Flitsen uit de geschiedenis der kerk
........God beschikt
De mens wikt, maar Gods beschikt. Wat komt de waarheid van dit gezegde telkens weer in het leven uit. Wat een plannen, vaak zonder God opgezet, worden er uitgestippeld en getracht te verwerkelijken en dan, vroeg of laat, blijkt het soms dat er als het ware met een forse hand een streep doorheen gehaald wordt, zodat het doel wordt gemist.
Gemist, omdat men het zonder God wilde doen.
Gemist, dikwijls ook omdat God andere plannen had en het bevestigde : „Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heere".
Dit kan vaak bittere teleurstelling geven, vooral wanneer men meende in Gods weg te zijn en Gods eer te bedoelen. Wat is dan hier op zijn plaats een afhankelijk leven, dat ootmoedig alles in 's Heeren hand leert leggen met de belijdenis, dat de Heere zich nooit vergist, dat Zijn wegen rechte wegen zijn en Zijn plannen nimmer falen. Achteraf zal het toch telkens weer beleden moeten worden : zó, als de Heere deed, was het goed.
Maar om hiertoe te komen, moet vaak heel wat weerstand gebroken worden. Zo was het ook bij Calvijn, toen de Heere andere plannen met hem bleek te hebben, dan hij zelf had.
De lijfspreuk van hem was wel : „Maar aangezien ik bedenk, dat ik niet over mijzelf te zeggen heb, bied ik mijn hart, de Heere ten offer aan", doch dit sloot niet uit, dat hij ook in zijn leven wel eens weerstanden moest overwinnen, omdat het vlees begeert tegen de geest. Ook aan Calvijn was niets menselijks vreemd, ofschoon hij als een lichtend voorbeeld gesteld mag worden van een ootmoedig, Gode-toegewijd leven. Zijn lijfspreuk, hierboven vermeld, was hem werkelijk uit het hart gegrepen. Daarvan heeft zijn leven het bewijs geleverd. Calvijn's wapen was een hand, die een brandend hart aanbood.
Calvijn wikte : ik ga naar Bazel. God beschikte : Calvijn gaat naar Geneve. Sinds Calvijn in November 1533, als jonge wijngaardenier verkleed, Parijs na het gebeurde op Allerheiligendag in de kerk der Mathurijnen, had moeten ontvluchten, was voor hem een zwerftocht begonnen.
Wat zou hij, met zijn bijzondere gaven en talenten, een prachtige positie in de Roomse kerk en in de wereld hebben kunnen innemen. Doch evenals Mozes had hij al deze dingen schade en drek geacht, verkiezende liever met de gehate aanhangers van de nieuwe leer verdrukt en vervolgd te worden, dan voor een tijd de gunst van Rome of de we- reld te hebben.
Vanuit Parijs was hij naar het Zuiden gevlucht, door vlakten, weiden en wouden, totdat hij voor korte tijd rust vond bij een vriend. Daar kon hij studeren en de grondslag leggen voor zijn kostelijke Institutie.
Dan trekt hij weer verder. Hij predikt in de grotten van Saint-Benoït en bedient er het Heilig Avondmaal onder de gedaante van brood en wijn. Waar hij maar een kans krijgt, predikt hij, met gevaar van eigen leven, en zendt anderen uit om te prediken.
Welk een volvaardigheid des gemoeds bij deze nog zo jonge man!
Zijn er geen jongeren die dit lezen, die door dit opofferingsgezinde en beschamende voorbeeld van de jonge Calvijn, zich geroepen gevoelen om ook hun leven in Gods dienst te gaan besteden en biddend het besluit willen nemen om met Gods hulp en genade zich te gaan bekwamen en voorbereiden tot het ambt van dienaar des Woords? Calvijn heeft van zijn keuze nimmer berouw ge- had en iedere jongere, die in oprechtheid dezelfde keuze doet, zal er evenmin spijt van hebben.
Na veel rondzwerven verlangt Calvijn weer naar Parijs terug. Hij heeft een herdershart en wil zo gaarne zijn eerste gemeente aldaar bezoeken, om te trachten haar door Gods Woord te vertroosten en te onderwijzen.
Inderdaad komt hij te Parijs en vindt onderdak bij de Waalse lakenkoopman Etienne de la Forge, die enkele maanden later de marteldood op de brandstapel zal ondergaan. Tijdens dit oponthoud is het ook, dat Calvijn voor het eerst de Spanjaard Servet ontmoet. Servet had tegen de Roomsen een boek over de Drieëenheid geschreven. Hij stelt zichzelf vóór als de Michael uit Openbaringen 12 VS. 7. Vergeefs heeft hij getracht de goedkeuring der Duitse en Zwitserse hervormers te krijgen. Melanchton, Oecolampadius en Zwingli, beschouwen hem als gevaarlijk. Hoogmoedig heeft toen Servet gezegd : „God doe allen tezamen omkomen, Amen". Zo is hij naar Frankrijk vertrokken.
Calvijn en Servet vertoeven thans gelijkertijd in Parijs. Maar Servet gaat om de vreze der Roomsen trouw naar de mis!
Servet nodigt Calvijn tot een godsdienstgesprek uit. Ofschoon het levensgevaarlijk is in het openbaar te spreken, neemt Calvijn deze uitnodiging aan, doch op het afgesproken uur verschijnt Servet niet. De inquisitie zocht niet alleen Calvijn, maar ook Servet en Servet neemt het zekere voor het onzekere.
Twintig jaar later zouden ze elkaar weer ontmoeten. Maar dan in Geneve.
