De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN BIDDEND VERWACHTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN BIDDEND VERWACHTEN

8 minuten leestijd

Heere, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw Waarheid en leer mij ; want Gij zijt de God mijn heils. U verwacht ik de ganse dag. Psalm 25 vs. 4 en 5.

   David, de man naar Gods hart, verkeert in moeilijke omstandigheden. Maar temidden van de donkerheid, op de vlucht voor Absalom en verdreven van zijn koningstroon, mag hij zijn geloofsoog naar boven richten: „Mijn God, op U betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden". Hij zoekt zijn veiligheid bij de Heere alleen en ziet slechts één weg : de weg Gods, de weg aan 's Heeren hand en naar 's Heeren raad.
   Daarom bidt hij in onze tekst : „Heere, maak mij Lw wegen bekend en leer mij Uw paden".
   Eigenlijk wordt hier tweemaal hetzelfde gezegd : bekend gemaakt te worden met 's Heeren wegen heeft dezelfde inhoud als 's Heeren paden te leren.
De vraag moet gesteld worden: Wat zijn die wegen en paden des Heeren? Zijn het de wegen van Gods voorzienig bestuur of de wegen van Gods geboden? Wij moeten hier aan beide betekenissen denken. Het zijn de wegen van Gods geboden, in Zijn Woord geopenbaard, en dan meteen in verband met de bijzondere wil des Heeren in wat David in deze moeilijke omstandigheden moet doen.
   De mens van nature stelt eigen wil tegenover Gods wil. Dat is al in het Paradijs begonnen. Daarom heeft een mens het zo nodig dat niet alleen de Heere ons Zijn wegen en wil bekend maakt en Zijn paden leert (zoals David bidt), maar ook dat hij inzicht krijgt in de heerlijkheid van Gods wil, in de Wet geopenbaard, en ook inzicht krijgt in het eigenwillige, zondige hart. Een mens heeft het zo nodig, dat hij behoeftig gemaakt wordt om een hart te ontvangen om in het spoor van Gods geboden te wandelen.
   Daarom verbindt David aan deze bede de smeking : „Leid mij in Uw Waarheid en leer mij".
   In Uw Waarheid : de Waarheid is dus bij God en niet bij de mensen. Wij zijn uitgevallen uit de Waarheid; wij zijn niet waar met onszelf en tegenover God; in ongerechtigheid houden wij van nature de Waarheid ten onder. Maar de Heere is de Waarheid, omdat Hij is de Volkomene, de Eeuwige, de Onveranderlijke, die zich in oneindige barmhartigheid aan de mens, heeft geopenbaard als de God der Waarheid, die een mens staande wil houden op de weg des verderfs, hem ontdekken aan zijn zonde, tot hem spreken het Woord der Waarheid, aanwijzen het pad der Waarheid, zodat hij bij het licht Gods het valse van het ware gaat onderscheiden.
   Ten volle heeft de Heere zich geopenbaard in Christus Jezus, die zeggen kon: „Ik ben de weg, de Waarheid en het leven".
   Christus verklaarde de Vader en baande de weg, waarlangs een mens tot God en Zijn Waarheid kan komen.
   Hij heeft ook Zijn Geest gezonden, die Zijn volk leidt in alle Waarheid en indachtig wil maken wat Christus gesproken heeft en deelachtig wil maken wat de Zone Gods verworven heeft.
   Ja, die Heilige Geest wil door herscheppende genade een mens bekend maken met de Waarheid, dat hij verloren ligt in ellende en schuld, maar ook dat voor die arme en verlorene een Redder is gekomen, die de schuld betaalde.
   De Heere heeft de wil der verlossing, de weg der Waarheid bekend gemaakt in Zijn Woord. Buiten deze openbaring Gods om zal eens mens nooit de Waarheid kennen en getroost kunnen leven en sterven. Daarom is het zo grote zonde om de Waarheid van de Heilige Schrift te miskennen. „Want die God en Zijn Woord niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt".

   „Leer mij Uw weg en leid mij in Uw Waarheid". De dichter belijdt zijn onkunde om de weg des Heeren te kiezen. De Heere zal hem moeten ombuigen en bewerken, opdat hij in de rechte paden wandele.
   De grondtoon van deze bede is eigenlijk: „niet mijn wil, maar Uw wil geschiede". Dat is de grote strijd in het leven van een mens, om van zijn eigen weg af te stappen en alleen in 's Heeren weg te gaan. Wat een worsteling, om in de weg van beproeving zich gewillig te buigen onder Gods hand.
   Juist in de wegen van tegenslag en donkerheid wordt openbaar hoe weinig eenswillend wij met God zijn. Gods volk kent tijden en ogenblikken, dat zij het eens worden met God; hun wordt dan een gezicht gegeven in de rijkdom en heerlijkheid van Zijn wegen, waarin zij met verbrijzeling over hun zonde, wegzinken in aanbidding voor de Vader.
   Maar deze heerlijke ogenblikken, waarin ze ingeleid worden in de Waarheid, worden afgewisseld door tijden, waarin zij offeren op het altaar der eigenliefde en de doffe smartkreet weerklinkt: „Neem deze drinkbeker van mij weg".
   Gode zij dank: wij hebben te doen met een barmhartig God, die niet doet met ons naar onze dwaasheid en zonde. Hij gaf de Middelaar.
   Welk een genade, dat het volk van God een Jezus heeft, die de volmaakte Priester is, die door Zijn onschuld en waarachtigheid de zonden van de Zijnen bedekt voor Gods aangezicht.
   Waarde lezer (es) : dat er in u de kracht des Heeren afdale om tegen de zonde te strijden en er de bede geboren worde: „Leid mij in Uw Waarheid en leer mij".

