zodat zij ook voor onze tijd nog betekenis hebben.
Wij hebben onze mening over infra- en supralapsarisme als leer van de orde der besluiten Gods reeds gereleveerd, maar afgezien van ons theologische bezwaar, blijft toch, dat de innige gemeenschap des geloofs van een zondig mens met de heilige en almachtige God in Christus Jezus, in eeuwigheidslicht verschijnt.
De mens leeft wel in de tijd en komt tot dat geloof in de tijd, maar zijn God is toch geen God van een tijd of ogenblik, maar de eeuwige God, zijn Schepper en Onderhouder, die zich in zijn leven openbaart en Zijn Woord aan hem bevestigt, ja, een God, die hem heeft bezocht, terwijl hij naar Hem niet heeft gevraagd, die Zijn heil voor hem in Christus heeft bereid, vóórdat hij het levenslicht aanschouwde.
Ja, zal dr. W. zeggen, dat is nu juist de barmhartigheid Zijner eeuwige liefde.
Het is wel, maar dan toch van Zijn eeuwige liefde, de liefde van de eeuwige God.
Tot die God, boven de wereld en boven de tijd, wordt de gelovige ziel opgeheven. Ons leven is met Christus verborgen bij God.
En nu moge dr. W. menen, dat het meer Bijbels zou zijn van de verkiezende liefde Gods te spreken dan van het eeuwig besluit in de Raad Gods, doch hij zelf leest de Ned. Geloofsbelijdenis en Calvijn zó, dat zij daarin overeenkomen, „dat beiden uitgaan van het evangelie, van de reddende werkzaamheid Gods in deze gevallen wereld, om vandaar op te klimmen tot Gods eeuwige raad, waarin de verkiezende liefde zich reeds uitsprak". (Cursivering van ons). ;
In deze formulering wordt een onmiddellijk verband gelegd tussen de verkiezende liefde Gods en Zijn Raad.
En hoe kan het anders, want de liefde, welke verkiest, zelfs uitverkiest (dat is toch eigenlijk het woord!), strekt zich uit tot het voorwerp harer verkiezing, d.i. van haar welbehagen. De verkiezende liefde Gods is maar niet een abstracte macht, doch geeft uiting aan een persoonlijke daad. Daar ligt een wilsbesluit in.
Dr. W. is van oordeel, dat de verkiezing in de Dordtse Leerregels een zekere zelfstandigheid krijgt, (blz. 21). Hij wil van de „verkiezende liefde" gesproken hebben.
Men kan van alles alles maken, doch verkiezing van verkiezen is een daadwoord. Er staat een persoon achter, evenals achter een besluit. Men kan liefde ook wel tot een abstracte macht maken, evenals de Godsidee in de wijsbegeerte in abstracte zin wordt gebruikt.
Maar daar knelt de schoen niet. In feite gaat het betoog tegen Calvijn's leer der verwerping, (blz. 16). Dit blijkt o.a. op blz. 21 : „De samenkoppeling van het besluit der verkiezing en der verwerping is daarmede schuld aan. Men kan deze beide niet uit de éne bron der liefde voort laten komen. Men kan ze wel samenvatten onder het éne hoofd : vrijmachtig besluit".
Heel deze redenering zou aan kracht inboeten, als vooral op het woord uitverkiezing werd gelet, kiezen uit. Of zou dr. W. menen, dat de liefde Gods eerst nodig heeft gehad, dat de mensen in de tijd aanwezig waren, alvorens de Zijnen te kunnen uitverkiezen?
Wij kunnen dat niet aannemen, want dr. W. is Psalm 139 b.v. bekend. Wij denken bijzonder aan het 16e vers: „Al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen, als ze geformeerd zouden worden, toen er nog geen van die was".
Daarom komt de psalmist onder de indruk van de Raad Gods, die hoger is dan de gedachten der mensen. De Heere God ziet — om het zo uit te drukken — alle dingen op Zijn goddelijke wijze overeenkomstig Zijn eeuwig Wezen voor zich.
Bovendien legt dr. W. de nadruk op de verkiezing in Christus, en terecht.
Over de verwerping zullen wij nog nader hebben te handelen. Voor het ogenblik vragen wij slechts, of de uitverkiezende liefde in de daad der uitverkiezing geen scheiding maakt tussen uitverkorenen en niet uitverkorenen.
Ligt dat niet in de aard der liefde? En is het niet zo, dat de liefde, welke zich uitstrekt naar het voorwerp van haar welbehagen, op zich zelf genomen, toch geen ongerechtigheid doet jegens de niet verkorene?
De liefde doet toch geen onrecht aan degenen, die zij niet uitverkiest?
De niet verkorene is daarom nog niet verworpen !
Daarom kan over de verwerping nog niet worden gesproken, als wij ons alleen bij de uitverkiezende liefde Gods willen bepalen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's