EEN PARADOX
„Als droevig zijnde, doch altijd blijde". II Korinthe 6 vers 10.
Hebt u, lezer of lezeres, weleens 't woordje „paradox" gehoord? Een paradox is een schijnbare tegenstrijdigheid. Een paradox bestaat uit twee zaken, die naast elkaar gezet worden, terwijl ze geheel tegen elkaar schijnen in te druisen ; maar bij dieper inzien blijken ze toch een harmonie te vormen. Zo is het een paradox, wanneer wij spreken van „gestrenge liefde". Op het eerste gezicht lijken liefde en gestrengheid elkaar uit te sluiten, maar denkt men er over na, dan ziet men opeens, dat deze twee begrippen toch een zeer passende harmonie kunnen vormen: juist liefde, in de opvoeding b.v., moet vaak een strakke, een gestrenge vorm aannemen. Daarom kunnen wij de paradox „gestrenge liefde" neerschrijven.
Het woord van Paulus, dat boven deze overdenking staat, is ook een paradox ; „Als droevig zijnde, doch altijd blijde". Op welke wijze zou Paulus deze tegenstelling als een harmonie willen zien?
Wij doen, geloof ik, goed om hierbij onze blik wat verder te laten gaan en eerst nog een wijdere .tegenstelling te nemen, waarmee de paradox van Paulus op deze plaats toch in verband staat.
Stel, in eerbied, naast elkander een heilig God en een zondig mens, en vraag hoe die twee samen zijn en tezamen leven zullen kunnen? Hoe hier een harmonie gesticht kan worden? En dan hebt ge wellicht uw antwoord wel. Dan zegt ge : die tegenstelling, die nooit en nimmer op te heffen schijnt, tussen een smetteloos rein en heilig God en een aan opstand en verzet zo gewend mensenkind, kan opgelost worden door het Borgen Middelaarswerk van Jezus Christus.
Maar nu blijken zich in de practijk toch grote moeilijkheden voor te doen. Hopelijk begrijpt u straks enigszins wat wij bedoelen. Wij willen hierheen : ook wanneer er een levende behoefte is aan Jezus Christus, als we de noodzakelijkheid van Hem zien, en als wij iets weten van wat het is, onze hele verwachting op Hem te zetten, dan is het samen leven van God en de mens in de gestadige kringloop van het dagelijks leven vaak toch nog een heel probleem. Hoe weinig weten we vaak te vinden een dagelijkse levende verbinding tussen God en de ziel.
Is het niet dikwijls zó, dat juist als er wat van de ernst der goddelijke dingen in het leven verstaan wordt, dat we dan telkens weer in één van deze twee houdingen vervallen :
óf we steunen op oude ervaringen, op een gezicht op Christus en op het heil Gods, dat we wel eens gehad hebben, terwijl wij voor het tegenwoordige niet al te diep bij Gods eis en recht, en bij de diepte van onze zonde leven ;
of wij zijn juist in het tegenwoordige met die donkere en sombere dingen doende, met de wanhopige boosheid van ons hart, en missen dan vaak alle moed en troost.
En nu is het een levensvraag, waard om gesteld te worden : zou het nu zo moeten : dat óf wij vrij licht er over heen leven (en dat misschien 't meest), óf opmerkende zijn op de slechtheid van het eigen ik, en daar dan heel van ondersteboven zijn?
Nu grijpen wij opeens naar het woord van Paulus : zou daar niet een goede en vruchtbare oplossing in kunnen liggen, in die paradox : „bedroefd en toch blijde"?
Zou het niet samen kunnen gaan : een bedroefd zijn over onszelf, en het tekort, dat woont in ons ik, en tegelijk een vreugde in Christus, voor Wien wij al dat zondige brengen en nederleggen mogen?
En nu geven wij toe, dat daartoe een zekere mate van teerheid en ernst gevergd wordt, om dagelijks ons over onszelf te bedroeven en ons voor God te vernederen.
