DE DRIE TEKENEN
Toen antwoordde Mozes en zeide : Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen ; want zij zullen zeggen : De Heere is u niet verschenen! En de Heere zeide tot hem : Wat is er in uw hand? En hij zeide : Een staf. En Hij zeide : Werp hem ter aarde! En hij wierp hem ter aarde. Toen werd hij tot een slang ; en Mozes vlood van haar. Toen zeide de Heere tot Mozes : Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit en vatte haar ; en zij werd tot een staf in zijn hand. Opdat zij geloven, dat u verschenen is de Heere, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En de Heere zeide verder tot hem : Steek nu uw hand in uw boezem.En hij stak zijn hand in zijn boezem ; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. En Hij zeide : Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem ; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vlees. En het zal geschieden, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven. En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge ; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diezelve zullen tot bloed worden op het droge. Exodus 4 vers 1—9.
Het leven van Mozes valt uiteen in drie perioden van veertig jaren. De eerste veertig jaar was hij aan het hof van koning Farao en werd daar als prins opgevoed en onderwezen in de wijsheid der Egyptenaren. Dit is hem later tot groot nut geweest. Hij heeft immers de laatste veertig jaren de kinderen Israels van Egypte naar Kanaan geleid. Toen kwam die kennis hem zeer te stade. Van zijn vader en zijn moeder heeft hij die eerste veertig jaren de kennisse Gods verkregen.
Wat was Mozes in die jaren een zeldzaam bevoorrecht man! Maar als hij zag, dat de Eyptenaren de Israëlieten onderdrukten, dan smartte het hem aan zijn hart. Hij popelde van ongeduld om het juk van de onderdrukker af te werpen en zijn volk in de vrijheid naar Kanaan te leiden. Hij heeft de door God gestelde tijd niet eerst willen afwachten. Hij grijpt zelf in en doodde een Egyptenaar en bemoeide zich de volgende dag met twistende Israëlieten.
Maar al die eigenwillig gekozen wegen liepen op niets uit. Hij moest vluchten uit Egypte en vond bij Jethro, de priester en herdersvorst, een veilig tehuis. Er zat daar niets anders voor hem op, dan om schaapherder te worden. O, welk een aangrijpende verandering! Een prins moet veertig jaren de schapen hoeden.
En toch is deze tweede periode van veertig jaren hem tot een rijke zegen geweest. Daar, in de woestijn bij Horeb, heeft Gods genade van de driftige Mozes de meest zachtmoedige man gemaakt, die er ooit in de wereld is geweest.
Aan het einde van die veertig jaren verschijnt hem de Heere in het braambos, hetwelk brandde, maar niet verteerde.
Wat nietig is een braambos! Maar, o, wie zal schilderen de nietigheid van het volk van Israël, hetwelk in de ijzeroven van Egypte werd onderdrukt. En toch verbrandde de braambos niet. Ook Israël werd in de ijzeroven van Egypte niet verteerd, omdat God in het midden van het braambos was.
En toen Mozes naderbij trad, om dat wonder te bezien, werd hem bevolen de schoenen van zijn voeten te trekken, omdat de plaats, waarop hij stond, zo heilig was.
Nu ontvangt hij de opdracht om de kudde te verlaten en naar Egypte te gaan om Farao te overreden om Israël te laten trekken. En God openbaarde zich toen aan Mozes met de naam van „Ik zal zijn".
In de Lutherse bijbels heeft men het woord Jehova onvertaald laten staan. Welk een verheven woord : Jehova! Jammer, dat 't juist een secte is, welke die wondere naam van Jehova zich heeft toegeëigend.
In die naam openbaarde zich de Heere in Zijn eeuwige, onveranderlijke trouw aan Zijn verbondsvolk Israël.
O, wat zal Mozes zich hebben verheugd over die vernieuwde opdracht — zo hoor ik u opmerken.
Helaas, niets van dat alles! Hij oppert allerlei tegenwerpingen. Farao en de Egyptenaren zullen zijn goddelijke roeping in twijfel trekken. Zullen de kinderen Israels hem wel geloven? Hij voelt zich o zo onbekwaam en zo zwak ter tale, dat hij niet met Farao durft te spreken. Zó nietig en zwak en onbetekenend voelt hij zichzelf, dat hij er niet aan denken durft om de roeping op zich te nemen, die God hem op de schouders wil leggen.
En de Heere zeide tot hem : Wat is er in uw hand? En hij zeide : een staf.
Misschien is er iemand, die wil opmerken, dat God, de Heere, het toch wel zag, wat Mozes in zijn hand had.
Zeker, lezers, dat heeft de Heere geweten. En tóch is het een allesbehalve overbodige vraag. De staf was immers het symbool van de heerschappij. Die staf zou Mozes later telkenmale uitstrekken om de plagen te brengen over Egypteland. Die staf moest Mozes uitstrekken over de Rode Zee, opdat er een pad zou worden gemaakt door de wateren.
Nu beval de Heere hem om die staf, dat symbool van leiding en heerschappij, van zich te werpen. En toen Mozes dat gedaan had, veranderde de staf in een slang. En Mozes vlood van haar, omdat hij vreesde om door de slang gebeten te zullen worden.
Lezers, hebt ge het verstaan ? De goddelijke roeping, om te staan in een of ander werk in de dienst Gods, kan men niet straffeloos als een staf van zich afwerpen. De afgewezen roeping is aan een bijtende slang gelijk.
O, wat was er toch veel in Mozes' leven veranderd! Veertig jaren geleden had hij kunnen zeggen : Het zal, en het moet en het kan niet anders. Toen stond hij echter in eigen kracht. Nu is echter alles veranderd. Van eigen kracht is nu geen sprake meer. In eigen kracht vermag hij thans niet meer.
