De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TEZAMEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TEZAMEN

7 minuten leestijd

In de Hervormde Kerk d.d. 21 Juli 1951 schrijft F. H. L. onder de titel : „Samen verantwoordelijkheid dragen vraagt geduld", waaruit wij het volgende overnemen:

   De aanvaarding van de kerkorde op 7 December 1950 mogen we zien als een hoogtepunt in de geschiedenis van de Hervormde Kerk. Maar het gevaar van, een hoogtepunt is, dat dat wat daarna komt, wel bijna teleurstellen moet. Daarbij komt dan, in dit geval, ook nog, dat er in de Kerk over dit hoogtepunt niet gelijk gedacht wordt.
   En daarmede is gelijk de grootste moeilijkheid aangeduid, waarmede vooral de Synode in haar prille bestaan te kampen heeft gehad en die haar nog genoeg zorg zal geven.
   De kerkorde is namelijk gebouwd op de veronderstelling dat alle groeperingen in de Hervormde Kerk tezamen de verantwoordelijkheid voor het kerk-zijn van de hervormde Kerk willen dragen en dat ze dit willen doen door tezamen zich te stellen onder het oordeel van het Woord Gods en door tezamen onder de genade van dit Woord te leven.
   Daarom was de aanvaarding van de kerkorde geen hoogtepunt voor hen, voor wie al tevoren vast stond : de kerkorde neemt het niet al te nauw met de Waarheid Gods en daarom zullen wij straks, als de wachters op Sions muren, geroepen worden tot een voortdurend protest.
   Men zal dit niet van ons willen aannemen en men zal zelfs niets naar ons willen horen; maar we vrezen het martelaarschap niet.
   En evenmin was December 1950 een hoogtepunt voor hen, die de kerkorde zagen en zien als de overwinning van mensen met verouderde opvattingen over belijdenis en heilige Schrift die zij anderen, langs de weg van opzicht en tucht, willen opdringen op straffe van uitbanning.

   Het is vooral het telkens terugkerende „tezamen", dat met zoveel klem wordt aangekondigd. Tezamen verantwoordelijk en tezamen onder het Woord Gods. Dat schijnt inderdaad volkomen recht en billijk, ware het slechts, dat daarmede ook volkomen eensgezindheid ware uitgedrukt.
   Wat de verantwoordelijkheid aangaat, kunnen wij kort zijn. Het behoeft immers geen betoog, dat alle leden ener kerkelijke gemeenschap, persoonlijk en tezamen verantwoordelijk zijn voor de bevordering van de zuivere openbaring der Kerk van Christus, welke toch de enige Kerk is. Die verantwoordelijkheid is er, en wel voor een iegelijk persoonlijk en voor allen tezamen rechtstreeks aan de Koning' der Kerk, met betrekking tot hun handel en wandel en daarin ook voor de zuivere openbaring van de Kerk des Heeren. Wij belijden immers, dat Christus Zijn Kerk regeert door Zijn Woord en Geest. Hij wil daarbij ook gediend zijn door mensen, waartoe Hij de ambten heeft ingesteld. In zoverre zijn de leden der Kerk ook gehoorzaamheid verschuldigd aan de ouderlingen en opzieners, die wèl legeren, d.i. ook al weer overeenkomstig het Woord en naar de regel van het geloof.
   Daarmede is echter ook duidelijk, dat van verantwoordelijkheid „voor het Kerk-zijn" der Hervormde Kerk, zoals de schrijver zich uitdrukt, niet maar zonder meer kan worden gesproken. De Kerk is eenmaal geen menselijke instelling, maar een geestelijke werkelijkheid, welke op aarde openbaar wordt in het geloof en in de werken des geloofs. Zij wordt openbaar als een vergadering van ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. (Ned. Gel. bel. art. 27). Het „Kerk-zijn" der Ned. Hervormde Kerk zal derhalve ook daardoor worden bepaald, tenzij men aantoont, dat deze belijdenis in strijd is raet wat de Heilige Schrift omtrent de Kerk leert.
   Het is daarom niet zo vreemd, dat de heer L. de door hem aangeroerde verantwoordelijkheid niet zonder meer noemt. Hij spreekt van tezamen zich stellen onder het oordeel van het Woord Gods en tezamen onder de genade van dat Woord leven. Iets verder, als het gaat over de Synode, spreekt hij van zich tezamen onder de Waarheid Gods stellen.

   Het telkens met nadruk herhaalde tezamen met het oog op de „groeperingen" in de Kerk, waarvan hij gewaagt, kan duidelijk maken, dat hij in die „groeperingen" een hinderpaal voor het „Kerk-zijn" ziet, welke door een zich tezamen onder de Waarheid Gods stellen moet verdwijnen. Hij hetrekt dus het „Kerk-zijn" op de Waarheid Gods.
   't Gaat er nu maar om, hoe hij die Waarheid Gods ziet. Want hij heeft het over mensen, die elkander „de waarheid zeggen", zoals zij die zien (cursivering van ons, S.), zonder zich eerst tezamen onder de Waarheid Gods te stellen.
   De schrijver verraadt daarin tegelijkertijd, dat hij de waarheid anders ziet, dan die mensen, die „de waarheid zeggen, zoals zij die zien". Wellicht zijn er nog weer anderen, die de waarheid weer anders zien. En nu is volgens deze schrijver het remedium daarin aangewezen, dat die mensen met hun eigen gezicht op de waarheid zich onder Gods Waarheid stellen.
  
