DE SPIL VAN GESCHIEDENIS EN LEVEN
„Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden van hel begin tot het einde toe". En God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht". Prediker 3 vs. 11b en 14b.
Ongetwijfeld hebt ge wel eens op een koude winteravond omhoog gestaard naar de heirlegers sterren en planeten, naar het oneindige heelal, en toen hebt ge u klein gevoeld.
Toen kwaamt ge even tot bezinning en toen hebt ge u afgevraagd : Wie ben ik in dit machtige heelal?
Er begon toen iets anders te spreken in uw hart, niet het logische redenerende verstand, neen, een andere stem, die daar van binnen vraagt, onophoudelijk vraagt : Wie zijt gij, vanwaar komt gij en waar gaat gij heen?
De mens staat dan voor de oneindige ruimte en het duizelt hem.
Waarschijnlijk hebt ge ook die duizeling gekend, toen ge geplaatst werd voor de ons ontglippende tijd. Ge wandelt op het kerkhof en ge ziet daar de stenen aaneenrijen : de aanduidingen van de geslachten, die zijn heengegaan. Dan denkt ge aan de eeuwen, die zijn voorbij gegaan, eeuwen, waarin millioenen mensen hebben geleefd, gearbeid, gedacht en zijn gestorven.
Wederom duizelt het u, ge kunt het niet vatten en ge voelt u klein, gij, één der millioenen bij millioenen leden van het menselijk geslacht.
Hierover gaat de tekst uit Prediker.
„God heeft de eeuw in hun hart gelegd". „De eeuw" is een moeilijk woord.
Aalders vertaalt : het tijdsverloop en de betekenis van deze tekst zou dan zijn : God heeft in de mens een drang gelegd om over de loop der gebeurtenissen na te denken, om de eeuwen der wereldgeschiedenis te overzien en om de zin van dit alles na ta speuren.
Obbink vertaalt „eeuw" met eeuwigheidsverlangen, dus het streven van de mens naar het eeuwige, het oneindige, het Jenseits.
Aalders houdt „de eeuw" dus meer gebonden aan deze tijd.
Obbink denkt aan het „gans andere" aan de overzijde van deze tijd.
De Statenvertaling geeft in zijn aantekeningen beide inhouden weer.
Persoonlijk geloof ik, dat we beide exegeses kunnen combineren. Denkt een mens over de tijden en de eeuwen na, dan wordt hij vanzelf geleid tot de grenzen van zijn denken, tot het oneindige, dat ons verstand te boven gaat. Hetzelfde geldt voor de ruimte (sterrenhemel) die zich oplost — vanuit ons menselijk denken begrepen — in het oneindige heelal.
God heeft, volgens de tekst, het in het hart des mensen gelegd om over het leven, het bestaan, het heelal, de tijd, de eeuwen, dé eeuwigheid na te denken.
Als een mens bewust leeft, doet hij dat ook. Ieder mens is een wijsgeer, heeft men wel eens gezegd, en terecht. Het algemeen religieus Godsbesef dringt de mens tot bezinning over zijn eigen bestaan en dat der wereld met de vraag naar God.
Een dier heeft dat niet, leeft alleen in het heden. Een dier kent dan ook geen geschiedenis.
Deze typische eeuwigheidsbezinning is een merkwaardig kenmerk van het menselijk bestaan. Deze bezinning is naar mijn mening, vooral door de communicatiemiddelen van radio, krant, film, snelverkeer etc, dieper en algemener geworden. Isolementen zijn opgeheven geworden en de moderne mens is in contact gebracht met het leven van andere volkeren, met godsdiensten die, buiten het Christendom, door millioenen worden aangehangen, en het duizelt de mens.
Men heeft onderzoekingen ingesteld naar voorbijgegane tijden, men heeft de geschiedenis der mensheid nagegaan en heeft kunnen vaststellen, dat er hoogculturen in Egypte, Mesopotamië, aan de Indus en aan de Hoangho in China van 5000—3000 jaar vóór Christus zijn geweest. Ook toen waren er millioenen mensen, die dachlen, arbeidden, leden, streden en stierven.
En dan te bedenken dat er vóór die hoogculturen ook nog mensen waren
God heeft de eeuw in het hart des mensen gelegd, zegt de Prediker, om over al deze dingen na te denken.
En als hij dat doet, dan weet hij het niet meer. Dan schrikt hij voor zijn eigen bestaan: ik één van die millioenen bij millioenen?
En dan komen de vragen op, gevaarlijke vragen, verleidende vragen.
„Ik heb de wereld rondgereisd", zei eens een jonge man tegen mij uit een Gereformeerd gezin ; „ik heb allerlei verschillende mensen gezien, allerlei verschillende godsdiensten, en wie geeft mij de zekerheid, dat de Christelijke religie de ware religie is en dat uw verkondiging in het gespleten Protestantisme de juiste is? "
„Zijn dan al die millioenen mensen, die geleefd hebben buiten de Waarheid van Christus, verloren? " zo vraagt een ander.
