De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE COMMISSIE VOOR HET DIENSTBOEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE COMMISSIE VOOR HET DIENSTBOEK

14 minuten leestijd

II   Formulier voor de openbare belijdenis des geloofs

   Een andere weglating is deze. In het mij toegezonden exemplaar-van het dienstboek staat : opdat hij ons Uw Woord (dat wij gehoord hebben) niet ontrove. De woorden tussen haakjes staan niet inlhet dienstboek, doch wel bij Micron. We vermoeden voorts, dat er in de samenstelling van de synodale commissie voor het dienstboek te weinig aandacht aan het platteland is geschonken. Dit kan vermoedelijk een andere verandering verklaren in de volgende zin : „Wil ons stenen hart wegnemen, dat de nieuwe vruchten van Uw Woord niet verdorren". Micron schreef:
   „Wil ons ook ons stenig hart afnemen, dat de nieawspruitende vrucht Uws Woords niet verdroge". Een plattelander voelt direct, dat nieuwspruitende vrucht moet blijven staan, want tarwe begint nu eenmaal met een groene spruit en niet met tarwekorrels, al zit de aar van het begin afaan verscholen in de halm. Als men zo Micron's woorden met de woorden uit het dienstboek vergelijkt, valt telkens op, hoe Micron's keuze dichter bij het Woord en daarom ook dichter bij de zaak blijft, maar het zou ons te lang ophouden, als ik dit voor andere dingen ook nog ging uitleggen.
   Laten we het geschrevene zó samenvatten, dat het gebed van Micron door de meeste veranderingen niet verbeterd is, maar dan is nog ons hoofdbezwaar niet genoemd, dat dit gebed helemaal geen rekening houdt met de bijzonderheid van dit uur. Het gebed is gebouwd op de gelijkenis van de zaaier. Maar die gelijkenis veronderstelt een akker, waarop de zaaier z'n werk begint, 't Gebed bedoelt echter een formulier in te leiden voor de openbare belijdenis des geloofs, hetwelk toch minstens veronderstelt, dat het land nieuwspruitende vrucht vertoont. Deswege vragen we ons af, of dit voortreffelijke gebed wel past op deze plaats, onverminderd de bezwaren tegen de veranderingen.
   We komen nu aan de eerste alinea van het formulier. Deze luidt : „Gemeente des Heeren ; enige broeders en zusters begeren nu in uw midden persoonlijk en openlijk belijdenis van het geloof af te leggen, 'opdat zij mogen delen in de volle gemeenschap der Kerk, daardoor tot het Heilig Avondmaal worden toegelaten en medeverantwoordelijkheid •dragen voor de opbouw der gemeente van Christus".

   we nu hier beginnen met dit formulier een weinig te analyseren of te ontleden en na te gaan, hoe het is opgebouwd, dan moge de opmerking voorafgaan, dat ons hier alleen drijft de gedachte, dat voor de Kerk het beste nog maar net goed genoeg is. We beginnen met de aanspraak. Ontegenzeggelijk is deze beter te vervangen door : Geliefden, of door : Geliefden in de Heere Jezus Christus.

   Gemeente des Heeren is bruikbaar als aanspraak, doch mist de gewenste innigheid, die men in gewijde ogenblikken vanzelf zoekt. Dat is tenminste ons oordeel. Ook zouden wij er de voorkeur aan geven dat begonnen wordt met de herinnering aan het feit, dat in de voorafgaande weken de a.s. nieuwe lidmaten aan de gemeente zijn voorgesteld en dat nu de ure der belijdenis is aangebroken. De aanhef : „enige broeders en zusters" doet denken aan de stijl van het gemengde nieuws in de krant : „enige personen hebben zich aaneengesloten".
  