En we geven óok toe, dat er geloofskracht toe vereist wordt, om juist op het ogenblik, dat wij op het duistere in onszelf letten, tegelijk te zien op het licht der genade in Christus. Maar dat is toch juist de kostelijke spanning van een levend geloof, dat het midden in de onmogelijkheden aan God vasthoudt ; dat het rondom zich ziet de duisterheden van eigen boze hartstochten, en het sombere van het-al-wéér-verknoeid-hebben, en tegelijk zich vastgrijpt aan de mogelijkheid des heils, die er is in Jezus Christus, de redder van zondaren.
Het moet toch mogelijk zijn, in het dagelijks leven hier iets van te benaderen, van de paradox : „droevig, en toch blijde". Juist in het bestek en op het terrein van ons leven moeten deze twee • schijnbaar tegenstrijdige dingen een levende verbinding kunnen aangaan.
Het gaat er maar om : wat is het meest tot Gods eer? Of menen wij het soms niet, wanneer wij zeggen, dat onze zorg moet wezen, dat het leven van de mens zij tot Gods eer? En is dat niet tot Gods eer, als ge dagelijks voor Hem knielt met hartelijke schuldbelijdenis en erkentenis van zwakheid, daarmee vanuit de laagte Hem erkennend en erend in Zijn recht en grootheid ; terwijl ge tegelijk „aan Gods heil met al uw lust blijft hangen", daarmee God erkennend in Zijn recht wonderlijke goedheid en trouw?
„Droevig en toch blijde" ; zou deze paradox ons ook niet op allerlei nog meer aparte levensterreinen een goede, geestelijke weg wijzen? Bijvoorbeeld, in onze houding tegenover ons volk? Er wordt veel geklaagd over het geestelijk nerval onder ons Nederlandse volk. En de miskenning Gods onder ons volk is inderdaad afschuwelijk. Maar als wij daar alleen maar bij tijd en wijle zo wat over praten, misschien met de grootste kalmte daarbij in het hart, dan komen we niet verder en konden wij meest beter onze mond houden. Het gaat er om : zijn we werkelijk wel eens bedroefd geweest over de toestand van de mensenkringen om ons heen ; en brengen wij het wel eens in gebed voor God? Maar, zegt iemand, als ge zo de toestand van uw medemensen goed op u zoudt laten inwerken, dan zoudt ge er temeer gedrukt en wanhopig onder worden. Maar dan zeggen we : O neen ; dan juist moet ge zien op Christus, die als Koning en Overwinnaar staat temidden van het woeden der volkeren. Zijn Rijk kan nooit ondergaan, en deze Koning kan, als er om gebeden wordt, nog wonderen onder ons volk verrichten. Kan 't dan niet zelfs een vreugde zijn, tot die sterke Vorst te bidden voor ons volk en onze omgeving?
„Bedroefd en toch blijde".
Ouders, zo kunt ge ook tegenover uw kinderen staan. Het zou al een bijster slecht teken voor uw Godsvrucht zijn, wanneer gij het langs u heen liet gaan, wanneer ge dingen tegen-God-in bij uw kinderen opmerkt. Daar moogt ge bedroefd en bezorgd over zijn. Gods Woord wil die droefheid niet wegwerken. Die droefheid mag juist een zeer krachtige prikkel zijn om u tot God uit te drijven voor uw kroost. En bidden voor uw kinderen is tegelijk weer evenals ander gebedswerk, de meest hoopvolle arbeid, die er is, waarbij het goed is grote ootmoedige verwachting op God te hebben. „Droevig en toch blijde".
„Droevig en toch blijde". Hoe meer wij over dit woord denken, des te meer verwonderen wij ons over de kernachtigheid, waarmee Paulus grote waarheden uitdrukken mocht. En des te meer zien we ook in dit woord, waarvan hier maar een gedeelte aangestipt kon worden, iets van de diepte, de rijkdom en de kracht van de dingen van Gods Koninkrijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's