   David heeft gegronde hoop dat zijn bede verhoord wordt; de Heere zal het hem geven, „Want gij zijt de God mijns heils".
   De dichter weet niet maar als een algemene waarheid, dat God een God van heil is en helpt, maar bij ervaring weet hij: „de God mijns heils". Van zijn jeugd af heeft de Heere hem geleid; Hij heeft hem gehaald van achter de schapen, gezet op de troon, gered uit de handen van de vijanden en van Saul, Zijn genade aan hem'groot gemaakt, zijn huis gebouwd, hem in Zijn Koninkrijk bevestigd.
  
   En nu, verjaagd van de troon, zuchtend in ballingschap, mag hij al zijn zorgen op de Heere werpen en zeggen: Gij zijt immers mijn God; Gij hebt mij uit zoveel nood verlost en ik mag hopen, dat Gij mij nu ook verlossen zult, want Gij zijt de God mijns heils. Want : dit is de taal van de verzekerdheid des geloofs. Tegenover alle donkere twijfel of God wel helpen zal, tegenover alle eigenliefde, vinden we hier het geloof, dat zich diep buigt onder 's Heeren hand, erkent het recht des Heeren, maar zich ook dicht dringt aan het Vaderhart.
   „Gij zijt de God mijns heils" : in hogere en diepere zin is dit waarheid geworden door de vleeswording des Woords. Want in Christus is de Heere een God des heils voor Zijn volk. Op Zijn volk rust niet meer Gods toorn. En Gods kind, dat de hand mag leggen op het offer van Christus, mag zeggen: „Gij zijt mijn Vader, en ik ben Uw kind".
   Hoe donker de weg dan ook is, achter het donker is het licht. Hoe het ook stormen mag en er het rumoer der mensen is, boven dit alles zetelt de Vader van onze Heere Jezus Christus, die door Zijn almachtige kracht alles zó leidt, dat er niets is dat mij van Zijn liefde scheiden kan, ja, ook alle dingen tot mijn zaligheid dienen laat.
   Ik weet echter, dat dit door Gods kinderen niet altijd wordt verstaan. Er is zo vaak een klagen en zuchten, omdat men alle troost moet missen en er de vrees voor de vijanden is, zodat de ziel niet altijd zeggen kan : „Want Gij zijt de God mijns heils". Maar als het dan weer licht wordt en Gods kind de hand voelen mag, die hem verlost en luidt, dan zingt hij : „dit, weet ik, dat, God met mij is".

   „U verwacht ik de ganse dag". Daar loopt deze bede van David op uit. Onafgebroken zijn zijn ogen op de Heere gevestigd, want al wat hij nodig heeft, is alleen bij de Heere te vinden.
   Deze verwachting is een spanning der ziel, die rust op het vertrouwen op de beloften Gods. Want Abraham zou niet een zoon hebben verwacht en Simeon zou niet de vertroosting Israels hebben verwacht, als zij niet op de beloften Gods hadden vertrouwd. En die de Heere verwachten, kunnen ook wachten, als Hij wel eens laat wachten, want de Heere kan 's morgens komen, maar ook kan het eerst ten tijde des avonds licht worden. Hij komt op Zijn tijd, maar dat is de beste tijd. want Hij komt als de Verlosser, als de God, die Zijn volle troost en gemeenschap doet genieten en die uitkomsten geeft.
   Allen die de Heere verwachten, zullen niet beschaamd worden.
   Als we eerlijk zijn, moeten we zeggen, dat we het van nature zoveel van de mens verwachten en van onszelf. De Heere wil echter niet met een gedeeld hart gediend worden. Hij wil alleen onze verwachting zijn. Zalig voorrecht, als dat vertrouwen en die verwachting in uw ziel leven mag, want dan heeft een mens Gods steun en licht op zijn levenspad.

Heer, ai maak mij Uwe wegen.
Door Uw Woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen
En waarheen G' Uw treden wendt.
Leid mij in Uw Waarheid ;
leer ijv'rig mij Uw wet betrachten ;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer!
'k Blijf U al den dag verwachten.

Dirksland. J. Koele

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN BIDDEND VERWACHTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's