   In deze alinea wordt ook het doel van het belijdenis doen omschreven. Die omschrijving blijft wel erg aan de formele kant. Zij behandelt de rechten en plichten, die aan het belijdenis doen zijn verbonden. Maar zij omschrijven deze rechten en plichten niet zó, dat een eenvoudig gemeentelid het gemakkelijk begrijpt. Ik vraag mij af, wat die voile gemeenschap nu eigenlijk behelst. Het stemrecht? En wat nog meer? Welke Kerk is hier bedoeld? De onzichtbare gemeenschap der Christgelovigen, die gewassen zijn in het bloed van Christus? Of is hier de plaatselijke en landelijke zichtbare Kerk bedoeld? O, geliefkoosde vaagheid! De kerkeraad laat toch zeker niet toe, tot de gemeenschap met Christus en Zijn volk? Of wilde men dat toch zeggen? Voorlopig kan ik in die volle gemeenschap nog niet meer vinden dan het actieve en passieve stemrecht, waar de nieuwe lidmaten in delen. Ik voor mij dacht verder, dat men opgenomen werd in een gemeenschap. Met dat „delen in de volle gemeenschap", kan 'k niet zo erg overweg. Dat denkt teveel aan rechten. Zet tegelijk in en buiten de gemeenschap. Op de klank af lijkt verder het dragen van medeverantwoordelijkheid wel mooi. Het is zo'n modewoord. Maar wat betekent het? Daar is een groep personen, waarvan sommigen arbeiden en zwoegen, de anderen dragen er ook verantwoordelijkheid voor. Moeten dus goed toezien, dat de zwoegers het goed doen. Stil maar, ik weet wel, dat het zó niet bedoeld is. Maar dat staat er toch! Waarom niet de bijbelse gedachte vastgehouden, dat we mede-arbeiders Gods moeten zijn? Dan zouden we deze omschrijving krijgen : opgenomen worden in de volle gemeenschap der Kerk, recht van toegang verkrijgen tot het Heilig Avondmaal en mede-arbeiders zijn aan de opbouw der gemeente van Christus. Maar ook zó blijft het hoofdbezwaar staan. Deze omschrijving mist alle geestelijke visie en vaart. Van de heerlijkheid, dat men Christus wil en mag belijden, van de begeerte om Hem te kennen en vervolgen te kennen, van het brandend heimwee naar God, dat de beste dergenen, die belijdenis doen bezielt, staat geen woord in deze alinea, die toch het wezen en het doel der belijdenis wil omschrijven. Het is een sprekend bewijs van de geestelijke dorheid onzer Kerk, dat we niet boven deze dood-formele omschrijving uitkomen. Zulk een formulier stelt de commissie voor het dienstboek voor en keurt de synode goed. Hoe ingezonken moet een Kerk wezen, die geen macht heeft op de hoogtepunten van haar leven werkelijk te belijden!

   Na de eerste alinea, waarin het doel der belijdenis staat beschreven, volgt een tweede, waarin wordt uitgesproken hoe de Kerk van Christus tot stand komt : „Wij geloven en belijden, dat God in Christus Zijn kinderen vergadert uit alle rassen en volken en hen verenigt tot één lichaam, waarvan Jezus Christus het hoofd is en wij de leden zijn".

Deze alinea staat er zo maar tussen geworpen. De verbinding met de voorafgaande en de volgende zin is niet gemakkelijk in te zien. Het ware misschien d  duidelijker geweest, wanneer men aansluiting had gezocht bij de laatste woorden van de eerste zin, in deze trant : „Ten aanzien van de gemeente van Christus geloven en belijden wij " Dan had vervolgens het begin van deze onderwijzing kunnen zijn, dat wij allen van nature in de macht der duisternis zijn, Col. 1 vs. 13. Het is zo goed, om telkens weer bij het begin te beginnen en terug te gaan tot op de val in Adam. Alle onderwijs moet bij deze val beginnen. Dat is hier echter niet geschied. Daardoor verliest het onderwijs z'n duidelijkheid en zijn Schriftuurlijkheid. Dit laatste moet ik even onderstrepen. Let maar eens op wat er staat. Aan de gemeente wordt voorgehouden, dat we van nature of door eigen inspanning kinderen Gods zijn. En omdat of wanneer we dat eenmaal zijn, worden we door God zelve vergaderd. Daar staat immers, dat God Zijn kinderen vergadert. Dat riekt naar de vrijzinnige leer, dat we allemaal kinderen zijn van één Vader. Maar ik dacht, dat er geen vrijzinnigen meer waren, want dat ze nu allemaal op de bodem der belijdenis stonden! Dat zijn toch geen verhaaltjes! Ik houd in deze niet van verhaaltjes. Daar zijn deze zaken veel te ernstig voor. Wij zijn van nature niet allemaal kinderen van God. Integendeel, wij zijn allemaal kinderen des toorns en kunnen in het rijk van God niet komen, tenzij we wederomgeboren worden. Onze belijdenisgeschriften zeggen in Zondag 21, dat de Zone Gods Zijn uitverkorenen vergadert. Dat is wat anders. Waarom houdt men zich in een formulier niet aan de Schrift en aan de Belijdenis? En waarom was het nodig om hier een andere formulering te kiezen als de genoemde Catechismusvraag ? „God in Christus", lezen we in het nieuwe formulier. „De Zone Gods", zegt de Heidelberger, want er staat in Efeze 5 vs. 26, dat Christus de gemeente heiligt ; en dat Hij de goede Herder is (die vergadert), staat in Joh. 10 vs. 11. Wanneer er in Hand. 20 vs. 28 geschreven staat, dat de opzieners zijn gesteld „om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed", is het toch wederom Christus, die de gemeente vergadert. In Efeze 4 vs. 11—13 lezen we van de Zone Gods, die de ambten heeft gegeven „tot opbouwing van het lichaam van Christus". Om deze redenen hadden wij het beter geoordeeld dat de synode gebleven ware bij de Catechismus.