   De zaak is te ernstig, om haar niet ernstig te nemen. Bedoelt hij, dat die „groeperingen" slechts door menselijke gezichtspunten worden bepaald en dat deze alle zond.er uitzondering worden weggevaagd in het licht van dt Waarheid Gods?
   Bedoelt hij, dat vrijzinnig, confessioneel, gereformeerd of barthiaan dan ophouden vrijzinnig, confessioneel, gereformeerd of barthiaan te zijn, om dan iets heel anders te worden, boven al deze menselijkheden verheven?
   Of bedoelt hij, dat men al deze opvattingen gelijkwaardig moet achten, omdat een mens nu eenmaal niet verder kan komen, wijl de kennis der Waarheid ons niet gegeven is?
   Is dat standpunt misschien nodig om ware Christen en ware kerk te kunnen zijn?
   Wij vragen slechts, omdat „zich stellen onder de Waarheid Gods" ook zo menselijk is uitgedrukt.
   De schrijver houde ons ten goede, als wij verder vragen: Wat wil hij onder de Waarheid Gods verstaan hebben? Waar is die Waarheid Gods, waaronder hij wil, dat men zich tezamen stelle? Hoe kan men de waarheid, die men zegt, zoals men die ziet, confronteren aan de Waarheid Gods omtrent het leven van de kinderen Gods, (waarvan hij immers ook spreekt), omtrent de kerk en haar openbaring, en zoveel meer, als een Synode behoort te weten?

   Wij willen aannemen, dat het antwoord zal verwijzen naar Hem, die gezegd heeft: „Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven". Dan betekent zich stellen onder de Waarheid Gods, zich stellen onder de Christus. Maar welke Christus kan dat dan anders zijn dan die, welke ons in de Schriften wordt voorgesteld ?
   Wij geloven, dat de Kerk geen andere Christus kent, en zij belijdt, dat de zaligheid in geen andere is.

   Wij geloven ook, wanneer alle groeperingen tezamen willen buigen voor de Christus der Schriften, dat vele moeilijkheden zullen wegvallen.
   Als de schrijver hét zo bedoelt, blijkt de eigenlijke moeilijkheid ook voor hem daarin te liggen, dat de genoemde groeperingen het op dit allerbelangrijkste punt niet eens zijn. Dit komt er op neer, dat zij de Schriften niet eensgezind lezen en verstaan, zodat er geen eenstemmigheid is in belijdenis zelfs omtrent de Heilige Schrift.
   Hoe wil men dan ernst maken met de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen? En wat betekent het beroep op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, indien het aan een gemeenschappelijk belijden terzake van de Heilige Schrift ontbreekt?
   Het is toch duidelijk, dat deze twee zaken op elkander betrokken zijn. Dit klemt nog te meer, wijl de erkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift (Art. 3—7 van de Ned. Geloofsbelijdenis) een stuk des geloofs is van fundamentele en centrale betekenis ten aanzien van de belijdenis der Vaderen in haar geheel.
   Een en ander wijst op tegenstellingen in de groeperingen, welke de kerkorde niet bij machte is te overwinnen.
   Daarom is het beroep op de verantwoordelijkheid der groeperingen tezamen niet doeltreffend. Men kan ook iemand niet verantwoordelijk stellen voor inzichten of opvattingen van anderen, welke hij krachtens zijn overtuiging niet kan delen, of zelfs moet bestrijden, juist, omdat hij zijn verantwoordelijkheid beseft. Desgelijks kan men hem niet verantwoordelijk stellen voor een gang van zaken, waartegen hij om dezelfde redenen ernstige bezwaren moet hebben.
   Een en ander tekent de verlegenheid van de kerkelijke situatie, welke tot uitdrukking schijnt te komen in de „voorlopigheid", waarop de schrijver wil wijzen. Niemand onzer heeft trouwens verwacht dat de voorbereiding van een gereformeerde en presbyteriale kerkorde in een luttel aantal jaren tot het doel zou voeren. Wel hebben wij aan een of twee generaties gedacht. Het Ware daarom wellicht wenselijker geweest, de voorlopigheid meer aan de voorbereiding te paren en daarbij getluld te oefenen.
   Als wij het goed zien, heeft het meer ontbroken aan eensgezindheid in de dingen, zonder welke een gezond kerkelijk leven niet zijn kan, dan aan het besef van verantwoordelijkheid. Dat is het moeilijke van de kerke­lijke toestand, waarin wij verkeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TEZAMEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's