UIT DE COMMISSIE VOOR HET DIENSTBOEK
Formulier voor de openbare belijdenis des geloofsIII.
Wat moeten wij belijden of wie? Christus als Heer en Heiland. Voor de welluidendheid had hier beter Heere kunnen staan. Doch niet alleen daarom. Wij beschikken in het Nederlands over twee woorden : Heer en Heere. Niet één taal is zó rijk. Het is weliswaar modern, om van deze rijkdom der taal geen gebruik te maken, doch niet alles wat modern is en in de mode is, is goed. In het woordje Heer mis ik de eerbied. Och, zegt iemand, wat kan één zo'n letter nu voor verschil uitmaken. Dan moet u eens lezen, wat dr. A. Kuyper daarover geschreven heeft in zijn grote brochure „Strikt genomen". Daarin is een bijvoegsel opgenomen over „De vroomheid der taal", waarin hij een polemiek voert tegen dr. A. Bonsveld, met o.a. dit aardige verweer. „Ik zou aan uw hooggeachte echtgenote niet durven schrijven : „Aan vrouw Bronsveld". Terwijl ik toch met er de door u zo geminachte slot-e in te lassen en te schrijven : „Aan Vrouwe Bronsveld", in mijn titulatuur volkomen correct zou zijn". Trouwens, daar zijn genoeg „Heer"-zeggers, die het u hoogst kwalijk zouden nemen, als zij b.v. Smit heten, als gij tot hun echtgenoten zoudt zeggen : „vrouw Smit". Zij zouden op twee letters meer alle prijs stellen en u willen horen spreken van mevrouw Smit. Maar dan moeten zij ook niet meer vragen wat voor verschil een letter meer of minder uitmaakt. Ik heb verder nog twee bezwaren tegen het woordje Heer, dat ons zo hard en koud en oneerbiedig in de oren klinkt. Het ene rust hierop, dat de synode in haar formulieren de Vader Heere noemt en de Zoon Heer. Zo kan men lezen: „Onze Here God geve u de Heilige Geest tot vervulling van het ambt van een dienaar des Woords in de Kerk van Christus. Hij verbinde u aan deze gemeente, opdat gij moogt arbeiden tot verheerlijking van Gods naam en tot uitbreiding van het Rijk van Jezus Christus, Zijn Zoon, onzen Heer, Amen". Hier hebt u een voorbeeld daarvan. Ik ben echter nieuwsgierig naar de bijbelse fundering van dit verschil. Is hier een oude sub-ordinatiegedachte aan het woord? Verborgen vrijzinnige invloed? De Heilige Schrift immers gebruikt voor de Vader en voor de Zoon hetzelfde woord, n.l. Kurios. In het Grieks zijn ook twee woorden, die in onze taal beide met heer vertaald kunnen worden. Het ene is despotès, het andere Kurios. In despotès hoort men een moment van willekeur, dat uitkomt in ons woord despoot en dat Kurios mist. Daarom is Kurios de naam van de God des verbonds geworden. De mannen, die van ± 250 vóór Christus af het O. Testament in het Grieks vertaald hebben, kozen een toen ter tijd ietwat ongebruikelijk woord ter overzetting van de naam Jehova, de God des Verbonds. Ons woord Heer correspondeert met despotès. De heren van het kasteel of van een dorp, die tot in de vorige eeuwen met de onderhorigen en armen deden, wat zij wilden. Het woord Heere correspondeert met Kurios. Daar zit de Verbondstrouw in. Heer is de despoot, maar Heere is de Herder-Koning, die zorg heeft voor Zijn volk. Daar is voorts geen en kele grond in de Schrift om de naam Kurios wèl op de Vader en niet op de Zoon toe te willen passen, door wel de eerste Heere te noem.en, doch de tweede alleen de naam „Heer" waardig te keuren. De slaaf prees zijn meester, als hij hem Kurios noemde. In Kurios zit de persoonlijke betrekking uitgedrukt tussen mens en God. Dit alles zit ook in Heere, niet in Heer!
Om bovenstaande redenen zouden wij liever Heere gebruiken en verder Heiland vervangen door Zaligmaker. Maar die laatste verandering is niet van het meeste belang.
Nog een opmerking over deze alinea, n.l. dat de verwachting van Gods Koninkrijk toch de grond is van de verkondiging, zodat de overeenkomende volgorde zou moeten zijn : wij hebben de roeping, Gods Koninkrijk te verwachten en te verkondigen. Het wettische van deze volzin spreekt hier wel heel duidelijk overigens.
Tot nu toe is de Gemeente aangesproken. Zonder deze overgang kenbaar te maken, richt het formulier zich in het volgende gedeelte tot de belijdeniscandidaten. Het formulier wordt wel erg beheerst door de gewoonten der parachutisten. Deze volzin luidt :
„Waar de Kerkeraad, na gevraagd te hebben naar uw geloof en kennis der waarheid, met vertrouwen en blijdschap in uw voornemen heeft toegestemd, zo verzoek ik u, broeders en zusters, die thans belijdenis des geloofs wilt afleggen, op te staan en in dankbare gehoorzaamheid aan de H. Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen te antwoorden op de volgende vragen".
