De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een dominé vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een dominé vertelt

9 minuten leestijd

XIII. CATECHISATIËN

II . Verantwoordelijkheid der ambtsdragers.

   Wanneer wij hier een pleidooi voerden voor de noodzakelijkheid van het Catechetisch Onderwijs, dan mag er ook wel gewezen worden op de verantwoordelijkheid der ambtsdragers in dezen. Zij hebben van de catechisatiën ook te maken, wat er van gemaakt kan worden.
   Ik spreek hier niet over methoden. Wij hebben ze indertijd behoorlijk van buiten geleerd ; ze daarna misschien één voor één wel toegepast of afgepast om te kunnen constateren welke methode voor ons het meest geëigend was. Vervolgens zijn wij overgegaan tot de orde van de dag en hebben onze weg hierin wel gevonden.
      Het gaat er nu vooral maar om, dat de catecheet zijn hart legge in het werk. Wij moeten met alle mogelijke middelen vechten tegen de machinale sleur. Wee ons, wanneer wij week aan week weer zouden trachten de tijd te rekken tot dat het „tijd" is.
   Het beste middel hiertegen is, om zich terdege voor te bereiden. Niet alleen zou er een onderschatting van het werk in liggen, zo men dat niet deed, maar ook door het onderwerp van behandeling vooraf goed te bestuderen, gaat de sleur er uit en komt de liefde er in. Men weet, wat men zeggen wil en begaat geen vergissingen; Immers, niets is zo storend, als wanneer de catecheet zich vergist en dat leerlingen het bemerken. Aldus gaat het ontzag weg en het is ook zo jammer voor de inwerking van de les zelf.
   Aldus voorbereid, trekke de leermeester naar deze arbeid.
   Er ga dan van hem uit : orde en rust. Hij komt toch op tijd.
   O, die laatkomende dominees! Men zou ze eigenlijk met de sterke arm uit de pastorie moeten halen, die mannen, die zich altijd verlaten, „omdat de klok achter was" of „omdat zij visite of logé's hadden" of „omdat zij zich voor ditmaal wat verslapen hadden".
   Het wordt een hopeloze janboel, wanneer domine de gewoonte heeft, om te laat te komen. Als hij vijf minuten telaat komt, zal de jeugd er de volgende maal wel een kwartiertje afnemen.
   Komt zij op tijd, dan zal zij buiten of binnen haar kans wel waarnemen. Zij breekt soms af, wat van haar gading is en veroorlooft zich klimtochten, die aan Michiel de Ruijter doen denken. Dit alles had zonder moeite vermeden kunnen worden. Orde moet er zijn in elk opzicht.
   Wel hebben wij de omstandigheden niet mee. Onderwijzers zien hun leerlingen dag aan dag, die op school hun vaste plaatsen hebben en hun opgegeven arbeid. Wij hebben de catechisanten eenmaal per week, vaak op primitieve banken in oude, kille, duffe lokalen. Dit alles werkt de orde niet bepaald in de hand, vooral dan niet, wanneer de schoolcatechisanten zich van de school naar de kerk begeven, hetgeen nogal eens gepaard gaat met jolige buien van uitgelatenheid. Van de verplaatsing zelf worden zij ook al onrustig. Zij menen zich dan wel wat te mogen veroorloven en nemen weleens een houding aan als die verschijning in de gedaante van Samuel, die tot Saul zeide : „Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen?"
   Wij hebben zo weinig strafmiddelen. Daarom moeten wij temeer voorzichtig zijn met het opleggen van straf. De catechisatie is geen school, waar men naar toe moet. De vrijwilligheidsgedachte blijve, als het kan, zoveel mogelijk gehandhaafd. Daarom moeten wij temeer voorzichtig zijn met het opleggen van straf. Het wegsturen van een leerling is wel eenvoudig en gemakkelijk, maar werkt nogal eens averechts, vooral wanneer men aan de ouders geen kennis geeft en het voor de leerling uitloopt op een uitbundige vrijheidsbegroeting.
   Onmogelijke exemplaren worden natuurlijk geweerd.
   Er moet ook orde zijn in dit opzicht, dat de geregelde catechisatietijden gehandhaafd blijven. Men solle toch niet zo met de uren en overdrijve niet met dat vragen of het dan en dan wèl schikt. Al spraken wij reeds over de tijdsomstandigheden.
   Laten de catechisatiën ook zo min mogelijk afgezegd worden. Niets werkt verwoestender, dan wanneer hier geen regel heerst. Wanneer eenmaal de catechisatièn stil staan, dan maken slordige bezoekers er drie- of viermaal van.
   Vacantietijden mogen er ook wezen, maar laat dat over het algemeen dan ook genoeg zijn. Het kan toch niet door de beugel, wanneer men voor eigen liefhebberijen, bijvoorbeeld voor het houden van lezingen of spreekbeurten elders, de catechisatiën eenvoudig stopzet.
   Zo zijn er helaas zovele kleine vossen, die de jonge druifjes van de wijngaard bederven. Van het handhaven der orde op de catechisatie zelf kan eigenlijk weinig worden gezegd. Men is paedagoog of men is het niet. Wie het niet is, heeft vaak heel wat te verduren. Het is droevig, maar 't is niet anders. Daar zijn er, die altijd in de moeite zitten. Men kan een goed predikant op de kansel zijn, maar daarmee is men nog geen behoorlijk catecheet.
