De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MET MEER VREEMDELING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MET MEER VREEMDELING

11 minuten leestijd

„Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods" . Efeze 2 vers 19.

Voordat de Heere Jezus van de aarde heenging, heeft Hij Zijn discipelen bevel gegeven om Zijn getuigen te zijn. Hij heeft hen opgedragen het evangelie te prediken aan alle creaturen, beginnende van Jeruzalem. Dat was een heerlijke, maar geen gemakkelijke taak. Ze zouden met veel tegenstand en veel verzet te worstelen krijgen. De vijandschap der Joden, wien het kruis van Christus een ergernis is, zou hun moeite genoeg bezorgen en de onverschilligheid der heidenen, wien Christus' kruis dwaasheid is, zou hun strijd genoeg kosten. En daarbij : van zichzelf waren zij onbekwaam tot dit moeilijke werk, zwak van moed en klein van kracht. Wanneer het van hèn moest komen, dan was het een hopeloos en vruchteloos werk geweest. Maar het kwam van Hem, hun verhoogde Koning in de hemel, die hen uitgezonden had en hen niet alléén liet staan. Reeds voor Zijn heengaan van de aarde had Hij hen bemoedigd door hen te wijzen op Zijn kracht en macht, waardoor Hij alle verzet en vijandschap breken en Zijn werk volbrengen zou. Immers : „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde".
   En vanuit de hemel had Hij hun de Heilige Geest gegeven, die andere Trooster, die hen vervulde met God en de vrede Gods ; die hen, onbekwame discipelen, leidde in al de waarheid ; die hen moedig maakte en trouw om zich het evangelie van Jezus Christus niet te schamen, maar om overal, bij Jood en heiden, niet anders te weten dan Jezus Christus en die gekruisigd. Zo heeft de Heere Zijn werk gedaan door hen. Zo heeft de verhoogde Koning der Kerk door Zijn Geest en Woord de verkorenen ten leven vergaderd uit de Joden en uit de heidenen. Aanvankelijk werden ze voornamelijk vergaderd uit het volk Israël. Maar Christus heeft door Zijn bloed „de middelmuur des afscheidsels", de muur, die scheiding maakte tussen Joden en heidenen, weggebroken. Hij heeft al de geboden en inzettingen, waaronder Israël leefde, heel de schaduwendienst, vervuld ; Hij heeft vrede gemaakt door Zijn bloed en deze vrede deelt Hij als de verhoogde Koning in de hemel mede door Zijn Geest, niet alleen aan de Joden, die als het volk des verbonds nabij waren, maar ook aan de heidenen, die als buiten het verbond levend, verre waren. Hij heeft Zijn gezanten gezonden om dit evangelie des vredes te verkondigen aan de heidense Efeziërs, die verre waren, evengoed als aan de Joden, die nabij waren. Want door Christus hebben beiden. Joden en heidenen, de toegang tot de Vader door één Geest. Zo zijt gij dan niet meer, o Efeziërs, die tot het geloof in Christus gekomen zijt, vreemdelingen en bijwoners, maar .medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
   Vreemdelingen en bijwoners. Zo noemt de apostel de Efeziërs, en dat waren ze ook in hun eertijds. Wie als vreemdeling door één of ander land trok, was verstoken van alle burgerrechten. Zo waren de heidenen aanvankelijk vreemdelingen ten opzichte van Israël, het verkoren volk Gods. Zij waren verstoken van de geestelijke burgerrechten van dat volk en hadden geen aandeel aan de geestelijke zegeningen en voorrechten van Gods verbond. Zij waren, zo zegt Paulus in vers 12 : „in die tijd zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld". Zij waren vreemdelingoi of hoogstens „bijwoners", die nog wel in enkele zegeningen van het volk Gods mochten delen, maar die toch het kinderdeel misten. „Bijwoners" waren immers mensen, die wel onder het volk Gods mochten wonen en die daardoor nog wel enkele zegeningen genoten, maar die toch buiten het burgerrecht en het burgerschap van Israël bleven. En geldt dat eigenlijk niet van ons allen van nature? Zeker, de muur, die scheiding maakte tussen Jood en heiden, is weggebroken, toen de Heere Jezus op Golgotha Zijn werk volbracht had ; en toen Hij naar de hemel gevaren was, heeft Hij Zijn Geest uitgestort over alle vlees, over Jood en heiden, zodat Petrus getuigen mocht : „U komt de belofte toe en uw kinderen en allen, die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal".

