De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE WATEREN DES GEESTES

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE WATEREN DES GEESTES

9 minuten leestijd

En ziet, er vloten wateren van onder de dorpel des huizes naar het Oosten. Ezechiël 47 vs. lb.

   De rivier Gods is vol water, zo zingt Psalm 65. De rivieren hebben iets goddelijks, zo heeft het heidendom gemeend. Als op de toppen der bergen dat kleine oog al maar water opgeeft, dan staat het heidendom voor een raadsel en als dat water met wild geraas grillig naar beneden stroomt, dan ziet het er zijn elfen in en straks weer als de machtige stroom in de vlakte buiten de oevers treedt en beurtelings leven en dood brengt, dan moet daar de hand van een godheid achter zitten.
   Ook de Schrift ziet in de rivieren iets Goddelijks. Werd het paradijs doorstroomd door vier rivieren, ook in de hemel werd een rivier getoond van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods en des Lams. Zo wordt ook de genade voorgesteld als een stroom. Leeft het heidendom bij verwrongen bijbelse beelden, laat ons het bijbelse beeld daartegenover stellen.
  
   Het Evangelie en de Geest der genade vergelijkt de Schrift vaak bij wateren, bij levende wateren en bij levende fonteinen der wateren, terwijl de geest des mensen is als stilstaand water, moerassig, ongezond, vol zonde en bederf. Het water van Gods genade vloeit van onder de dorpel van het huis des Heeren, vanuit de woonplaats Gods. De dorpel mag beschouwd worden als een stuk van het fundament, hij moet, om de vele voeten te kunnen dragen, hecht in het fundament vastliggen. Van onder de dorpel van Gods huis, uit de diepte onder Gods zetel, stroomt het water. De herkomst der genade is altijd onnaspeurlijk, een geheimenis, ze vloeit uit de diepten Gods, uit het eeuwig welbehagen. De wateren vloeien van onder de dorpel. De dorpel geeft toegang tot God. Hier komt niet de mens tot God met het zijne, maar God treedt uit Zijn heilige woning met Zijn gunst en genade. Had de mens God als de springader des levenden waters verlaten, om gebroken bakken uit te houwen, die geen. water houden, thans komt God tot de mens zo geheel vrijwillig, zo genadevol, en laat uit Zijn tempel vloeien een stroom van heil, dat nooit vergaat.
   Hoe dat kan? Hoe een heilig God genade kan schenken aan zondaars?
   De wateren vloeien uit de rechterzijde van het Huis, van het Zuiden des altaars. De Kanttekenaren wijzen er op, dat hier bedoeld is het brandofferaltaar ter verzoening en wijzen in dit verband op de doorstoken rechterzijde van Christus. In Christus alleen is het een heilig God mogelijk geweest om uit te gaan uit Zijn heilige woning om Geestesgaven te doen vloeien uit Zijn huis naar zondige mensen. In de Heere Jezus alleen kan God genade schenken en in de Christus alleen kan de mens genadegaven Gods ontvangen.
   Er gaat een man uit met een meetsnoer, om de stroom der wateren te meten. Men maakt nogal eens bezwaar tegen het lopen met meetstok en meetsnoer, maar God meet en laat meten. Dergelijke opmerkingen komen doorgaans op bij hen, die'in boze vijandschap geen lust hebben om het werk des Heeren na te speuren en bij hen, wier leven de toets niet kan doorstaan. Overigens zijn wij er van overtuigd, dat een mens nooit het werk Gods in zijn lengte en diepte kan kennen. Maar de Man Gods kan het wèl en doet het en deelt zijn bevindingen mee aan de profeet. Op duizend ellen wordt de stroom gemeten en dan staan de wateren tot aan de enkelen.
   Het begin van Gods Koninkrijk is altijd klein en het komt langzaam. Een twaalftal apostelen trekt de wereld in om die voor Christus te gewinnen en dat twaalftal zal de wereld overwinnen. Ook in het persoonlijk leven begint de genade Gods zo bescheiden te werken, dan zijn het geen volle stromen en dan is het niet aloverheersend. Wat kan er dan nog veel zijn in het denken en doen, dat van ons is, wat kunnen wij onszelf nog in veel handhaven. Nog duizend ellen en de wateren reiken tot aan de knieën. God werkt trapsgewijze en geeft niet alles tegelijk, zodat er in de Schrift van wasdom der genade sprake is. Men moet enerzijds niet spoedig menen dat men alles weet en men moet anderzijds niet denken dat men niets weet, omdat, men alles nog niet weet. In de genadebedeling lere men vergenoegd te zijn met het tegenwoordige. Na weer duizend ellen reikt het water tot aan de lendenen, die de zetel zijn van de kracht van een mens. Nu wordt het gaan moeilijker en straks wordt het geheel onmogelijk. Naarmate de genade van Christus toeneemt, wordt de kracht van de mens gebroken. Eigen krachten te verachten, wordt in Jezus' school geleerd, om in zwakheid te roemen in Zijn genade. De genade neemt zó de overhand, dat men alle grond onder de voeten verliest. Van de schapen in de wassteden is het bekend, dat ze geducht tegenspartelen als ze het water in moeten. Dan trekt de herder, die het schaap wassen moet, de poten van het schaap weg onder hem, en als het de grond onder de poten verloren heeft, geeft het zich willig over in de handen van de herder.
