De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VREZE GODS IN HET GEDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VREZE GODS IN HET GEDING

8 minuten leestijd

Toen antwoordde de satan de Heere en zeide : Is het om niet, dat Job God vreest?

   De vreze Gods is in het geding!
   De Heere vroeg aan satan of hij acht geslagen had op Zijn knecht Job. En Hij had er bij gevoegd : Niemand op aarde is gelijk hij, een man, oprecht en vroom, Godvrezende en wijkende van het kwaad.
   En hoe gaarne satan het ook gewild zal hebben, ook hij kon geen enkele beschuldiging inbrengen tegen dit kind van God. Maar toch wil de satan, de wederpartijder Gods, des Heeren erve roven. En daarom zegt hij dan ook : Ja, dat begrijp ik wel, dat Job U dient, o God. Want Gij hebt hem zo rijk gezegend, Gij hebt hem al Uw gaven geschonken, Gij overlaadt hem van dag tot dag met Uw gunstbewijzen. Is het om niet, dat Job God vreest? Denk echter niet, o God der goden, dat Job U dient, omdat hij U zo liefheeft. Neem hém alles maar eens af, dan zal wel duidelijk openbaar komen, dat het Job alleen te doen is om Uw zegeningen, en dat hij U best kan missen.
   En zeker, lezers, zulke mensen zijn er. Mensen, die de Almachtige wat te vriend willen houden, en die daarom hun „plichten" doen. Maar het ware volk des Heeren dient God niet om de zegeningen, maar omdat het Hem niet kan missen, omdat het zonder Hem niet kan leven. Gods kinderen kunnen zelf niet zeggen, hoe het gekomen is. Maar vroeger konden ze ook goed zonder Hem leven, maar door het werk van Gods Geest is het zo anders geworden; nu kunnen ze niet meer zonder Hem, nu willen ze Zijn Naam loven en prijzen, nu hebben ze Hem zo hartelijk lief.
   Daar wil de satan niets van weten. Job dient U om al de zegeningen, die Gij hem geschonken hebt. Neem hem alles maar eens af, dan zal die man, die door U nu Godvrezend genoemd wordt, niets meer van U moeten hebben, en dan zal blijken dat al zijn godsdienst maar schijn geweest is.
   Welk een belediging is dit. O neen, niet voor Job, maar voor de Heere. Satan hoont hier het werk Gods. Satan zegt : Uw knechten hebben U niet oprecht lief, want als Gij hen alles maar eens afneemt, dan zult ge hen geen psalmen meer horen zingen, dan zullen ze U vloeken.
   Die lastering kan de Heere niet dragen. Hij heeft zich immers zelf dat volk geformeerd dat Hem liefheeft. En daarom zal de Heere satan laten zien hoe Zijn werk beproefd kan worden. O zeker, dat wordt een bange weg voor Job, een moeilijke weg, een weg van lijden en smart. Maar 's Heeren werk wordt in die bange weg toch verheerlijkt. Daarom moet Gods volk nog dikwijls zo'n bange weg gaan. Het moet beproefd worden, opdat de satan en de wereld het zullen weten, dat het hier gaat om 's Heeren werk en opdat openbaar zal komen, dat niets en niemand dat volk zal kunnen rukken uit de hand Gods. De Heere weet, dat Zijn werk niet ondergaat en de zwaarste aanval kan verduren. Daarom mag de duivel Jobs heerlijkheid wegnemen, hij mag zijn aardse geluk verbreken, hij mag alles, waarop naar zijn mening Job's vroomheid steunt, wegrukken, en dan zal hij tenslotte beschaamd staan en zien, dat Job toch vasthoudt aan God.

   Ja, hier is de vreze Gods in het geding. Het gaat hier om de vraag, of de Heere dan geen nieuwe harten geeft, die Hem liefhebben en die, als het er op aankomt, kiezen voor de Heere en Zijn genade, tegen de gehele wereld in.
   Daarom moet Job ook op de proef gesteld worden. Daarom moet hij het louteringsvuur in. En dan wordt zijn levensgeschiedenis een aaneenschakeling van rampen en tegenspoeden, van rouw en smart, van verdrukking en ellende.
   Wij behoeven zeker niet om zo'n weg te verlangen en we mogen de Heere ook bidden om voor zo'n zware weg bewaard te blijven. Maar aan de andere kant mogen we toch ook weten, dat de Heere ook in deze bange smartewegen Zijn volk vasthoudt en dat Hij niet laat varen het werk, dat Zijn hand begon.
   Vreselijk is het lijden, waarin Job komt, maar het is, opdat de Heere verheerlijkt zal worden. Alles wordt hem ontnomen : zijn vee, zijn knechten, zijn kinderen ja, straks verliest hij ook nog de liefde van zijn vrouw. Maar toch is dit alles niet enkel verlies. In deze weg komt er ook winst. Want nu worden Job's ogen wijder ontsloten voor de deugden Gods, hij wordt dieper gefundeerd in het geloof, zodat hij alle leunsels en steunsels in deze wereld verliest, om zich alleen vast te klemmen aan de Heere en Zijn genade. Job leert het in deze weg verstaan : al moet ik dan ook alles verliezen, al houd ik op deze aarde niets over, als ik mijn God maar over houden mag, dan heb ik genoeg. En juist daarin wordt de Heere het meest verheerlijkt, wanneer we Hem niet meer kunnen missen en wanneer we leren schuilen onder de schaduw Zijner vleugelen in de wetenschap, dat we alleen bij Hem veilig zijn, Die zelfs Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons heeft overgegeven in de dood, ja, de dood des kruises, opdat wij het leven zouden vinden in Hem.