Calvijn zet zijn omzwerving weer voort. We treffen hem o.a. aan in Zwiterland en in Noord-Italie, waar hij tot rust hoopt te komen. IJdele hoop. Ook hier wordt hij weer opgejaagd. Nogmaals bezoekt hij zijn eerste gemeente te Parijs. De inquisitie ontdekt hem daar echter en voor de zoveelste maal moet hij zijn verblijfplaats verlaten.
Nu wikt Calvijn : ik ga naar Bazel. Daar wil hij rustig gaan arbeiden. Geen inquisitie zal hem daar lastig vallen en het opgejaagde hert zal eindelijk rust kunnen vinden.
In verband met de oorlogstoestand in Noord-Frankrijk, is hij verplicht eén grote omweg te maken. Het plan is daarom : via Lyon en Geneve naar Bazel. Op een zomeravond in het jaar 1536 komt Calvijn in Geneve aan. Slechts één nacht zal hij hier verblijven. De volgende dag hoopt hij naar Bazel door te reizen.
Calvijn had geen flauw vermoeden er van, welk een bewogen en beslissende nacht vóór hem lag. Een nacht, die hij nimmer zou vergeten en die in de geschiedenis der kerk met onuitwisbaar schrift opgetekend zou blijven staan.
Tegen het vallen van de nacht komt er in de herberg, waar Calvijn zijn intrek genomen had, een bezoeker. Iemand, twintig jaar ouder dan Calvijn. Hij wil Calvijn spreken, want hij heeft van diens oponthoud in Geneve gehoord.
De bezoeker is niemand minder dan Willem Farel, de vurige prediker van Geneve. Farel heeft hier in deze stad in korte tijd op overtuigende wijze de reformatorische leer zodanig verkondigd, dat de Roomse kerk het onderspit heeft moeten delven. Maar nu staat Farel voor de moeilijke taak het aangevangen werk te voltooien en de stad Geneve in het reformatorische spoor te leiden.
Farel heeft zo juist vernomen, dat Calvijn in de stad vertoefde en het was door zijn ziel heengeflitst : dat is de man, die de gaven en talenten heeft om mij bij te staan en mij te helpen bij de opbouw.
Farel maakt zich bekend. Hij vertelt, hoe het in de stad Geneve gesteld is, hoe gunstig de zaak der reformatie er voor staat en wijst op de moeilijkheden, die nog te overwinnen zijn, alsook op de noodzakelijkheid dat het volk verder zal worden onderwezen. En, zo betuigt Farel, er is niemand beter in staat mij hierbij bij te staan, dan u.
Calvijn maakt ernstige bezwaren. Hij is slechts voor één nacht hier en hij kan onmogelijk langer blijven, want hij moet naar Bazel. Met Bucer, Capito en de Wittenbergers moet hij daar verschillende dingen behandelen en voorts verlangt hij naar rust om te studeren en te schrijven.
Farel, vurig van aard, kan deze tegenwerping niet verdragen, terwijl hij zich indenkt welk een grote en grootse taak hier voor de zaak der reformatie in Geneve nog wacht. „Wat rust", zegt hij, „slechts de dood brengt rust aan Christus' krijgsknechten".
Calvijn antwoordt, dat hij niet tegen die zware arbeid in Geneve opgewassen zal zijn, want hij weet dat Geneve geen gemakkelijk arbeidsveld is. Hij zal hier als het ware in de voorste strijdlinie moeten staan. Daartoe gevoelt hij zich niet bekwaam.
Farel weet echter van geen toegeven. Zou Calvijn hem hier alleen en onder deze omstandigheden en in deze grote stad laten strijden? Hij mag niet verder trekken.
Het gesprek wordt heftiger. Calvijn blijft onwrikbaar. Dan roept Farel met verheffing van stem : „Voor het laatst ; wil je de roepstem Gods volgen of niet?
Nog kan Calvijn dit niet als de roepstem Gods beschouwen. Zijn roeping, zo meende hij, lag in Bazel. En Farel krijgt een antwoord, dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat : „Neen, neen, neen!"
Dan komt het hoogtepunt. Farel's ogen schieten als het ware vuurvlammen en het klinkt Calvijn tegen : „Voor je rust, voor je lievelingswerk ben je bezorgd! In de Naam van God Almachtig, Wiens bevel je trotseert, verkondig ik je : op je arbeid zal geen zegen rusten!"
En terwijl Farel vlak voor Calvijn gaat staan en hem bij de schouder grijpt, spreekt hij de vlijmscherpe woorden: „God verdoeme jouw rust! God verdoeme jouw werk!"
Een diepe stilte volgt op deze woorden.
Calvijn's weerstand is gebroken. Hij beseft, dat door Farel God hem hier zijn arbeidsveld aanwijst. Zijn antwoord luidt : „Ik gehoorzaam God".
Eigen plannen laat Calvijn nu varen, omdat hij ziet, dat God andere plannen heeft. Calvijn had gewikt, doch God had beschikt. Schouder aan schouder en met één doel voor ogen zouden nadien Calvijn en Farel als twee dienstknechten des Heeren in Geneve arbeiden.
Het ging hun om de ere des Heeren en om de verkondiging van het zuivere Woord Gods.
Schouder aan schouder en met één doel voor ogen! Zo zij het ook onder ons. Hervormd Gereformeerden. Opdat Gods Naam geprezen en de aloude, gereformeerde Waarheid verbreid en verdedigd worde. En door Gods genade ook persoonlijk beleefd moge worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's