HEEFT HET PROTESTANTISME AFGEDAAN ?
Wij stellen deze vraag naar aanleiding van het elders in dit nummer aangekondigde geschrift van mr. Diepenhorst. Terecht wordt deze vraag ontkennend beantwoord, maar het kan toch nuttig zijn die te stellen en ons rekenschap te geven.
„De Duitse kerkhistoricus Karl Holl", — zo begint mr. D. — „sprak in het jaar 1911 de verwachting uit, dat de Reformatie haar grootste invloed wellicht nog moest verkrijgen". „Ongeveer twintig jaar later gaf een rooms-katholiek docent, aan de Universiteit van Munster verbonden, het protestantisme slechts een halve eeuw", zo vervolgt hij met de opmerking, dat de laatste profetie zich schijnt te verwezenlijken.
Niettemin geloven wij met deze auteur, dat het protestantisme nog niet heeft afgedaan en dat niet alleen, omdat Engeland en Amerika, protestantse naties, de fiere kampioenen voor vrijheid en recht waren in de strijd tegen het „germanendom", en dat in onderscheiding van roomse landen als Italië, Spanje en Vichy- Frankrijk (vgl. mr. D., blz. 3). Zonder twijfel schuilt in dit feit een argument van betekenis, dat wij gaarne laten gelden, maar — de geachte schrijver wijst er zelf ook op — de reformatie brak het eerst door in Duitsland, in het land van het „germanendom".
Protestants en protestants betekent in onze dagen niet meer hetzelfde.
En als wij het gereformeerd protestantisme bezien, — gereformeerd dan genomen in de bredere zin van de historische ontwikkeling der Geneefse reformatie — welke verschillen en innerlijke tegenstellingen! Denk aan de Schriftbeschouwing, aan de leer der verkiezing, aan de waardering en interpretatie, om niet te zeggen openlijke miskenning en ontkenning der heilsfeiten!
Invloed van modernisme — zegt gij. Dat mag zo zijn. Negentiende-eeuwse theologie, zegt een ander. Niet te ontkennen. Maar dat modernisme zelf, zo vragen wij, vanwaar komt dat eigenlijk? Uit de geest der refoimatie komt het zeker niet' en wij hebben geen grond om tie beweren, dat het protestantisme als zodanig meer kans geeft aan het modernisme dan het romanisme, maar als iemand beweert, dat de negentiende-eeuwse theologie haar karakter en ontwikkeling vooral heeft te danken aan theologen, die van huis uit tot het Lutherse protestantisme behoorden, dan spreken wij dat niet tegen.
En het valt ook niet te betwisten, dat dit soort Lutheranisme grote invloed heeft uitgeoefend op het Westen, waar de reformatie van Geneve had gezegevierd, gelijk ook in ons land. In zoverre heeft het een belangrijk aandeel in het ontstaan van de zoeven genoemde tegenstellingen ook in het oorspronkelijk gereformeerd protestantisme.
Volkomen terecht kan mr. D. dan ook opmerken : „Op deze wijze staat reformatie tegenover reformatie, protestantisme tegenover „protestantisme, en wie over de huidige betekenis der reformatie handelt, moet in dit „twistgeding positie kiezen", (blz. 4).
Welke bezwaren wij ook tegen de nieuwe theologie mogen gevoelen, 't is ook gewis éen zijner grote verdiensten, dat Karl Barth het negentiendö-eeuwse protestantisme, zowel wat de vrijzinnigen als wat de ethischen aangaat, onder scherpe critiek heeft genomen. Intussen vermocht het Barthianisme de kerken ook niet bijeen te brengen, terwijl Emil Brunner aan het humanisme op bedenkelijke wijze tegemoet komt.
Met dat al ziet het er met het protestantisme niet rooskleurig uit. In ieder geval gaat er weinig kracht van uit.
Mr. D. heeft in kort bestek verschillende kanten in het licht gesteld op een wijze, die tot bezinning roept en ook enkele richtlijnen geeft.
Hij heeft de actuele betekenis van de reformatie genomen in vergelijkende zin en uitgaande van de situatie van het ogenblik. Wij vinden echter geen aanleiding om deze brochure in haar geheel te volgen, al zou het zijn nut kunnen hebben bij verschillende punten even stil te staan.
Maar nu de actuele betekenis van de reformatie eens van de principiële kant. Het is een ingewikkelde geschiedenis, de geschiedenis van het protestantisme. En het is ook van belang de oorzaken van de decadentie en het uiteenvallen van het protestantse kerkelijke leven na te gaan.
Toch moet er ook op gewezen worden, dat velen, die over de onmacht van het protestantisme klagen, ideeën omtrent een actueel protestantisme koesteren, welke ten enenmale ongerechtvaardigd zijn en er blijk van geven, dat men zonder kennis van zaken spreekt en oordeelt.
Er zijn er, die van een actueel protestantisme verwachtingen koesteren voor de saamleving, die kunnen wedijveren met de ideologieën van het communisme. Indien het protestantisme daaraan tegenmoet zou komen in prediking, in propaganda en in politiek streven, zouden alle communisten daarmede vrede kunnen hebben en bij de kerk kunnen aansluiten.
Wij vragen: hóé zou het met het Christelijk gehalte staan van zulk een kerk?
De voorstanders van zulk een geest zouden zeggen: best. Zij immers streven naar wat men noemt een betere maatschappijvorm of samenleving, en zij menen, dat zulk een streven eerst lecht Christelijk is. Zij meten het Christendom aan de maatstaf van sociale hervormingen, die het heeft teweeg gebracht of ook niet teweeg gebracht en schrijven het voortbestaan van allerlei misstanden aan ontrouw en onmacht, in ieder geval aan een tekort van het Christendom toe, n.l. van een Christendom, zoals zij zich voorstellen.
