De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN VEELBELOVEND BEGIN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN VEELBELOVEND BEGIN?

8 minuten leestijd

Sinds 1 Mei leven wij dan onder de nieuwe kerkorde. Door sommigen is deze met gejuich begroet, door anderen betreurd en wellicht waren de meesten „verheugd met beving". Wanneer wij dan nu na meer dan een maand eens even overzien, wat de kerkelijke pers ons heeft vermeld, dan is er voor deze beving wel enige grond. Wie mocht gedacht hebben, dat het nu plotseling anders en beter zou zijn, dan vóór 1 Mei, moet wel teleurgesteld uitkomen. Maar deze gedachte is dan ook wel zeer kortzichtig en oppervlakkig geweest en zal ook door de meeste voorstemmers niet gedeeld zijn. Maar ook de verdere toekomst spelt m.i. niet zo veel goeds. Hoe ik daar zo aan kom? Wel lees met mij zo het een en ander en kijk eens rond op ons kerkelijk erf.

De secretaris der Synode, dr. Emmen, schreef in het Weekblad der Hervormde Kerk van 12 Mei een artikel over „De historische gebeurtenis", de overdracht der bevoegdheden van de oude Synode aan de nieuwe. Hij schreef daarin o.a. : „Wij zullen nu met elkander geconfronteerd worden terwille van onze roeping als Kerk van Christus, terwille van onze verantwoordelijkheid voor de wereld. De loopgraven-oorlog, die velen met onchristelijke strijdmiddelen willen blijven voeren, zal plaats moeten maken voor de strijdin het open veld. De tijd van de bekende stichtelijkheden en kreten, waarmede het kerkvolk op een dwaalweg wordt gebracht en niet zelden op misleidende wijze wordt opgeruid, is wezenlijk, zij het ook niet feitelijk voorbij. Hier zal het nieuwe werktuig van de visitatie moeten worden gehanteerd, eerlijk, dat is mild en gestreng. Hoe is er en wordt er in onze Kerk zowel met een begrip als De Belijdenis, alsook met een begrip als De Vrijheid, een onverantwoordelijk spel gespeeld. Even verschrikkelijk als de advocaat van de mensen van het proces tegen de Hervormde Kerk, die het geheimenis van het heilige wezen van de Drieënige God bij het spreken voor de Rechtbank aan stukken rafelde".
Dit citaat is wat breed uitgevallen, maar ik stel er prijs op, dat elke lezer ook zelfstandig kan lezen en beoordelen, wat er geschreven is. Nu rijzen onmiddellijk enige vragen op. Wie willen de loopgraven-oorlog nog wel met onchristelijke middelen blijven voeren? Wie ruien het kerkvolk op misleidende wijze op? Wie spelen met een begrip als de belijdenis een onverantwoordelijk spel? Ik vind het jammer, dat de schrijver maar niet liever met ronde woorden zegt, wie hij op het oog heeft, maar anderzijds is zijn betoog toch doorzichtig genoeg om te begrijpen, dat hij enerzijds de rechtervleugel onzer kerk op het oog heeft en anderzijds, als hij over de vrijheid spreekt, de linkervleugel. Deze laatste móge zichzelf verdedigen, ik gevoel daartoe geen roeping ; anders staat het met de aanval op de rechtervleugel.

Zo, dus de rechtervleugel wil een loopgraven-oorlog blijven voeren. Daarvoor heeft de Geref. Bond zeker een gans rapport met bezwaren tegen de nieuwe kerkorde samengesteld, vele amendementen voorgesteld, waarvan de meeste zijn afgewezen? Wie voert loopgraven-oorlog : deze groep, of wel die classicale vergadering, waarin de middengroep der kerk domineert, die zich met een Jantje van Leiden van dit hele rapport hebben afgemaakt? Wie voert er loopgraven-oorlog : de Geref. Bond, die haar leden adviseert om zoveel mogelijk in Raden en Commissies zitting te nemen, of deze Raden, Commissies en de Synode, die zeer eigenaardig met deze benoemingen omspringt? Wat zeggen de feiten, voor zover mij bekend? Enige leden van de Geref. Bond-tegenstemmers tegen de nieuwe kerkorde, zijn in enige raden en commissies benoemd. Enige leden-voorstemmers zijn overladen met benoemingen, zodat het voor deze mensen ten enenmale onmogelijk was deze alle te aanvaarden. Hieruit blijkt een schrille tegenstelling tussen mensen, die geacht worden in het synodale gareel te willen lopen en de anderen, die blijkbaar geacht worden dit niet te willen. Het is trouwens ook in strijd met overgangsbepaling 20 : „en tracht, ook door verdeling van deze functies over een groot aantal personen, een overbelasting van sommigen hunner met een veelheid van functies, te voorkomen".