   Rassen, is een woord van deze tijd, niet van de bijbel en doet teveel aan Hitler denken. Natuurlijk is de bedoeling juist. Het is niet erg voorzichtig gezegd, dat „wij de leden zijn" van het lichaam van Christus. De zichtbare Kerk is te gemengd en is te vaak alleen te vinden in de 7000, die nog zijn overgebleven — niet veel op heel Israël! — dat we niet beter zouden doen met te onderwijzen dat de ware gelovigen de leden daarvan zijn.

   Hoe gaat dat vergaderen nu toe? Er schijnt een aanloop genomen te worden in de derde volzin, om dat uit te leggen. Daar staat in : „In de Heilige Doop wordt ons betuigd en verzegeld, dat wij in Gods genadeverbond opgenomen zijn. Daarom behoren wij, als leden van Christus' gemeente gedoopt te wezen, daarmede Zijn merk- en veldteken dragende. In het Heilig Avondmaal, waar Christus ons brood en wijn geeft als tekenen en zegelen van Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed, verbindt Hij ons telkens opnieuw tot de waarachtige gemeenschap met Zichzelf en met elkander".
   De opstellers van ons formulier beginnen dus met de Doop. Men zou verwachten, dat zij nu gaan beschrijven de weg van Doop naar Avondmaal. In het Doopsformulier is geschreven, dat wij in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij wederom geboren worden. Wat zijn de vruchten der wedergeboorte? Mij dunkt, daarover moest in dit formulier zijn gesproken. De opstellers verbinden de belijdenis zeer nauw aan het H. Avondmaal. Vóór het Avondmaal moeten we onszelf beproeven of we in het geloof zijn. Is er niet alle reden om in dit formulier te spreken over ontdekking der zonden, toevluchtnemend- en zaligmakend geloof, tijdgeloof en wondergeloof? Wat een noodzakelijkheid en een gelegenheid om de gemeente te onderwijzen aangaande de weg tot Christus, waarheen de Vader trekt, Joh. 6 vs. 44, over het aandoen van Christus, wat dat is, Rom. 13 vs. 14. Wat een noodzakelijkheid om de gewone weg der bekering hier te tekenen, opdat niemand zich bedriege met de oppervlakkige belijdenis van Onkunde uit de bekende Christenreis van Bunyan. Al de vragen, die hier liggen, laat men rustig voor wat ze zijn. Dit formulier onderwijst niet, zoals de formulieren van Doop en Avondmaal ons onderwijzen. Het zegt over de Doop enkel, wat ook in het betreffende formulier staat, n.l. dat wij behoren gedoopt te wezen. Maar dat is nu niet aan de orde. De weg van H. Doop naar H. Avondmaal is aan de orde. Niets echter daarvan. Alleen nog over het H. Avondmaal een merkwaardige uitspraak. Daar staat, dat Christus ons brood en wijn geeft. Ik dacht, dat de dienaar aan de Avondmaalgangers brood en wijn geeft als tekenen en zegelen, doch dat Christus Zichzelf geeft aan Zijn gelovigen, aan zovelen als het Hem op dat tijdstip behaagt, want zelfs niet ieder gelovige ontmoet bij elke Avondmaalsviering Christus. Het hart kan ook aan tafel zonder ontmoeting blijven, ook, al wordt in het Avondmaalsgebed om die ontmoeting gebeden, opdat we met het hemelse brood verzadigd zouden worden. De mens heeft het niet in zijn hand, met zijn gebed niet en met zijn Avondmaalsgang niet. Dan staat ons nog het laatste gedeelte van de derde volzin met een zekere uitdagende blik aan te kijken. Wij dachten, dat „iemand tot iets verbinden" in de eerste plaats vreemd Nederlands is, maar toch niet veel anders betekenen kan dan iemand tot iets verplichten. Het is dan naar de gelijkenis van „zich verbinden tot", dat volgens mijn woordenboek betekent : „een verplichting op zich nemen". Iemand verbindt zich tot een jaarlijkse bijdrage b.v.