Volgens deskundigen is het woordje „waar" niet redengevend. Men had dus iets moeten kiezen in de geest van „aangezien". Wij meenden, dat men bij sollicitaties of zo, soms wel naar iemands geloof vraagt, b.v. of iemand Hervormd is of Rooms. Is het niet juister, dat wij de Kerkeraad een onderzoek doen instellen naar het geloof en de kennis der lidmaten? Vreemd is ook, dat de Kerkeraad in het voornemen toestemt, terwijl de a.s. lidmaten een begeerte hebben te kennen gegeven. Een voornemen is toch wat anders dan een begeerte en de Kerkeraad heeft toch toe te laten en niet alleen toe te stemmen. De Kerkeraad laat hen toe tot het doen van belijdenis en geeft hen het recht van toegang — na gehouden zelfbeproeving — tot het Heilig Avondmaal en neemt hen op in de gemeenschap. De Kerkeraad lijkt hier wel in de rust van de reglementen van 1816 gedacht te zijn, die eventjes knikt, dat het goed is.
Het is te waarderen, dat al de belijdenisvragen en allen die belijdenis doen, formeel en naar de inhoud gebonden worden aan de Heilige Schrift en aan de belijdenis. Wanneer hier de hand aan gehouden wordt, is de Kerk binnen enige tijd richtingvrij, want dan zijn er alleen zonen en dochteren van Calvijn. Maar wie zal er de hand aan houden?
De eerste belijdenisvraag zou vervangen kunnen worden door d© tweede doopvraag van ons oude formulier, doch tegen het voorgestelde zijn geen bezwaren. De belijdenis van de Drie-enige God heeft een eigen waarde. Het is een korte samenvatting van de 12 Artikelen, die immers in drie delen worden gedeeld. Toen ds. Ledeboer, van Bonthuizen, eens rekenschap van z'n geloof werd gevraagd, verwachtte men een zeer persoonlijke uiting. Hij deed echter niets anders dan eerbiedig gaan staan en met de grootste eerbied de Twaalf Artikelen des gelöofs opzeggen.
De tweede belijdenisvraag heeft een te Barthiaanse inslag. Zij eist van de jonge leden de belijdenis, dat ze uitverkoren zijn. Wij menen, dat dit te ver gaat. Natuurlijk niet, als Barth gelijk zou hebben, dat alle mensen uitverkoren zijn tot het eeuwige leven. Maar dat is niet volgens de Heilige Schrift en wie dit leert, is dus ondankbaar ongehoorzaam aan Gods Woord, tenzij men onder het woord uitverkiezing, de uitwendige roeping verstaat. Als uitverkiezing betrekking heeft op degenen die de nauwe weg vinden, zijn niet alle mensen uitverkoren. En welk jong lidmaat zal niet terugschrikken voor de belijdenis : ik ben een lid van de Gemeente, die God ten eeuwigen leven heeft uitverkoren en dus zelf een uitverkorene. Hoe krijgen de opstellers het verzonnen om bij uitgerekend deze vragen, die onze jonge lidmaten binnen moeten leiden in de Kerk, juist deze geweldige uitspraak te laten doen? Is men zover van de zin en betekenis van dit woord afgeraakt, dat men het gewicht er van niet meer voelt?
„Verkoren" zou door „geroepen" vervangen kunnen worden en ook andere verbeteringen zouden in deze vraag kunnen worden aangebracht, b.v. : „is het uw begeerte", inplaats van „aanvaardt gij de roeping".
In de derde vraag kan „wilt" worden vervangen door „belooft" en het laatste gedeelte weggelaten, omdat het een dubbel schijnt van het slot van vraag 2. Maar aan het vraagstuk van de aanvaardbaarste belijdenisvragen, kan misschien beter een apart artikel worden gewijd. Wij hebben onze handen vol aan de ontleding en beoordeling van deze proeve.
De derde vraag lijkt ons overigens wel goede elementen te bevatten : „getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de Sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift". Hoe groot of het verschil tussen de vrijzinnigen en de synode nog is, kan men bij deze vragen zien, als men de beoordeling leest, die ds. P. J. Jonges, van Rijswijk, er van gaf op de jaarvergadering van de Vereniging van Vrijzinnig-Hervormden : „Spreker onderwerpt de artikelen van de voorgestelde belijdenisvragen aan een beoordeling, welke op de meeste punten een veroordeling wordt. De nadere bepaling (in de eerste vraag) van Christus als „Gods eniggeboren Zoon", noemt hij een volkomen verouderd dogmatisch wapentuig, dat eens machtig was in de strijd tegen de gnostiek, maar nu zijn betekenis heeft verloren. Wie denkt er tegenwoordig nog aan meerdere Godszonen? "
Ten opzichte van de Reglementen, die zij moeten vervangen, geven de nieuwe vragen geen frisser en klaarder geluid; integendeel! Als van de nieuwe Iidmaten gevraagd wordt de roeping te aanvaarden om tegen de zonde en de duivel te strijden, zegt spreker : „Het is onbegrijpelijk, dat men van jonge mensen van deze tijd vraagt een dergelijke roeping te aanvaarden. Dit zit vol theologie, een theologie, die de aansluiting mist op het denken en op het levensbesef van de jonge mens van onze tijd".
De door de synode gevraagde belofte om te volharden in het gebed en het lezen van de Heilige Schrift, noemt spreker „bijna Rooms", omdat zij eist bepaalde genademiddelen te zullen gebruiken en bepaalde goede werken te zullen verrichten. „Vele jonge mensen" — aldus spreker — „zullen weigeren op deze vragen te antwoorden uit een zeer re ële afschuw van Farizeïsme". Ze zeggen wel eens, dat de vrijzinnigen orthodox zijn geworden, maar dan is ds. Jonges zeker eenzaam overgebleven. Ze zeggen óok wel eens, dat Vrijzinnigen en Geref. Bonders elkaar raken, maar dan toch blijkbaar niet in alle punten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's