Dezer dagen kwam een geschrift van een Bellamy-Vereniging onder ons oog, waarin zulk een program van een „Christelijke" gemeenschap werd verdedigd op grond van het gebod der naastenliefde en het voorbeeld der eerste gemeente te Jeruzalem, toen men zijn bezittingen aan de voeten der apostelen legde. Dit communisme zou niet geslaagd zijn, omdat men wel de consumptie-middelen, maar niet de productie-middelen socializeerde.
Een en ander geeft een sprekend voorbeeld van misverstand. Immers de gemeente in Handelingen was het geenszins te doen om een organisatie der gemeenschappelijke productie of om een werkgemeenschap, want zij leefden zozeer in de verwachting van Christus' wederkomst en verwachtten deze zó spoedig, dat zij het einde van deze aardse saamleving zeer aanstaande aichtten. Er was dus voor die mensen geen aanleiding om over sociale en politieke programma's te denken. Nog een korte stonde, zo, hoopten zij, en dan zou de heerlijkheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde vervuld worden in de wederkomst des Heeren. Zij vonden het niet nodig langer voor de aardse goederen te arbeiden, vervuld als zij waren van de hemelse weldaden. Daarom brachten zij hetgeen zij hadden tot gemeenschappelijke vervulling hunner nooddruft, zolang' 't nodig mocht zijn.
Men moge dat „communisme" noemen, misschien zelfs met de naam „Bijbels" communisme versieren, maar met het streven van het hedendaagse communisme heeft het niets te maken. Indien het huidige communisme gedragen werd door 'de „Christusverwachling" van de eerste Christenen, zou het onmiddellijk van karakter veranderen en zijn eigen ideologieën gaan bestrijden.
Als de apostel Paulus over deze dingen handelt, zegt hij dan ook niet, dat de mensen socialiseren moeten, zowel consumptie- als productie-middelen. Dan predikt hij geen wereldrevolutie, zoals Moskou, maar hij zegt tegen de mensen, dat zij aan hun werk moeten blijven en hun eigen brood eten. (1 Thess. 4 en 5). ;
De Christelijke religie is nooit gelijk aan een ideologie der menselijke wijsheid, omdat de Godsopenbaring de mens juist ontzegt, wat het fundament van al zijn streven moet zijn, zo er enige verwachting kon wezen : gerechtigheid. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, zo zegt de Schrift.
Niemand goed, tot niet één toe!
Hoe zou zulk een mens een geluksstaat op aarde bouwen, waarvan hij droomt?
Mogelijk werpt iemand tegen, dat daarom juist van de Christenen kan verwacht worden, dat zij het doen. Het kan iemand wel vreemd aandoen, maar dat is nu juist niet de taak van de Christen, want hij heeft geen verwachtingen van de mens en hij verwacht geen paradijs op deze aarde, maar hij verwacht de stad Gods.
Daarin ligt een voornaam stuk van het Christelijk geloof. Evenals in het Schriftwoord: Uw leven is met Christus verborgen in God. (Col. 3 vs. 3).
Duidelijk spreekt daaruit, dat het actueel en werkzaam geloof niet uitgaat naar aardse ideologieën. Wie dat zou menen en daarnaar het Christendom beoordelen, zou zich deerlijk vergissen.
Wij bedoelen geenszins bedekt of onbedekt in deze zin aanmerking te maken op het stuk van mr. D. Dat zal de lezer wel begrepen hebben, maar, waar het gaat om de actuele betekenis der reformatie in onze dagen, willen wij wijzen op het onjuiste van de verwachtingen, die naar zulke ideologieën uitgaan.
Of de Christelijke religie dan onverschillig kan zijn ten aanzien van het sociale en politieke leven?
Dat is een andere vraag. Zeer zeker niet, en daaromtrent handelt nu juist het geschrift van mr. D.
De Christen heeft de strijd tegen allerlei boosheid en ongerechtigheid, een strijd naar binnen en naar buiten. Dat brengt vanzelf mede, dat hij niet onverschillig kan blijven jegens de saamleving, waarin hij gesteld is. Daarom is het ook van zo grote betekenis, dat wij erkennen, dat wij allen schuldig zijn ons te onderwerpen aan de Wet Gods, om dienovereenkomstig te streven naar de onderhouding ener burgelijke gerechtigheid in de samenleving.
Naarmate het Christelijk geloof krachtiger werkzaam is, zal het ook in sociaal opzicht meer actief zijn, de ongerechtigheid bestrijden en opkomen voor het recht. En waar dit met volharding geschiedt, zal het ook wat uitwerken.
De ervaring leert, dat er in dit opzicht geen reden tot roemen is, wijl het reformatorisch protestantisme kerkelijk verdeeld en onderling tegenstrijdig geworden op het algemeen bewustzijn zijn centrale kracht heeft ingeboet tot schade ook van de welstand der samenleving.
En dat is een zaak, welke ons niet met rust mag laten, want er hapert iets aan ons Christelijk geloof, en daarom blijven wij in gebreke. De strijd tegen de ongerechtigheid van binnen en naar buiten wordt blijkbaar niet met voldoende kracht aangebonden. Ons protestantse Christendom is teveel verwereldlijkt en verknocht aan een wereldgelijkvormigheid, zodat de strijd des geloofs wordt uitgeblust en zijn wereldoverwinnende kracht verborgen blijft.
Desniettemin geloven wij niet, dat het protestantisme heeft afgedaan, maar het zou ten zegen worden, als zulk verslapt protestantisme had afgedaan door een krachtige herleving van het reformatorisch geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's