Op de duizeling volgt de twijfel.
En met deze vragen zijn in onze tijd duizenden bij duizenden vervuld.
De waarheid is subjectief! Dat is de hoogste waarheid, die heden ten dage wordt geproclameerd en die in die proclamatie tegelijk als onjuist wordt bewezen, want proclamatie eist algemene instemming, algemene geldigheid op en zo wordt de waarheid van „de waarheid is subjectief" weer objectief!
De Waarheid van Christus wordt tegenover bovengeschetste achtergronden gerelativeerd, men kan Christen zijn, men kan evengoed wat anders zijn.
Hier liggen de bronnen van de voortschrijdende ontkerstening van ons volk, beginnende in de grote steden. Maar ook in de kleine steden en op het platteland waart het spook van de saecularisatie rond.
Ook in onze Herv. Geref. gemeenten. Eén der inleidingen op de conferentie van de Herv. Geref. jeugdleiders draagt als titel: „Onze taak ten aanzien van de ontkerstening van onze gezinnen".
Ook onze gemeenten worden in deze tijd uit hun isolement losgeschud, andere invloeden dringen binnen en men ontwaart ook hier het proces van de voortschrijdende ontkerstening. Dan blijkt, dat de conventie en het conventionele verdwijnt, maar óok, dat alleen het waarachtige geloof in de Heere Jezus Christus het „houdt".
Wij doen goed, hierop te letten in onze gemeenten en in 't bijzonder onze aandacht te vestigen op onze jongeren. Zij zijn de toekomst en op hen heeft het nieuwe vooral vat.
Het is daarom onjuist om hen, als ze met bovengenoemde vragen tot ons komen, maar met een kluitje in 't riet te sturen, of, wat óok wel eens gebeurt, deze vragen te bestempelen als „vijandschap van Gods Waarheid" etc. Daarmee helpen wij hen niet, maar wij geven de twijfel juist des te meer grond en doen door onze botte houding de Gereformeerde Waarheid grote afbreuk.
We moeten oppassen voor het grote woord: vijand van Gods Waarheid! Als we ontdekt zijn aan onszelf, dan zien we de vijandschap wel in eigen hart en zijn wij ook voorzichtiger geworden om een ander hiervan te betichten, een ander, die hunkert naar een antwoord op al zijn levensvragen.
Ik ben niet zo bang voor de z.g. „vijandschap"; ik ben veel banger voor de twijfel, want de twijfel is de weerkerende golfslag aan het strand, die steeds meer land verslindt. Het lijkt, alsof de bezinning over ons bestaan tot twijfel leidt? In zekere zin is dit waar. We zijn op een gevaarlijke weg, maar we kunnen en mogen onze ogen niet sluiten, we kunnen en we mogen deze vragen niet ontwijken, om de eenvoudige reden, dat men nooit iemand kan verbieden over de dingen na te denken en omdat onze tekst ons meedeelt, dat Gèd Zelf de drang tot bezinning in het hart des mensen heeft gelegd.
Vele mensen zijn bang over bovengenoemde vragen te discussiëren, omdat dan hun eigen opvattingen er aan gaan.
Gods Woord deinst er niet voor terug, omdat Zijn Waarheid toch over menselijke wijsheid triumfeert.
Dat blijkt ook uit onze tekst. „God heeft de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe".
De Schrift erkent de drang tot bezinning positief, maar voegt er tegelijk aan toe, dat wij er niet uitkomen.
Het is goed, zegt de Schrift, om over de eeuwen na te denken, maar u „ontdekt" (Aalders) het niet.
Ontdekken is de zinvolle structuur van iets opmerken, zodat men het kan hanteren, er mee kan werken. De ontdekking van electriciteit, van televisie, van radiogolven etc, betekent de ontdekking van iets, wat reeds lang bestond, maar wat de mens nog niet in een bepaalde structuur, in een systeem van krachten heeft samen gebracht, totdat de ontdekking kwam en men het zinvolle opmerkte.
Nu, zegt het Woord, het tijdsverloop der eeuwen is en blijft een onbegrijpelijk, niet-teontdekken iets voor de mens, de zin van dit alles kunnen wij niet ontdekken.
Wat gaat het Woord ver met de wijfelende mens mee!
Wat blijft er dan over?
In deze kolkende mensenzee maar onder te gaan?
Dat is het moderne levensgevoel van tienduizenden heden ten dage (existentialisme, nihilisme).
Tienduizenden, die geen uitweg meer zien, die dit zelfs erkennen en zich met op elkaar geklemde tanden overgeven in de kolkende zee van het nihil.
Neen, zegt het Woord, Ik wijs u een andere weg.
Vers 14 legt alles in Gods handen : „Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn en er is niets toe te doen en er is niets af te doen".
Vers 14 roept verder op tot de waarachtige vreze Gods : opdat men vreze voor Zijn aangezicht!"
