De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET PROBLEEM DER BEWAPENING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET PROBLEEM DER BEWAPENING

12 minuten leestijd

   Het Persbureau der Ned. Hervormde Kerk zond dezer dagen aan de Redacties van plaatselijke kerkelijke bladen een serie artikelen over bovengenoemd onderwerp. Het bureau verzoekt de kerkelijke bladen deze artikelen over te nemen, met de bedoeling een discussie „vanuit het Evangelie" uit te lokken.
   Het is een reeks van vier artikelen : De verontrusting. De zedelijke verantwoording, Antimilitairisme een christelijke eis ? Het Russische gevaar.
   Wij vinden geen aanleiding de artikelen geheel over te nemen, maar willen ons bepalen bij enkele punten.

a. De verontrusting. 
   Dat in en buiten de kerk de huidige situatie verontrusting wekt, behoeft geen betoog. De oorlogsdreiging en de vrees voor de verwoestingen van een nieuwe wereldoorlog, de oorlogstoerusting, de ontwikkeling der moderne bewapening, het Russisch gevaar. Verschillende reacties.

   De onbekende schrijver zegt : „'t Spreekt vanzelf, dat ook in de Christelijke Kerk de vraag naar de zin, het recht, het verantwoord-zijn van de huidige bewapening wordt gesteld.

Er zijn er, voor wie deze dingen nauwelijks een probleem zijn. Er zijn er voor wie Rusland, of liever het communisme, de anti-christelijke macht bij uitstek is, zodat het voor hen vanzelf spreekt, dat het Westen zich gereedmaakt om, zoals het heet, een eventuele invasie uit het Oosten op de punt van de bajonet op te vangen. De staat draagt volgens Rom. 13 het zwaard nu eenmaal niet tevergeefs : een staat, die zich niet gereed maakt om zich te verdedigen, zondigt tegen de ordinantie Gods. Deze mensen schijnen weinig of geen moeilijkheden te gevoelen. De vraag moest toch minstens bij hen opkomen, of de techniek in onze tijd niet een dergelijke wijze van oorlog voeren mogelijk maakt èn eist, dat er geen mogelijkheid is die voor Jezus Christus is te verantwoorden. De vraag moest toch gesteld worden, of wij in onze tijd niet meer van doen krijgen met de dsemonisch geworden staat van Openb. 13, dan met de réchte staat van Rom. 13. Kan Jezus Christus het goedkeuren, dat wij zélfs ter verdediging van onze vrijheid en onafhankelijkheid met de atoombom werken? De beide wereldoorlogen van deze eeuw hebben reeds het morele en religieuse leven van miljoenen ernstig ontwricht. Zal niet een derde wereldoorlog het einde van cultuur, moraal en religie betekenen? Kan een christen verantwoordelijkheid aanvaarden voor een bewapening, die misschien tot oorlog leiden zal en dan déze vernietigende gevolgen zal hebben?
   Nu er nog zovele christenen zijn, die oorlog en oorlogstoerusting vanzelfsprekend aanvaarden als gevolg van het feit der zonde en de goddelijke ordinantie aangaande de staat, moeten deze verontruste vragen gesteld worden.
   In de Christelijke Kerk zijn óók mensen, die zeggen: Neen! Géén oorlogstoerusting! Het mag niet ; het kan niet ; het heeft geen zin! Jezus Christus verbiedt het. Het is in strijd met het Evangelie. Wie de naam van Jezus Christus noemt, sta af van alle ongerechtigheid. En zoals een christen niets van doen mag hebben met de ongerechtigheid der prostitutie, zo mag een Christen óók niets van doen hebben met de ongerechtigheid van dé moderne oorlog. Aldus b.v. ds. Kr. Strijd.
   Maar ook nu verheffen zich allerlei vragen. Gaat de vergelijking tussen prostitutie en oorlog óp? Hoe staat de christen tegenover de staat? Kunnen wij léven, menselijk léven zónder de macht en het geweld van de staat? Is het inderdaad mogelijk als christen zonder meer néén te zeggen, als de staat zich ter verdediging gereed maakt?