Deze belofte is ook tot ons gekomen, toen wij gedoopt werden en daarin het teken en zegel van Gods genade-verbond ontvingen. Toen is de God des verbonds tot ons gekomen en heeft ons Christus en alle schatten en gaven van het genade-verbond aangeboden en daarin hebben wij een genade-recht ontvangen om te pleiten op de beloften Gods ; daarin zijn wij nabij gekomen door het bloed van Christus, waardoor Hij vrede gemaakt heeft voor doemwaardige zondaren, voor heidenen, die van nature overal buiten staan, maar die Hij door de Heilige Geest alle schatten en gaven schenken wil, die Christus verworven heeft, maar als het niet gekomen is tot een gelovig inwilligen van het verbond ; als wij ons niet als verloren, schuldige zondaren hebben leren verlaten door het geloof op deze genade Gods in Christus Jezus ; als wij niet door het geloof om Christus' wil van kinderen des toorns tot kinderen Gods zijn aangenomen, dan staan we in wezen er nog buiten, dan zijn we nog vreeemdelingen of op z'n hoogst „bijwoners", die wel delen in uitwendige verbondsvoorrejchten, maar die de innerlijke zegeningen missen. Zijn wij het gewaar geworden, welk een vreemdelingen wij zijn en hoe wij van nature overal buiten staan en nergens recht op hebben?
   Wij hebben God verlaten en zijn vervreemd van het leven Gods ; we gaan op in de wereld, we geven ons over aan de zonde en we zijn dood door de zonde en misdaden. Neen, dat gold niet alleen van de heidenen als de Efeziërs waren, wat Paulus schrijft aan het begin van ons teksthoofdstuk, dat gold ook van de Joden en dat geldt ook van ons, zoals wij van nature zijn, ondanks al onze verbondsvoorrechten. Paulus heeft het daar over de verkeerde geest, die daar werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, en „daar horen wij, alleszins godsdienstige Joden, ook bij", zo wil hij zeggen : „want ook wij allen verkeerden onder de macht van die verkeerde geest uit de afgrond in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil des vleses en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen".
   Zijn we dat te weten gekomen en zijn we het daarin met Paulus eens geworden? Zie, dan hebben we geen rechten meer ; dan komen we overal buiten te staan, dan worden we vreemdelingen, die ons moedwillig door onze zonde van God vervreemd hebben en die het verdiend hebben in eeuwige vervreemding van God te sterven! We horen tegenwoordig van „ontheemden", van mensen, die door de verwarring van de oorlog huis en hof en vaderland kwijtgeraakt zijn en die nu ergens als vreemdelingen zonder rechten verkeren. Zie, daarin kunnen we onszelf terugvinden. Wanneer Gods Geest ons aan onszelf ontdekt, dan worden wij zulke „ontheemden", die in de oorlog tegen God ons vaderland kwijt geraakt zijn, en nu horen we nergens meer bij. De hemel is voor ons gesloten en als vreemdelingen zwerven we over een gevloekte aarde, die doornen en distelen voortbrengt en die ons straks ook niet langer zal willen dragen. Is dat ontstellende werkelijkheid voor ons geworden en is de vraag levend geworden in die nood : „Hoewel ik naar het rechtvaardig oordeel Gods verdiend heb in eeuwige vervreemding en Godverlatenheid te verzinken, is er nog een weg om wederom tot genade te komen? "
   Hoor dan het antwoord, het goddelijk antwoord! Daar, waar geen weg was, daar heeft God een weg gegeven. God heeft gedachten des ontfermens gehad over vreemdelingen en biJTfoners. God heeft het liefste, wat Hij had, niet gespaard, maar Zijn eigen Zoon gegeven. Deze heeft Zijn Vaderhuis verlaten en is vreemdeling op deze aarde geworden. Voor Hem was daar geen plaats meer en voor Hem was daar geen recht meer. Hij werd van de aarde uitgestoten en van de hemel teruggestoten, en, dragende de toorn Gods tegen de zonde, heeft Hij daar aan het kruis de vervreemding en Godverlating geleden, opdat Hij vreemdelingen en bijwoners nabij zou brengen door Zijn bloed en een plaats zou geven in het huisgezin Gods, ja, zou maken tot medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