   Toch zijn hier nog wel enkele dingen op te merken. Zeker is wel, dat de catechisanten altijd een nieuwe leermeester proberen. Het komt er dan op aan, die proef goed te doorstaan, opdat de aardigheid van het proefnemen er bij hen meteen af ga. Zoals bij die leraar op het Gymnasium, die bemerkte, dat men zich vrolijk maakte over zijn mismaaktheid. Hij keerde expres zijn bochel naar de klasse en zeide : „Ziezo, bekijk dat ding nu goed en lach maar uit, maar dan óok aan het werk." De aardigheid was er meteen af. Zelf overkwam mij eens het volgende : ik vroeg aan een meisjescatechisante, om iets nog eens te zeggen, daar ik het niet goed had verstaan. Antwoord : „U moet nodig uw oren eens laten uitspuiten!"
   „Kind", was mijn repliek : „je bent meer bezorgd voor mijn oren dan bepaald beleefd ; intussen : doe, wat je gevraagd werd!"
   Ik heb dat meisje niet weggestuurd, want er waren er meer uit dat milieu en dergelijke uiting moet men niet al te gewichtig opnemen.
   Ook speelde zich indertijd eens iets af op de catechisatie van de kleine jongens. Ik kwam het lokaal binnen en zag meteen, dat er wat bijzonders aan de hand was. De jongens zagen er zo verdacht uit, keken mij op zulk een gespannen wijze aan en hielden de vingers aan de neuzen. Zij stieten een korte „ oh ! " klank uit en schenen smekend haast te vragen: „Och domine, ruikt u niets?" Neen, domine rook werkelijk niets en begon zoals gewoonlijk.
   Maar zie! Ook na het gebed hield het gesteun niet op. Daar drong plotseling, onder het opzeggen der les iets afzichtelijks tot mijn reukorgaan door. Het scheen van onder eén der banken uit te komen.
   Nu begreep ik het geval : de jongens hadden blijkbaar een of meer zogenaamde stinkbommen onder de banken stuk getrapt. Eerst hadden zij er zelf zwaarlijk onder geleden, maar nu begon ook een geurende zijgolf naar mij baan te breken. Ik deed of ik niets bemerkte. Zei alleen af en toe : „handen van de mond!" Smekende blikken vroegen mij : „Maar ruikt u dan niets?" Neen, ik rook niets. Daar vroeg één der jongens: „domine, mag het raam open?" Natuurlijk niet! Ik heb ze eens flink laten zitten in hun eigen stank ; ben voor de verandering eens een kwartiertje de klas uit gegaan en heb hun daarop gevraagd, wie dit stukje uitgehaald had. Wilden zij het niet bekennen, dan liet ik hen nog een uur zitten.
   Daarop kwamen er drie naar voren, die bekenden. Ik heb hun duidelijk gemaakt, dat dit voor het eerst en voor het laatst was geweest. Dat een gewoon, onschuldig grapje, nog iets anders was dan deze „onwelriekende aardigheden", die ons bijna een geheel lesuur ontnamen.
   Dergelijke dingen maakt ieder wel eens mee, al zijn er altijd wel paedagogen, die u willen bezweren, dat zoiets bij hen nooit voorkomen zou. Neen, misschien niet, omdat zij hun discipelen min of meer mummificeren.
   Mocht iemand werkelijk geen orde kunnen houden, laat hij dan toch geen schuilevinkje spelen met de waarheid, maar ze eerlijk onder de ogen zien. Hij geve niet de schuld aan de leerlingen, maar aan zichzelf. Beter, dat wij dan onszelf de waarheid bekennen. Misschien zijn wij dan al op de weg der genezing.
   Er is geen reden, om ons nu geheel wanhopig te maken. Het zou bedroevend zijn, zo wij er slapeloze nachten door moesten meemaken en het zenuwgestel er onder leed.
   Laten wij onszelf eerlijk afvragen, waar de schuld ligt? En dan gebeurt het menigmaal, dat ivij de oorzaak vinden in onze eigen onevenwichtigheid.
   Hoe komt het, dat diezelfde leerlingen bij anderen rustig zijn en bij ons niet? Omdat wij ze zelf vaak onrustig maken. Omdat wij onszelf vaak te weinig gelijk blijven. Teveel in uitersten vallen. Nu eens overdreven zacht, dan \reer overdreven streng zijn. Het ene ogenblik de grap toelaten en er zelf aan mee doen, het volgend ogenblik weer tot ernst willen dwingen. Al deze dingen gelden voor de ambtsdragers niet minder dan voor de onderwijzers.
   De Kerk zij ook hier weer voor hare kinderen „een rustige moeder, die zichzelf niet ieder ogenblik weerspreekt".
   Wel zijn de catechisatiemoeilijkheden voor de jonge pastor vaak zwaar en vele. Reken eens aan : daar staat nu een jonge man pas in de Gemeente en hij moet aanstonds onderwijzen de jeugd en de ouderdom. Hetzij in de kerk of op de catechisatie heeft hij onder zijn gehoor de mensen van 12 tot 80 jaar toe. Daar kan men vooreerst mee voort, zou ik zeggen.
   Ik heb mij dikwijls verwonderd, dat oude mensen zo geduldig naar mij luisteren konden ; vooral oude christenen. Zij waren in ervaring mij toch zo ontzaggelijk ver vooruit. Gelukkig maar, dat de ware practijk der godzaligheid zich niet openbaart in eigenwijsheid, maar in ootmoed en oprecht begeren, ook van een ander te kunnen leren en de jonkheid van een leraar niet te verachten.

Een pastor aan het leren was
Van al zijn catechisanten ;
De leeftijd was wel zeer verdeeld.
Van grote en kleine klanten ;
Hij had er bij van 14 jaar
En o, 't was werk'lijk prachtig!
Van 60 ook nog wel een, paar ;
Ja, zelfs nog één van 80.
Het was voorwaar een wonder werk.
Dat hem ook vaak benauwde.
Met jongen jong zijn ging nog wel ;
Maar oud zijn met de ouden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een dominé vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's