   Hier worden twee beschouwingen tegenover elkander gezet, welke de schrijver volgens zijn tegenwerpingen niet voor de juiste houdt.
   Het is ook de vraag, of de schrijver het standpunt van de eerst bedoelde christenen wel zuiver weergeeft. Hij stelt een staat van Rom. 13 als réchte staat, (mogelijk beter de rechtsstaat), tegenover een staat van Openbaringen 13, „de demonisch geworden staat", laten wij zeggen machtsstaat.
   Zonder beding zijn deze mensen vóór de rechtsstaat en achten zij de machtsstaat uit de boze.
   Bovendien werkt het verwarrend, om het steeds toenemend gebruik van het woord staat te volgen, inplaats van te spreken van de overheid, waardoor het officieel of ambtelijk karakter op de voorgrond treedt.
Men kan niet zeggen, dat de staat Gods dienaresse is. Niet alleen zondigt dit tegen de taal, hoewel dit voor velen geen beletsel meer is, die gemakkelijk „der" staat schrijven. Van meer betekenis is, dat de staat geen persoon is, terwijl overheid, overheden, op personen ziet, die met het ambt bekleed zijn. De Schrift noemt ze zelfs goden. (Exodus 21 VS. 6 ; vgl. Joh, 10 vs. 34, 35). Zij oefenen de overheidsmacht, de zwaardmacht — want daarover gaat het — ex officio. De onbekende auteur spreekt van persoonlijke beslissing! De staat kan geen persoonlijke beslissing nemen, wel de overheidspersoon. Die persoonlijke beslissing der overheden kan rechtens dan alléén een beslissing binnen het kader van de ambtsbevoegdheid ten aanzien van een gegeven situatie zijn.
   Aangezien de schrijver over reacties „in de Christelijke Kerk" spreekt, mocht wel meer aandacht aan de kerkelijke belijdenis aangaande het ambt der overheid zijn besteed. Ook als men, zoals hij doet, een beroep doet op de verantwoording jegens de Heere Jezus Christus, waarin de erkenning van Christus de Heere, als Koning der koningen ligt, kan dat ambtelijk karakter der overheid niet worden miskend.
   Daarmede is ook gezegd, dat het ons niet voegt over dat ambt naar willekeur te oordelen. Integendeel zijn wij gehouden aan de openbaring van Gods wil en gebod. Er is b.v. geen enkele grond om de handhaving van het recht los te maken van de norm der Wet Gods. De schrijver spreekt alleen van Evangelie. Maar de ambtelijke taak der overheid kan een geheel andere eis aan de overheidspersonen stellen, als de Christelijke levenshouding aan dezelfde personen in hun particuliere leven, terwijl de ambtelijke handeling van de overheidspersoon en zijn gedragslijn volgens ambt der gelovigen in zijn particulier leven beide uit het geloof kunnen zijn. Het is zelfs overbodig daarvan voorbeelden te geven. De rechter, die door een slagersjongen omver wordt gereden, zodat hij ernstig letsel oploopt, kan die jongen vrij laten uitgaan. Maar, indien diezelfde knaap op een later tijdstip onder beschuldiging van een dergelijk geval jegens een ander wordt voorgeleid, zal hij deze zaak ambtelijk afdoen.
   In het licht van het ambt gezien, is er geen onderscheid in recht, bevoegdheid en plicht tussen de overheid van Rom. 13 en Openb. 13, doch als de overheid zich niet houdt aan de eis van haar officium als Gods dienaresse, maar handelt naar de geest dezer eeuw, wordt zij een dienaresse der daemonische machten.
   De overheid is met de zwaardmacht bekleed om der zonde wil. De zwaardmacht is gericht tegen de ongerechtigheid, maar de daemonische machten stellen haar in dienst van de ongerechtigheid. Zij wordt in haar tegendeel verkeerd. In plaats van bescherming der geestelijke en zedelijke goederen, wordt zij tot beroving daarvan.
   Niet alleen in de erkenning van de zonde, maar daardoor ook in de erkenning van de zwaardmacht der overheid om der zonde wil, ligt het zwaartepunt voor de verdere beoordeling. Het communisme is voorts zo onmiddellijk met de totalitaire staat en de absolute macht verbonden, dat het inderdaad geen verwondering behoeft te wekken, dat men daarin „de antichristelijke macht bij uitstek" ziet.
   Het is echter volmaakt onredelijk en willekeurig het totalitair stelsel yan het nationaal socialisme wel en dat van het communisme niet als anti-christelijke wereldmacht te veroordelen en te bestrijden.