   Is Hij de grond onzer hoop geworden? Heeft Hij de muur voor ons doorbroken? Hebben we verzoening gevonden in Zijn bloed? Zijn we onszelf openbaar gekomen als kinderen des toorns, die overal buiten staan en die niet anders verdiend hebben dan onder die eeuwige toorn te verkwijnen, en mochten we toen het wonder ervaren en geloven, dat Christus voor ons die toorn gedragen heeft en van God verlaten geweest is, opdat wij tot God genomen en nimmermeer van God verlaten zouden worden?
   Welk een omzetting : van een rechteloze vreemdeling een medeburger der heiligen en een huisgenoot Gods, in Gods huisgezin opgenomen! En ja, wie uit genade om Christus' wil tot een medeburger der heiligen wordt aangenomen, die ontvangt ook genadige burgerrechten. Die ontvangt het eeuwige leven, hier in beginsel in Gods zalige gemeenschap, en die mag met alles tot de Heere gaan ; die mag genieten Zijn machtige bescherming en die heeft in de Heere Jezus Christus een Voorspraak in de hemel ; die heeft een recht verkregen om straks eeuwig bij Hem te zijn.
   Maar naast de burgerrechten komen ook de burgerplichten. Zij zijn geroepen om te wandelen als kinderen des lichts en ze hebben een heilige oorlog te voeren door het geloof in Christus, tegen de duivel en zijn ganse rijk. Doch als de strijd soms moede en mat maakt, verkwikt Hij hun ziel en doet hen rusten aan het Vaderhart Gods. Want ja, ze zijn ook huisgenoten Gods geworden. Uit genade om Christus' wil zijn ze in het huisgezin Gods opgenomen en als de Geest hen vrijmoedig maakt, mogen zij stamelen Abba- Vader!
   Wat een voorrecht! Wat een genade! Niet meer vreemdeling, die overal buiten staat ; niet meer bijwoner, die uit de verte er wat van zien mag, maar door het geloof in Christus medeburger der heiligen, bij Israël ingelijfd om de naam van Sions kind te dragen, ja, méér nog, in het huisgezin Gods opgenomen, tot kind Gods aangenomen!
   Zo ontvangen vreemdelingen weer echt een thuiskomen, hier bij aanvang, wanneer zij door het geloof in Christus en door de Heilige Geest rusten mogen aan Gods Vaderhart, en straks volkomen, wanneer ze eeuwig thuis mogen komen in het Vaderhuis hierboven. Huisgenoten Gods, wat een heerlijke naam en wat een lieflijk beeld roept dat voor de geest! Daar zijn ze vergaderd in Gods huisgezin en daar zitten ze naast elkaar. Jood en heiden, barbaar en Scyth, blank en bruin, van nature alle kinderen des toorns, maar om Christus' wil tot kinderen Gods aangenomen ; en het oog des Vaders ziet in Christus vol liefde op hen neer, en hun ogen zijn in kinderlijke vreze en vertrouwen op hun Vader geslagen. Want ja, deze Vader zorgt goed voor Zijn huisgezin. Hij zal Zijn huisgezin niet van honger om doen komen. Hij richt hun de tafel toe en verkwikt hun ziel. „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? " De huisgenoten Gods hebben het goed thuis bij hun Vader. Als zij zich verwond hebben in de levensstrijd ; als zij gebogen gaan onder het levensleed, dan mogen zij tot Hem gaan en dan vinden zij altijd een toegenegen oor, door Hem, diè hun de weg gebaand heeft met Zijn bloed. Wanneer de stormen van tegenspoed en kruis, van vervolging en druk woeden, vinden de huisgenoten Gods een veilige schuilplaats in Vaders huis, waar ze wèl bewaard zijn en met elkander zich verliezend in de liefde Gods in Christus Jezus mogen zij Hem prijzen, en :

Dan zingen zij, in God verblijd
Aan Hem gewijd. Van 's Heeren wegen.

Daar komen zij' nooit over uitgezongen en zij zullen er straks in de eeuwigheid reeds van mogen zingen tèt heerlijkheid Gods, des Vaders en van Jezus Christus, die hen kocht met Zijn bloed, en Van de Heilige Geest, die hun dat heil deelachtig maakte;

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MET MEER VREEMDELING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's