De Prediker gaat wel ver met de twijfelende mens mee, wil met hem meedenken, komt met hem tot het niet-weten, maar stelt dan onvoorwaardelijk de enige weg des behouds. Nu geen discussie meer, elke wereldbeschouwing is in de grond van de zaak menselijk geloof, dat wortelt in het algemeen religieus besef van de mens.
Tegenover dit menselijk geloof, dat in elke eeuw weer anders is, stelt de wijze Prediker het ene machtige geloof, dat door al de eeuwen heengaat, de waarachtige vreze Gods. Dat is de slotsom, waartoe de Prediker komt. „Opdat men vreze voor Zijn aangezicht".
Dat is de enige, waarachtige en hoopvolle houding tegenover „de tijd", de eeuw, het werk Gods.
Men kan op verschillende wijze tegenover de wereld staan. Men kan uitgaan van de redenering, dat alleen het redelijk wetmatige in de wereld geldt (rationalisme), men kan in een ijskoude berusting zich stellen onder de ijzeren wet van opbouw en afbraak, van voorspoed en tegenspoed (stoïcisme), men kan zich boven deze chaotische wereld verheven voelen en zich verlustigen in de wereld der ideeën (idealisme), men kan deze wereld ontvluchten (vals mysticisme), of men kan zich werpen in het zinloze van ons bestaan (nihilisme). Tegeriover dit heidendom roept de Prediker ons op tot de waarachtige vreze Gods.
Deze vreze ontvliedt de wereld niet — God heeft de eeuw in het hart des mensen gelegd —, maar aanschouwt de nood der wereld, vraagt zich zelfs af, maar bergt zijn hoofd als een snikkend kind in de handen van de hemelse Vader.
Nu schrijf ik ditmaal niet verder meer over de vreze Gods, de meditatie is al lang geworden en in „De Waarheidsvriend" werd meermalen over de vreze Gods tot onze onderwijzing geschreven.
Ik merk slechts twee dingen op.
Vrezen is als nietig mens staan tegenover de almachtige majesteitelijke God, als zondaar staan tegenover de Heilige, rbépeh öni genade, in 't geloof omhelzen de machtige Openbaring Gods in Jezus Christus.
De Openbaring, dat God in deze tijd, waarmee wij geen raad weten. Zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, niet in de chaos omkome, maar 't eeuwige leven hebbe.
Dat moest zelfs de wijsgeer Hegel erkennen. Van hem is het woord, dat alle geschiedenis gaat tot Christus en komt van Christus. De verschijning van Gods Zoon is de spil van de wereldgeschiedenis.
Wat een machtig Evangelie! God heeft deze wereld niet alleen gelaten in de wenteling der tijden. Hij heeft Zijn Zoon in „de tijd" gezonden. Hij is door de diepte van de nood dezer wereld doorgegaan, in alles uitgenomen de zonde. verzocht,
En dat is niet aan diepe denkers en aan wijsgeren, maar aan kinderkens geopenbaard.
Dat is 't tweede, wat ik nog wilde schrijven. Aan kinderkens geopenbaard, die in de weg van wedergeboorte en bekering Gods heilsgoed uit Zijn Vaderhand ontvangen.
Nu begint Psalm 25 met al zijn kinderverzen te spreken :
„D' ogen houdt mijn stil gemoed.
Opwaarts om, op God te letten".
„Zie op mij in gunst van boven,
Wees mij toch genadig. Heer'.
„Wie heeft lust de Heer te vrezen ;
't Allerhoogst en eeuwig goed",
en ga zo maar door ; ik kan hier niet alle verzen overschrijven.
Opdat men vreze voor Zijn aangezicht. In die vreze Gods heeft het zin te leven en te sterven, ja, zin te eten en te drinken, vers 12 en 13 : „Ik heb gemerkt, dat er niets beter voor henlieden is, dan zich te verblijden en goed te doen in zijn leven. Ja ook, dat ieder mens ete en drinke en het goede geniete van al zijn arbeid. Dit is een gave Gods".
Deze levenshouding van de waarachtige Godsvreze is niet een zich onttrekken aan deze aardse wereld — zoals de valse mystiek leert —, maar het beleven van het gewone menselijke leven van eten en drinken met blijdschap.
Genieten van de arbeid, niet, omdat ik „er recht op heb als mens", niet- „omdat ik er voor gewerkt heb", maar in de Godsvreze als gaven Gods!
De spil van de wereldgeschiedenis is de komst van Christus in het vlees.
De spil van ons leven is de waarachtige vreze Gods.
Deelt gij in die vreze Gods? Indien gij schuchter ja moogt antwoorden, zo wees in die vreze Gods een licht op een berg! U kunt daarmee een twijfelend mens helpen ; niet onze woorden, wel onze daden zijn beslissend voor de ander.
Staat ge buiten deze kennis Gods? Zoek het niet buiten Zijn Woord, gij zult met deze wereld ondergaan.
Bij de Heere is te vinden en te ontvangen de schat van ware wijsheid, die blijft tot. in eeuwigheid.
Want ook van die ware wijsheid geldt : Wat God doet, zal in der eeuwigheid zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's