   „In de Christelijke Kerk zijn óók mensen, die zeggen : neen. Geen oorlogstoerusting". Wij laten de uitdrukkingswijze voor rekening van de schrijver. De Christelijke Kerk op aarde is vaak een vreemde mengeling en wie zal uitmaken, hoeveel ketterijen iemand kan hebben en toch nog een Christen zijn.
   Doch, idealisten als zij zijn, deze neen-zeggers moeten aan een verenging van bewust-zijn lijden. „Christus verbiedt het". „Het is in strijd met het Evangelie".
   Zeker, men kan dat wel demonstreren, b.v. met Christus' woord tot Petrus : „Steek uw zwaard in zijn schede", enz., en met woorden uit de Bergrede. Maar dat is gezegd tot Petrus en tot de mensen, die Hem volgden ; wij zouden willen zeggen : tot de gewone mensen. Dat gaat de personen aan in de alledaagse omgang des levens. Het blijft echter nog altijd de Wet en wel de Wet Gods, geestelijk en dieper, dan de Parizeen die hadden begrepen, en met goddelijke autoriteit uitgelegd.
   En als de discipelen later weer bij die eis worden bepaald, zie de rijke jongeling, Lukas 18 VS. 18 V.V., dan vragen zij : „Wie kan dan zalig worden? "
   Let op het antwoord van de Heere Christus : „De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God" (vgl. vs. 27).
   Wat Christus onmogelijk noemt bij de mensen, willen deze neen-zeggers aan een wereld van ongeloof en rebellie opleggen, om een aardse vrede te winnen.
   Laten zij liever ernst maken met de verdorvenheid van ons geslacht en van de Christus leren, hoe bij God mogelijk is, wat bij ons onmogelijk is.
   Die Christus heeft ons trouwens over de overheid nog wel wat anders geleerd. Heeft Hij het woord van Psalm 82 vs. 6 niet met Zijn goddelijk gezag gekroond, als Hij zegt : „Is er niet geschreven in uw wet : Ik heb gezegd, gij zijt goden? Indien die goden genaamd "worden, tot welke het Woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden enz.
   Tot Pilatus zegt Hij : „Gij zoudt geen macht over Mij hebben, indien ze u niet van boven gegeven ware". En : „Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zouden Mijn dienaren gestreden hebben". (Joh. 18 vs. 28 V.V.).
   De overheid is gezet in het geestelijk-zedelijk conflict der zonde en zij is gezet aan Gods zijde tegenover de zonde. Daarom staat zij in een geheel andere positie tot het zedelijk gebod als de individuele mens. De individuele mens, ook de overheidspersoon, staat onder de Wet, doch de overheid staat op de plaats van de Wetgever.
    Voorts geeft de Christus ons geen verwachting voor een paradijstoestand op deze aarde, welke door Zijn kerk en haar prediking zou worden gebracht. Integendeel, Hij voorzegt, dat Zijn kerk verdrukking zal hebben in de wereld. En het beeld, dat ons in Openbaringen 13 wordt getekend, spreekt voor zichzelf.
   Een „Christelijk" ideaal, dat zich verenigt met een humanistisch streven naar de verwezenlijking van een paradijs op deze aarde, miskent de ernst der zonde en van het geestelijk-zedelijk conflict, waarin wij tegenover God staan, en is ook niet Bijbels.