Toen zeide de Heere tot Mozes : Strek uw hand uit en grijp ze bij haar staart. Toen strekte hij zijn hand uit en vatte ze, en ze werd tot een staf in zijn hand.
In de kracht en in de mogendheid Gods moet hij de slang toch weer aangrijpen, op het woord van die God, die Zijn kracht in de zwakheid van Mozes zal vervullen.
Gelukkig de mens, die dat voor eigen hart en leven verstaan mag, dat het toch moet komen tot een aangrijpen, hoewel er in ons niet de minste kracht is.
En wat lees ik : En ze werd tot een staf in zijn hand.
Wat is het toch wonderlijk gegaan. Die roeping, die hij niet had willen aanvaarden, maar van zich had geworpen, wordt hém uiteindelijk tot een leunsel en tot een steunsel. De vervulling van de versmade roeping wordt hem straks tot een oorzaak van vreugde en blijdschap. En dit eerste teken zou nu een middel zijn, opdat de Israëlieten zouden geloven dat de Heere, de God hunner vaderen, de God Abrahams, de God Izaaks en de God Jakobs, aan Mozes verschenen was.
Dat het waar is, wat ik hierboven neerschreef, dat God Zijn kracht in de zwakheid van Mozes volbracht, moge ook nog meer blijken uit het tweede teken.
En de Heere zeide verder tot hem : Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem ; daarna trok hij ze uit, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.
In de boezem van zijn kleed kon de Oosterling heel veel opbergen. Die boezem deed vaak dienst als reiszak. Men kon er ook de hand helemaal in verstoppen. O, wat zal Mozes wel zijn geschrokken, toen die hand, bij het uittrekken, zo melaats was, wit als sneeuw. De melaatsheid maakte immers iemand tot een onreine. Bij ondervinding wist men wel terdege, dat de melaatsheid een besmettelijke ziekte was. Daarom werden de melaatsen uit de stad verdreven. Buiten de legerplaats moesten ze in hutten maar hun toevlucht zoeken. De verwanten brachten hun vanuit de verte voedsel. De melaatsheid maakte de mens, die door die ziekte werd aangetast, tot een onreine.
O, welk een aangrijpende ontdekking, als men met Mozes tot de benauwende conclusie komt, dat 't daar in die boezem zo onrein is. Wie denkt hier niet onmiddellijk aan het aangrijpende vers uit de berijmde een en vijftigste Psalm :
Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,
Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel.
Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd ;
Laat uit Uw mond, mij stof tot blijdschap horen ;
Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd
En in mijn geest de ware rust herboren.
Gelukkig de mens, die aan zich zelf mag worden ontdekt bij het ontdekkend genadelicht des Heiligen Geestes. Die durft met de Farizeër geen ogenblik God te danken, dat hij niet zo slecht is als de andere mensen, maar moet met de tollenaar, van verre staande, zich met de hand op de borst slaan en het uitroepen : O, God, wees mij zondaar genadig!
De belijder van de Heidelberger Catechismus riep het uit, dat hij tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd had. Was het niet met de daad, dan toch met het woord en met de gedachten. Ja, nog meer, met smart moest hij zelfs getuigen met het oog op de toekomst, dat hij nog steeds tot alle boosheid geneigd was.
O, lezers, zóveel onreinheid woont er in een mensenhart !
O, Mozes, al hebt ge de staf alweer opgenomen, als ge er op ziet, hoe het daar van binnen bij u gesteld is, dan is de vervulling van de opgenomen roeping toch van uw zijde ten enenmale onmogelijk.
Maar hoor, daar krijgt hij de opdracht om opnieuw de hand in de boezem te steken, en zie, weer haalt hij. zijn hand te voorschijn, maar nu is ze genezen.
Is dat niet heerlijk, dat de Heere de machtige is om zulk een onreine, melaatse hand te genezen? Reinigt niet het dierbare bloed, van Jezus Christus, Gods Zoon, van alle zonden?
O, gelukkig de mens, die, met al zijn zonden bekend gemaakt, leert vluchten naar dat alles reinigende blopd van Golgotha.
Die Heiland kan de onreinheid wegnemen en u met de wisselklederen van Zijn gerechtigheid omhangen.
Lezers, hebt ge de hand al eens gestoken in uw eigen boezem? Let wèl, niet in de boezem van uw buurman, maar in uw eigen hart. O, zeg mij, wat hebt ge er gevonden, dan zonde en onreinheid.
Zijt ge echter ook al gevlucht naar dat alles reinigende bloed van die enige Heiland?
Nog een derde teken wordt er door de Heere aan toegevoegd. Dat teken zal echter pas dan worden verricht, als Mozes in Egypte is aangeland. Dan zal hij wat water scheppen uit de rivier de Nijl en dat uitgieten op het droge, en het zal in bloed veranderd worden.
De Nijl is voor Egypte het leven. Neem de Nijl uit Egypte weg en Egypte wordt gelijk aan de Sahara, een dorre woestijn.
Een van de eerste plagen zal wezen, dat het water van de Nijl in bloed veranderd wordt. Dat wordt een ramp voor Egypte.
Gode ongehoorzaam zijn kan niets anders brengen dan de dood. Bij de tiende plaag ging het om het leven van alle eerstgeborenen uit Egypte. De dood heerste in de landpalen van Egypte. Het bloed is de dood.
Dat is het oordeel, hetwelk Egypte wacht, als het zich niet bekeert. Dat is ook het oordeel Gods over de mens, die de roep tot bekering van zich werpt en die van het ontdekkend genadelicht niet wil weten, hetwelk bepaalt bij zonde en bij schuld en hetwelk arme zondaren wil voeren naar het Licht van Golgotha.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's