   Wat het nu mag betekenen, dat Christus ons telkens opnieuw tot de waarachtige gemeenschap met Zichzelf verplicht, is ons niet duidelijk. Misschien is bedoeld, dat de Heere Jezus ons aan Zichzelf verbindt en aan de broeders.
   Nu komt echter de hoofdvraag. Wat be- doelen de opstellers met het even noemen van deze twee sacramenten? Bedoelen zij daarmee te beschrijven, hoe de genade in het hart ontvangen wordt? Het heeft er de schijn van. Immers de vierde alinea luidt als volgt: „Aldus verenigd met Christus, zijn wij geroepen met woord en daad Hem te belijden als Heer en Heiland, en Gods Koninkrijk te verkondigen en te verwachten".
   Dit vinden wij een allermerkwaardigste leer van onze verlossing. De gedachte, dat wij, om zalig te worden, met Christus verenigd moeten worden, is bijbels, Rom. 8 vs. 1, 2 Cor. 5 vs. 17. Wij willen de noodzakelijkheid daarvan gaarne onderstrepen. De Heidelberger zegt : die Christus zijn ingelijfd, die alleen worden zalig. Maar nu komt het. De Heidelberger zegt, dat die inlijving plaats heeft door een waar geloof. Volgens deze proeve van een formulier voor de openbare belijdenis, heeft deze inlijving plaats door Doop en Avondmaal. Die twee sacramenten schijnen ex opere operato bij ieder, die in hun sfeer komt, de vereniging met Christus te werken. Is dit nu misschien de nieuwste sacramentstheologie? Maar Schrift en Belijdenis spreken over deze dingen toch wel heel anders. De inlijving in Christus geschiedt door het geloof. Het geloof is een gave Gods, zegt Zondag 7 verder, hetwelk de H. Geest door middel van het evangelie in ons hart werkt. Van Doop en Avondmaal staat hier niets. De synode heeft in een herderlijk schrijven stelling genomen tegen de leer der Roomse Kerk. Dit formulier lijkt ons op dit punt nog erger dan Rooms. Daar zijn toch de H. Geest en het Woord niet zo volledig uitgeschakeld, of wel? Mogen we misschien hiertegen een volgend herderlijk schrijven verwachten?

   Verder staat in deze vierde volzin beschreven, hoe een waar Christen leeft. Die dit leest, denkt vanzelf aan Zondag 12, vraag 32 : „Waarom wordt gij een Christen genaamd ? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn naam belijde en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere". Is er iets op tegen, dat de inhoud van dit antwoord in hedendaags Nederlands wordt uitgesproken? Daar is niets op tegen, maar dan deze inhoud in zo mogelijk nog treffender woorden. Het treffende en innige, de geestelijke gevoelsspanning der oude geschriften, wordt echter ook hier weer gemist. In de Catechismus is het leven uit Christus éen sterke begeerte. In dit formulier is het een wet. „Aldus verenigd met Christus zijn wij geroepen". Het merkwaardige van de nieuwere richtingen in de Kerk is, dat zij van het evangelie spreken, waar de Schrift van de wet spreekt, b.v. „door de wet is de kennis der zonde". Neen, zegt men, door het evangelie, door het kruis is de kennis dep zonde. Alzo spreekt men dwars tegen het Woord in. Doch wanneer er uit de volheid van het evangelie moest worden gesproken en uit het brandende hart van de Christgelovige, daar verandert men het evangelie in een wet. Daarmee willen we niet zeggen, dat deze roeping er niet ligt, wèl, dat de Catechismus er evangelischer van spreekt en met wijder blik. Evangelischer, want hij laat de roeping meer als vrucht uit de zalving met de H. Geest volgen, dan dat hij deze als eis stelt, en wijder van blik, omdat de drie ambten in het formulier tot éen zijn verengd. Het koninklijk en priesterlijk ambt ontbreekt. Het blijft bij het belijden en verkondigen van de profeet. (Slot volgt). L. Vroegindewey

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE COMMISSIE VOOR HET DIENSTBOEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's