De verantwoordelijkheid.
   Toch is de zaak hiermede niet afgehandeld. Immers de eerstgenoemde Christenen staan evenzeer ondec de eis der ; Mefde. Ook voor hen geldt het : Sta af van ongerechtigheid. Zij hebben de strijd te voeren tegen de ongerechtigheid. Uit kracht der liefde haten zij twist en tweedracht, strijd en oorlog en, als zij op hun plaats zijn, lijden zij liever onrecht dan onrecht te doen. Nochtans leert de ervaring, dat de Catechismus terecht opmerkt, dat de allerheiligste, zolang hij in dit leven is, slechts een klein beginsel heeft van deze nieuwe gehoorzaamheid.
   Het nieuwe leven werkt als een zuurdeeg, allereerst in Christelijke kring en allengs op het volksleven. En naarmate overheden der volkeren buigen voor des Heeren Woord, kan verwacht worden, dat ook in het verkeer der volkeren de strijd tegen de ongerechtigheid wordt aangebonden. De taak der overheden brengt ongetwijfeld mede het leven der mensen te beschermen. Daartoe werd haar de zwaardmacht toebetrouwd. Genesis 9 spreekt duidelijke taal. De mens zal geen rechter zijn in zijn eigen zaak. Dat is de geest van Lamech (Genesis 4 vs. 23) en, dat is de zonde. Hij wil als God zijn, uitmakende wat goed is en kwaad:
   Het zwaard is het middel in zijn hand om geweld te bedrijven tegen zijn naaste en deze te onderdrukken. Vgl. Genesis 6, waar ons de tyrannie der geweldigen wordt getekend. De machtsstaat is niet van gisteren en heden.
   Is het niet zó, dat óns daar een tekening wordt gegeven van een crisis tot de ondergang der voor-Noachietische wereld? En zien wij het mis, dat God het zwaard, dat geweld drijft, ontzegt aan de mensen onderling, om het in de hand van de overheid te betrouwen, teneinde het geweld te keren?
   Het merkwaardige nu is, dat de neen-zeggers dit bewust of onbewust erkennen, als het gaat om de bescherming der openbare orde door justitie en politie, terwijl zij bezwaar maken, als het gaat om de bescherming van het volksleven als geheel en om het behoud van de hoogste geestelijke goederen als vrijheid en recht.
   Als wij daarvoor verklaring zoeken, komt het ons voor, dat deze althans ten dele ook moet worden gezocht in de veranderingen, die zich in onze dagen voltrekken in de internationale verhoudingen. De aarde is klein geworden. De ganse wereld weet binnen enkele uren, wat ergens aan de orde is, wat er geschiedt, enz. De volkeren worden geconcentreerd in grote complexen, door gemeenschappelijke belangen of strevingen opeengedreven.
  
   Dientengevolge worden de oorlogen wereldoorlogen en de buitengewone vindingen van wetenschap en techniek niaken die tot een gruwel van verschrikking. De snelheid, waarmede dit proces zich in de laatste decenniën heeft ontwikkeld en de onheilvolle ontkerstening in het Westen, zijn wellicht mede oorzaak, dat men in gebreke is gebleven op de hechte grondslag van het Schriftuurlijk geloof een internationale rechtsorde voor te bereiden.
   In het besef van de gemeenschappelijke taak der overheden om als dienaressen Gods het recht te beschermen en de zwaardmacht te handhaven ten dienste van het recht, is de weg aangewezen om die macht tegen het geweld te zetten. Volkenbond en Verenigde Natiën zijn althans pogingen om gemeenschappelijk het geweld te bestrijden.
   „De bestrijding van de oorlog is een zaak, die door gemeen overleg der overheden moet worden aangegrepen".
   „De Kerk van Christus, over de gehele wereld verspreid, heeft hier een grootse taak te vervullen en door haar prediking de publieke opinie der wereld te winnen voor het streven naar een internationale gerechtigheid overeenkomstig de norm van Gods Wet". (Vgl. Kerk en Vrede, of Het gevaar van eenzijdige ontwapening, door dr. J. Severijn, W. Ten Have, Amsterdam, 1931, blz. 17 over : De roeping der Kerk, a.w. blz. 17 v.v.).
   De Kerk heeft zich daarom te wachten voor een houding van defaitisme. Die past trouwens een levende Christenheid nooit. Zij heeft de tekenen der tijden waar te nemen en deze wijzen ongetwijfeld op de nadering der voleindiging. (Marc. 13 vs. 28). Doch wij weten het niet. (Lukas 21 vs. 9). Nog is terstond het einde niet, staat er ook om ons te vermanen tot volharding des geloofs.
Doch deze woorden van Christus wijzen op de ijdelheid van de droom der neen-zeggende vredesapostelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET PROBLEEM DER BEWAPENING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's