„IJDELE ADEL"
Want gij ziet uw roeping, broeders! dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, liet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou ; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen.En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken.Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. 1 Corinthe 1 vs. 26—29.
Bij de keuring voor de militaire dienst wordt de sterkte van het hart onderzocht ; een proef op de vlugheid van het verstand genomen ; de kracht van de ogen geprobeerd. Met fijne instrumenten wordt het gehele lichaam nagespeurd.
De blinde wordt afgekeurd ; de kreupele is onbruikbaar ; de zwakke is van geen nut. En niet alleen bij de militaire dienst schijnt men noodwending deze gedragslijn te moeten volgen. Het is de grote lijn van onze maatschappij. De roem, de eer en de lauwerkransen liggen gereed voor de sterken, de hooggeborenen, de wijzen. Dat is de geest van deze wereld.
De Geest des Heeren is anders dan de geest dezer wereld. God denkt in Zijn goedertierenheid aan de zwakken en hulpbehoevenden. Hij geeft de blinden het gezicht, doet de kreupelen wandelen en verkondigt de armen het Evangelie.
De eerwaarde Bernardus Smijtegelt; hield in de jaren 1720/1734 te Middelburg 145 preken over de ene tekst : ,, Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen".
Voor ons, nuchtere en zakelijke mensen van de 20ste eeuw, is dit wel wat langdradig. Zijn eerwaarde had echter een schoon doel voor ogen, zoals uit de ondertitel van dit werk blijkt : „Waarin een zwak en kleingelovig Christen wordt opgewekt op Christus te hopen " Wordt in de Schrift niet meer dan 145 keer de troost gebracht van deze God, Die het gekrookte riet niet verbreekt. Die de moeden kracht geeft. Die de gebogenen opricht. Die de nederigen vertroost ? Wat de wereld afkeurt, heeft Hij verkoren. Wat bij de mensen niet in tel is, vergeet Hij niet. Hij meet met de maat van Zijn goedertierenheid en genade voor het verlorene. Dat is het heil van onze God in Jezus Christus. Met deze kennis vertroost de Heilige Geest, terwijl Hij ons de armoede van de geest dezer wereld doet ontdekken.
Paulus houdt dit de gemeente te Corinthe voor. Corinthe is een belangrijke stad in die dagen, op een kruispunt van zee- en landwegen. Binnen haar muren klopt het hart van de handel. Welvaart en luxe heerst in de huizen van de grote reders ; grootgrondbezitters vermenigvuldigen hun domeinen ; de adel klimt hoog. En ook de geleerden, de wijsgeren, doorvorsen de raadselen der natuur en peinzen over de zin van het leven. Van alle kanten wordt het volk in de befaamde Griekse wijsheid gedompeld. Kortom : Corinthe is een moderne stad in die tijd.
In deze branding staat de gemeente van de levende God. Paulus heeft er gepredikt, en velen zijn getrokken uit de duisternis tot het licht, naar de belofte : „Ik heb veel volk in deze stad".
Van de aanzienlijken, van die reders en grootgrondbezitters, van de adel en de wijze mannen, hadden slechts weinigen het oor en het hart geleend aan de roepstem des Heeren. In de achterbuurten, bij de havenarbeiders, onder de slaven, bij de onontwikkelden, bij het naamloze volk, was het Woord des levens ontvangen. De Geest bracht de troost en de blijdschap van de Zaligrriaker daar, waar ongelukkige, niet-zalige mensen in het strijdperk van dit leven stonden.
De apostel herinnert de gemeente aan hun aardse stand : „Want gij ziet uw roeping, broeders — gij ziet, wat gij waart, toen gij geroepen werdt —". Niet vele wijzen (naar het vlees, in de ogen der mensen, volgens de geest dezer wereld), niet vele machtigen (van geld of invloed), niet vele edelen (van hoge komaf). Hun eigen aardse stand en afkomst is zelf het beste bewijs, dat Gods hart in liefde openstaat voor het verachte. De hoge God, Die Zijn hand tot de kleinen wendt.
„D' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan ; 'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder "'
Gelijk telkens, stelt Paulus in dit hoofd stuk Christus in het midden. De gekruisigde Heiland is Verlosser. Een dwaasheid voor de wijze Grieken. Een aanstoot voor de trotse Joden. Hoe kan een Koning-Verlosser, hoe kan de Messias van Davids troon aan 't kruis worden genageld en in deze weg verlossen? Hij, Die uit zwakheid is gekruisigd. Zulk een Verlosser is bij de wereld niet in tel. Een Borg voor zondeschuld past niet bij de diepe gedachten der Grieken, noch bij de hoogmoedige Joden. Als wij Hem aanzagen, zouden wij Hem niet begeerd hebben. En toch was deze Christus Gods uitverkoren Knecht, weerloos als een schaap. In Hem is heil en redding. Door Zijn kruisweg bewerkt de Heere uitkomst.
De Eeuwig-levende is in deze wereld voortdurend aan het werk op de kruisweg, waar de versmaden, bedrukten en gekwelden onder menige stille zucht en aangevochten hun pad gaan.
Zuchten worden geboren uit het huwelijk van nood en verlangen. De nood van de getroffene door de zorgen, van de geslagene door een ontroostbaar verlies èn het verlangen om uitkomst baart zuchten. De nood van deze verwarde en duistere tijden, vol angstige onrust èn het verlangen naar een glorende dageraad uit de onzekere, brengt zuchten voort. De nood van de zwakke in geloof, die twijfelend op en neer dobbert èn het verlangen om meer vastheid te ontvangen in de genadige God, doet de zucht geboren worden: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp". De nood der Kerk, haar inzinking en verval, aangetast door verwereldlijking, door splijtzwam en twistziekte èn het verlangen naar het „Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen, waar 't liefdevuur niet wordt gedoofd" dat verwekt zuchten om een vernieuwde doorwerking van de H. Geest. De nood van de kruisweg èn het verlangen naar verlossing doet zuchten geboren worden.
Dit is de ademhaling der ziel, wanneer het de richting zoekt van de enige Verlosser. Onze wijsheid, onze kracht, ons vlees, tracht eigenmachtig uitkomst te bewerken en keert zich af van de overgave aan Hem, bij Wier. alléén heil te vinden is. Slechts weinige rijken en sterken en met macht begiftigden knielen in zwakheid. God zal hen beschamen.
„Mijn kind, ga nooit tot mensen als gij lijdt ; de mens is als een boom bij wintertijd hij draagt noch blad, noch vrucht".
De roem in eigen kracht, in eigen goede werken, in eigen vroomheid, of wat dan ook, is niet goed. Vlees zijt gij. Wie op zichzelf steunt, moet dan maar zien, waar hij uitkomt, maar niet bij God.
De Heere kiest door Christus de mensen, die op de kruisweg zijn, die geen Helper hebben en die 't oog tot Hem omhoog slaan. Hij laat hen niet alleen, die op Zijn goedheid hopen. Zij zullen niet beschaamd worden, want de nederigen geeft Hij genade, ook onder de hooggeplaatsten. God is de getrouwe Herder, Christus de 'goede Herder, de Heilige Geest leidt in de weide van het heil. Naar de vaste belofte uit Ezechiël : „Het verlorene zal Ik zoeken ; het weggedrevene zal Ik wederbrengen ; het verbrokene zal Ik verbinden en het kranke zal Ik sterken".
Hij doet geen van Zijn woorden ter aarde vallen.
Tietjerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's