   Na nog duizend ellen zijn de wateren zó hoog geworden, dat men er niet meer in gaan en staan kan, hier kan men alleen zwemmen. De genadestroom van Christus is zó rijk en de Godsrivier zó vol waters, dat men die niet meten kan naar zijn diepte en breedte. Wat is er in Christus een volheid, die steeds toeneemt en die wateren zijn niet onstuimig verwoestend als de wateren van Noach. De mens wordt er niet door gedood, maar gedragen, zoals het water dat bij een zwemmer doet. God schenkt Zijn heil in Christus niet met mate. „Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten".
   Deze wateren vloeien Oostwaarts, om dan te vloeien naar het voorste van Galilea, waarna ze afdalen in het vlakke veld, om daar te komen in de zee. Ze stromen dan eerst naar Galilea Deze landstreek was van de dagen der profeten aan veracht geweest. Ze werd in Jesaja 8 genoemd het Galilea der heidenen, gelegen als het was tegen Syrië en Assyrië, de twee heidense landen, die hun heidense invloed op de Noordelijkste stammen van Israël oefenden. Welnu, in die landstreek heeft de Heere de stromen des Geestes het eerst gezonden en het rijkst doen vloeien. Op de Pinksterdag heet het : Zijn niet allen, die hier spreken, Galileërs? Water stroomt altijd naar lage plaatsen. Zo gaat God het hoge en verhevene voorbij en neemt Hij het nederige aan. Het geestelijk hoogmoedige Judea ziet de wateren van zich gaan. Is dat niet de eeuwen door juist zo gegaan? Daar, waar nederigheid en ootmoed woont, schenkt God Zijn gunst. Als zij zich schuldig kennen, dan zal Ik ze genadig zijn, dan zal Ik aan Mijn Verbond gedenken.
   Daarna dalen die wateren naar de zee. Welke zee? De zee, waaraan Engedi en Eneglaïm liggen, dat is de Dode Zee. Hier woonde de vloek op deze salpeterachtige wateren, 't Is de vlakte, waar eens Sodom en Gomorrha lagen, die door de toorn Gods zijn weggezonken en uitgezwaveld, zodat daar geen levend water meer zijn kon. Nu zegt Ezechiël 47, dat door de levenswateren des Geestes die wateren gezond zouden worden. De genade Gods herstelt van de geslagen wonden en Hij herschept, wat door de zonde ver> voest werd. Nooit en nergens lezen wij in de Schrift, dat de zonde van Sodom vergeven werd, maar hier lezen wij, dat zelfs Sodom's ongerechtigheid verzoend en zijn oordeel in zegen verkeerd werd. Een schone prediking, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden en dat de Geest van Christus herstelt van alle wonden. Verderfelijke wateren worden gezond en gebroken levens worden geheeld.
   Ja, meer, die Geest brengt een schat van zegeningen. De vis van de Dode Zee zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote Zee (de Middellandse Zee), zeer menigvuldig. Waar de stroom des Geestes komt, wordt leven gewekt, daar stroomt de genade niet doelloos en ledig aan voorbij, levende Christenen worden daar bij menigte gevonden. O, laat ons toch van de hemelse goedheid van die verhoogde Christus niet aards denken en laat ons de gaven, die Hij genomen heeft om uit te delen aan wederhorigen, niet verkleinen. Zeer menigvuldig! Met nog een ander beeld beschrijft de profeet de zegeningen der kerk. Haar aanblik zal zijn als allerlei spijsgeboomte aan weerszijden van de beek, spijsgeboomte, welks blad niet afvalt en welks vrucht niet vergaat. Waar de kerk van Christus zich openbaart, daar is zij als altijd groene bomen. In de natuur is dat niet eens bekend, loofgeboomte, welks blad niet afvalt, maar in de genade is dat wèl bekend. Hoogbejaarde Christenen kunnen en zullen door Gods genade in de ouderdom nog fris en groen zijn, om te verkondigen, dat de Heere recht is. Hij is mijn Rotssteen en in Hem is geen onrecht. In de natuur kent men geen bomen die van maand tot maand vrucht dragen, hoogstens bloeit nog eens eeti boom twee keer, maar tot vrucht zetten komt het die tweede keer niet. Dit nu wordt in het leven der genade wel gekend. Om de vrucht des Geestes gaat het de Heere en die is liefde, goedheid, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Ze wordt gevonden van maand tot maand bij al Gods geheiligden. Zelfs zijn blad zal tot heling zijn. De bladeren der bomen vallen af doorgaans en zijn dan tot weinig of geen nut meer. Anders is dat bij deze plantingen Gods aan de wateren des Geestes. Aan hen is niets wat geen nut heeft. Zelfs hun blad is tot niit, tot heling van anderen. Wat een rijk gezegend leven en tot hoe grote zegen. Welgelukzalig het volk welks God de Heere is, dat leeft uit de gift des Vaders, door de verdienste des Zoons in de bedeling des Geestes.
   Daartegenover zegt vers 11 dat de modderige plaatsen, de moerassen niet gezond zullen worden, zij zijn tot zout overgegeven. Bij dat zout denken wij terstond weer aan het Sodoms oordeel, aan de zoutpilaar van de vrouw van Lot. En dat Sodoms oordeel komt over allen, die de wateren des Geestes niet kennen, die leven uit de wateren van ongerechtigheid en eigengerechtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE WATEREN DES GEESTES

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's