Uit een en ander kan men moeilijk een andere gevolgtrekking maken dan dat men in het algemeen tegenstemmers liever niet benoemd heeft. Nu wil ik nog herhalen, dat het voor een tegenstemmer heus niet begeerlijk is in Raad of commisie te zitten, omdat hij zeer vaak neen moet zeggen, en ik kan mij ook wel indenken, dat anderen zó'n lastige opposant liever kwijt dan rijk zijn, maar dan moet men niet spreken over loopgraven-oorlog, die wij zouden wensen. Wanneer echter de eerste zin van het gegeven citaat (zie boven) oprecht gemeend is, en ik wil daaraan niet twijfelen, dan is deze gevolgde benoemingspolitiek daarmede in strijd.

Dan wordt gesproken over stichtelijkheden en kreten, waarmede het kerkvolk wordt opgeruid. Het is wel héél jammer, dat de schrijver niet enig voorbeeld geeft, om te laten zien wat hij bedoelt. We tasten hier nu wel zeer in het duister. Zou hij het oog hebben op : In de nieuw-testamentische kerk het nieuwtestamentische lied, of op : in de kerk alleen Gods Woord? Dit staat wel vast, dat het zingen der psalmen in de Ned. Hervormde Kerk sterk afneemt en men aan de liederen der laatste eeuwen verre de voorkeur boven die van koning David geeft. Ik acht dit een zeer bedenkelijk verschijnsel.
Wat duidelijker taal spreekt de schrijver als hij zegt, dat met een begrip als de belijdenis een onverantwoordelijk spel gespeeld wordt. Ik zeg iets duidelijker, want ook hier blijven vragen over. Maar, ik zei het al, hij kan niet anders dan de rechtervleugel op het oog hebben. Of zou hij die mensen op het oog hebben, die in navolging van Barth en anderen, zovele dingen beweren, die in strijd zijn met de Belijdenis?
Of zou hij die mensen op het oog hebben, die, ofschoon zij honderd en éen bezwaren hebben tegen de belijdenis, toch maar spreken van „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen? "
Objectief gezien, zou dit zelfs zeer waarschijnlijk zijn, maar mijn richtingsmentaliteit en mijn ervaring op dit terrein waarschuwen mij, dat deze vragen wel ontkennend beantwoord moeten worden. Klaarlijk bedoelt de schrijver zich te verzetten tegen een functie en betekenis der belijdenis, zoals aan de rechtervleugel wordt voorgestaan en reeds door Groen van Prinsterer bepleit werd. Het zou dan ook wèl zo royaal zijn geweest, als bij de herdenking van Groen gezegd was geworden, ronduit, dat zijn opvattingen in de kerkorde niet zijn gevolgd en in de middengroepen der kerk niet worden gedeeld. En dat niet, omdat hij onder isvloed van Plato zou staan, maar omdat hij terdege op de hoogte was met hetgeen de, kerk der vaderen geleerd had.
De secretaris der Synode is nog wel zo vriendelijk om hier van spelen met de Belijdenis te spreken. Maar ik vraag mij af : wie speelt er met de belijdenis : zij, die menen dat deze, zijnde overeenkomstig de H. Schrift, nog regel en norm moet zijn of zij, die zeggen in gemeenschap met de belijdenis te willen blijven, maar vele bezwaren hebben? Ik vrees zeer, dat onze Vadéren ten opzichte van velen deze gemeenschap zouden oAtkennen, indien zij uit hun graf zouden kunnen opstaan.
En als dan als toelichting een advocaat er bijgehaald wordt, weet ik ook niet, wat deze gezegd heeft. Maar wie niet geheel en al een vreemdeling in het theologisch Jeruzalem is, kan onderstellen, dat hij ter sprake zal hebben gebracht, dat de omschrijving van de Drieëenheid in de kerkorde veel meer ruimte laat voor ketterijen, dan die omschrijving in de formulieren. Mag dit ook al niet gezegd worden? De conclusie, die hieruit getrokken kan worden, is deze : het schijnt, dat iemand, die instemt met de belijdenis en deze verdedigt, er mede speelt, en dat iemand, die de belijdenis bestrijdt, hem juist ernstig neemt! Die het kan vatten, vatte het!!
Wat is in deze de taak van de rechtervleugel?
Zij hebben niet zo heel veel goeds te verwachten, dat blijkt uit het bovenstaande klaar en duidelijk. Trouwens deze gedachte heb ik nimmer gekoesterd. En dat heeft de practijk des levens mij wel geleerd. De rechtervleugel heeft te getuigen, overal in de kerk, waar dit op zijn plaats is. Zij heeft de critiek van Schrift en Belijdenis te laten klinken, zij heeft naar Schrift en Belijdenis op te voeden, waar zij de kans krijgt. De onkunde is groot, allerwegen, deugdelijk onderwijs is noodzakelijk, de Waarheid legt beslag en ontdekt tegenstand ; wij hebben slechts te doen, wat onze hand vindt om te doen. Zo hebben wij onze taak tot uitbreiding en verdediging der Waarheid te verrichten !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN VEELBELOVEND BEGIN?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's