EEN DOMINÉ VERTELT
Wat aangaat het uitspreken der predikatie, daarin zijn kwalijk aanwijzingen te geven. Hetzij men leest of improviseert of memoriseert, een ieder houde rekening met zijn eigen aard en aanleg. De methode van de een kan door de ander zo maar niet zonder meer worden overgenomen. Men moet nooit een ander nadoen willen, want dat wordt altijd bespottelijk.
Ik heb weleens jonge predikanten gehoord, die mij sterk aan oudere collega's deden denken, omdat zij dezelfde manier van optreden hadden en van uitdrukking eveneens. Soms zelfs niet onvermakelijk. Al mag ik het wel, wanneer een zoon ook in de goede zin naar zijn vader aardt.
De voordracht zij boven alles : „natuurlijk". Anderen, in de eerste plaats de domineeske, m^aar verder ook familieleden en vrienden, kunnen daarbij wel eens nuttige wenken geven. En het is te hopen, dat zij dat ook doen en dominee vooral niet ontzien, wanneer hij in zijn optreden wat onhebbelijke, althans minder gewenste manieren heeft.
Hier geldt wel niet: „Wie de roede spaart, haat de man" ; maak echter van het woord „roede" „ terechtwijzing" en het is hier juist.
Er kan vooral in de eerste jaren nog heel veel afgeleerd worden, wanneer er maar op gewezen wordt. En evenzeer veel aangeleerd. Wanneer eigen huisgenoten er niet op wijzen, wie zullen het dan doen?
Vooral dominees horen zo zelden de waarheid over zichzelf, omdat zij gewoonlijk omringd worden door hun eigen volgelingen, die hen nogal eens in de hoogte steken.
Zij staan daar ook zij hoog op de kansel. Die hoge „standplaats" is als het ware een aanloopje, een soort startbaan, om vandaar uit eens wat in het luchtruim te gaan vliegen. Het is zo goed voor hen, wanneer zij, met vriendelijke bedoeling, ook nog eens neergezet worden, als doodgewone stervelingen op de begane grond.
Meer dan eens in mijn ambtelijk leven heb ik mij betrapt op het verlangen, om mij zelf eens onder de preek, op een afstand te kunnen horen en zien.
Wij horen natuurlijk onze eigen stem wel. maar hoe die stem klinkt, dat kunnen wij niet beoordelen. Of wij verstaanbaar zijn tot in alle- hoeken, dat weten wij ook niet.
Wij kunnen het niet logenstraffen, als iemand zgt : „dominee, ik heb u j.l. Zondag niet verslaan". Later ben ik tot de ontdekking gekomen, dat het eigenlijk zó was : men had mij niet begrepen, soms ook wel, omdat men liever niet begrijpen wilde en dan werd er maar van gemaakt : „ik verslond u niet!"
Wij hebben ons er steeds op toe te leggen, zo verstaanbaar mogelijk te zijn. Vooral wanneer wij een zacht stemgeluid bezitten.
Is echter het tegenover gestelde het geval, dan moeien wij de stem vooral niet nog harder maken. Daarbij komt nog, dat een Evangeliedienaar elke kerk moet leren bepreken.
„Wel, collega", zo sprak eens iemand, die een rede gehouden had op de kansel, waar ik zelf honderden malen had gestaan : „wat spreekt deze kerk gemakkelijk! Weet gij, hoe de stem het beste draagt? Gij richt u vooral naar beide hoeken".
Men moet maar durven! Want dat zei nu iemand, die vrij onverstaanbaar voor de hoorders was geweest, maar diep overtuigd was, dat iedereen hem had moeten verstaan. Zulke mensen leren van anderen niet veel. Zij doceren liever zelf.
Ik heb ook wel eens verlangd, mij zelf te kunnen zien onder de preek.
Dat klinkt wel vreemd, nietwaar?
Wat heeft een mens nu toch aan zijn eigen gezicht?
Maar dat was hierom, omdat men wel eens de opmerking maakte, dat ik zo boos keek onder de preek, alsof ik zelf een briesunde leeuw was, die de duivel zou willen verslinden en desnoods ook weerbarstige zondaren.
Het is toch wel eens goed, om dat te horen, al verandert een mens daarmee zijn aard niet.
Er kan zoveel afgeleerd worden, als wij maar willen en er ons op toeleggen.
Er is zoveel kunstmatige opwinding. Er is vaak veel lawaai, maar weinig inhoud.
Ik heb wel eens horen bidden, waarbij men zacht en kalm begon ; en dan ineens, zonder overgang, kwamen daar de zinnen aanrollen, als woedende baren voortgestuwd door een orkaan. Het schuim was zelfs aanwezig. De stem van de prediker beukte, daverde door de kerk. De woorden vlogen langs de kerkgewelven.
Dan ben ik onder zo'n gebed wel eens afgeleid. Dan dacht ik wel tens : Zou die man denken, dat God doof is; '' Maar gemeenteleden zeiden achteraf wel eens tot elkander : „Wat was de Geest weer werkzaam!"
Weet zulk een spreker dat of weet hij het niet, wat gemeenteleden er van maken? Ik heb het mijne er wel eens van gedacht.
Ik heb bergbeken gezien, die met watervallen gedonder in de dalen storten. Daar verdiepen zij zich dan meer en meer als stille wateren, die diepe gronden hebben. De Geest is toch zeker ook wel werkzaam in kalmer tempo?
Och, dominé! och dominé! maak niet zoveel „tam-tam" ; Vergeet vooral de Christus niet, Die in de wereld kwam!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's