   De vreze Gods is in het geding! Nog steeds zeggen satan en al zijn trawanten'in de hel of op deze aarde : Is het om niet, dat Job God vreest? En voor Job kan men dan elke willekeurige naam van Gods kind plaatsen. En daarom moeten die kinderen Gods steeds weer in de smeltkroes, opdat het openbaar zal komen, dat ze de Heere toch niet kunnen missen. We verbazen ons soms wel eens, dat juist het volk van God het meestal ^o moeilijk' en zo zwaar heeft in dit leven. Laten we ons echter niet al te zeer verwonderen. Achter uw lijden en kruis, achter uw moeite en zorgen, achter uw rouw en smart, staat de beschuldiging van de satan, dat ge de Heere alleen dient om de zegeningen. En nu moet de Heere openbaar maken, dat gij Hem niet missen kunt en dat ge zonder die wondere liefde van de Heere Jezus Christus niet leven kunt. Ge moet dikwijls de smeltkroes in, opdat uit de beproeving de ere Gods des te heerlijker te voorschijn zal komen. In rouw en slagen, m leed en donker, waarin de Heere Zijn kinderen leidt, gaat het in de diepste grond der zaak niet om henzelf, maar om de heerlijkheid des Heeren.
   En juist in die weg van lijden en smart, van duisternis en ellende, wordt dat volk gedreven naar de Heere en naar het kruis van Christus. In de weg van donkerheid en tranen en verdriet, wordt dat volk gedreven in de armen van Hem, die al onze krankheden op Zich genomen en al onze smarten gedragen heeft. In deze weg leert men het ook wel eens getuigen :
In de grootste smarten.
Blijven onze harten
In de Heer' gerust.
'k Zal Hem nooit vergeten.
Hem mijn Helper heten.
Al mijn hoop en lust.

   En in deze weg wordt de naam des Heeren geprezen en verheerlijkt.
   En om die ere Gods gaat het tenslotte. We moeten de Heere niet dienen om er beter van te worden, maar omdat we Hem liefhebben en omdat we Hem niet kunnen missen en omdat we Zijn naam willen heiligen. Want anders zou de satan terecht kunnen zeggen : Is het om niet, dat die man of die vrouw U dient en vreest, o God?
Misschien zijn er onder de lezers ook wel, die de Heere dienen om loon. Zij kunnen het niet begrijpen, wanneer rouw en smart hun leven binnenkomen. Dat hebben ze immers niet verdiend. Zij hebben toch altijd zo trouw hun plicht gedaan, zij hebben toch zo ijverig voor de Heere gewerkt, waarom moet God hen nu zo slecht belonen?
   Wat hebben we dan toch nodig geopende ogen, geopend door de Heilige Geest, opdat we onze zonde en ellende zien. Wat hebben we dan toch nodig, dat we als arme zondaren voor de Heere in de schuld vallen, om het daar te belijden, dat we naar Gods rechtvaardig oordeel verdiend hebben eeuwig om te komen. Maar wat hebben we dan ook nodig geopende ogen voor de liefde Gods in Christus Jezus, opdat we leren zien, dat de Heere zulke verloren zondaren aanneemt en wast in Zijn bloed, ja, reinigt van alle zonde. Wat hebben we dan nodig, dat we persoonlijk de hand leren leggen op dat heilig Offerlam. Wat hebben we dan nodig, dat dat liefdevuur in onze harten ontstoken wordt tegenover de Heere en Zijn gezjJfde Koning.
   Ja, dan gaat het ons ook om de ere Gods. Dan mogen we weten, dat ook alle smartewegen dienen tot verlleerlijking Gods. Ja, dan zijn zelfs de bangste slagen, waarin de satan meent te triumferen, nog tot verheerlijking Gods. Dan kan de weg, waarlangs we geleid worden wel donker wezen, maar de Heere bewaart Zijn volk en Zijn werk. Juist door de smartewegen leren we de Heere des te meer verheerlijken. Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest. Juist door die smartewegen leren we almeer van de genade te leven.

Verlaat niet, wat Uw hand begon
O Levensbron, Wil bijstand zenden.

   En tegen; alle aanklachten van satan in roepen we uit : Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden door Uw raad, en al waren er duizend duivels, mij toch in Uw heerlijkheid opnemen, om U eeuwiglijk te eren!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VREZE GODS IN HET GEDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's