De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HOFNAR VAN GELRE

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW

Hoofdstuk I.

Broeder Bemardus.
   „ Zouden al die ketters vermaledijd zijn? en hun leer zó vervloekt? .... Maar — hoe kalm, ja, hoe blijmoedig vaak gaan velen van hen de dood niet tegemoet! Worden niet afgeschrikt door de gruwelijkste tormenten! Invloed van de Boze? Men beweert het, en 't kan ook wel zo wezen, maar als ik zou ik dan ? Als 't er voor mij op aankwam om m'n geloof te tonen zou ik dan zó, zó ? Eilacy '"
   Het klinkt als een sombere klacht, die opzucht uit 't diepst der ziel, dit halfluide gemijner van de jonge monnik. En als afgemat buigt hij het hoofd en laat het dan rusten in de palm van zijn linkerhand, terwijl zijn rechter krampachtig een ganzepen vast houdt, waarmee hij op het voor hem liggende perkament enige regels heeit neergekrabbeld met onzekere lettertekens.
   Hij zit voor een houten lessenaartje met een lomp inktkruikje ter rechterzijde, in een kloostercel, als een gevangenis zo kil en somber. Enkel door een getralied raampje, ter hoogte van derdehalve meter in een der vier wanden aangebracht, zeeft maar even een bewijsje van daglicht naar binnen. Groezelig en als schurftig door een korst van salpeteruitslag hier en daar, staren de kale muren hem aan, terwijl de loodkleurige plavuizen, overal vocht uitzwetend, hem met een duffe kelderlucht zoeken te benauwen.
  
   Niets doet hem echter aan. Als afwezig met zijn gedachten, rusten zijn ogen een poos op het perkament ; dan heft hij zuchtend het hoofd een weinig omhoog en kijkt met een smekende blik naar het Madonna beeldje in de nis, vlak voor zich. En voor de zoveelste maal voelt hij zich tot de heilige Moeder Gods heengetrokken, die aldaar maar met stille devotie en deemoed zich vermeit in de beschouwing van het Kindeke in haar armen.
   „O, Moeder Gods! Gebenedijde!..." zucht hij, en kijkt daarop als zoekend om zich heen.
   Vasten en zielelijden hebben het gelaat van de jonge man uitgeteerd en er vroege rimpels ingeploegd, zodat hij in zijn zwarte pij en sombere omgeving meer op een geestverschijning, dan op een mens van vlees en bloed gelijkt. Geestelijke benauwenis schijnt hem thans ongedurig te maken en te doen snakken om zijn overkropt gemoed eens uit te storten voor een, die met hem mee kan voelen, die hem althans verstaat. Want, ofschoon pas even in de twintig, is zijn geest reeds als van iemand, die staat aan het eind van zijn leven.
   Weer laat hij het hoofd in de palm der linkerhand rusten, en opnieuw begint het droef gemijmer.
   Voor de zoveelste maal laat hij zijn leven in al zijn phasen aan z'n geestesoog voorbijgaan, niet, omdat hij het wil, doch als moeizaam er toe gedwongen.
   Daar is zijn jeugd in Harderwijk. Vader, meester in het gilde der droogscheerders of lakenbereiders. Een ernstig man, evenals zijn moeder een devote vrouw. Hij, als kind van zulke ouders, ook ernstig ; vol liefde vaiï zijn jeugd af voor de Hemelkoningin, en vol heilige eerbied. Pater Boudewijn komt vaak in hun woning en prijst hem om zijn godsvrucht, en versterkt zijn verlangen om monnik te worden. Toen in de kloosterschool, daarop noviet, met een proeftijd van een jaar, en eindelijk — o! zijn wens van jaren vervuld! — opgenomen als broeder in de orde der Conventualen, en op last van de bisschop gezonden naar het klooster dier orde binnen Arnhem's wallen.
   Een wijle kende hij nu een benijdbaar geluk. Tussen de aloude muren van dit eerbiedwaardige klooster moet het wel heerlijk zijn ; moest hem wel een vrede wachten, die voorbode was van de hem.else zaligheid! Helaas, zijn toevluchtsoord, dat hem zo lieflijk had toegelachen als een zalig vredehuis, bleek hem weldra, toen een nieuwe prior in het klooster zijn intrek nam, een kweekplaats van zonden.
   En daarop is zijn lijden begonnen.

(1) (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's