De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJK TEZAMEN GAAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK TEZAMEN GAAN

10 minuten leestijd

   Ds. L. heeft aanleiding gevonden om de discussie voort te zetten over zijn artikel : „Samen verantwoordelijk ", waarop wij onlangs reageerden. (Zie het no. van 30 Augustus j.l.).
   Men zal zich herinneren, dat wij bezwaar maakten tegen zijn beroep, omdat de groeperingen de Schriften niet eensgezind lezen en verstaan en het ook niet eens zijn zelfs niet op het stuk der belijdenis aangaande het gezag der Heilige Schrift.
   Ds. L. schrijft nu o.a. als volgt:
Als wij prof. S. goed begrijpen, bedoelt deze te zeggen, dat de verantwoordelijkheid voor de Waarheid gaat vóór en boven die voor elkander. Het „tezamen", waar wij op aandrongen, is onmogelijk als de anderen zich niet buigen voor de Christus der Schriften.
   In beginsel kunnen wij het daarmee eens zijn. Er liggen hier echter nog enkele vragen, die maken dat wij practisch, wat betreft het kerkelijk handelen, toch tot andere conclusies komen dan „De Waarheidsvriend".
   In de eerste plaats vragen wij ons af, of het al uitgemaakt is, dat bepaalde groeperingen als zodanig wel, anderen niet gehoorzaam zijn aan de Heilige Schrift. Kerkelijke uitspraken bezitten wij hierover in elk geval nog niet en het is zelfs de vraag, of zij ooit in deze vorm gegeven zullen kunnen en mogen worden. Het zal altijd gaan over leringen en gedragingen van bepaalde personen. Het is voor ons helemaal niet zeker, dat die altijd en alleen tot bepaalde groeperingen in onze Kerk zullen behoren.
   In de tweede plaats komt het ons voor, dat het onjuist is, de vraag van de belijdenis omtrent de Heilige Schrift te stellen, zoals dit door prof. S. geschiedt, als het vaststaat dat het „zich stellen onder de Waarheid Gods" zulk een persoonlijke zaak is, omdat Jezus Christus de Waarheid is.
   Wie zou tot deze belijdenis kunnen komen, als de Waarheid Gods niet in het getuigenis van de H. Schrift gezaghebbend tot hem was gekomen en de H. Geest hem niet in deze Waarheid ingeleid had?
   Maar dit behoeft het bestaan van verschillende inzichten omtrent de verhouding van het goddelijk gezag der Schrift en de, tot op zekere hoogte, menselijke wijze, waarop zij onder de leiding Gods tot stand is gekomen, niet uit te sluiten. Het is o.i. dan ook geen Schriftuurlijke weg, bepaalde personen en groeperingen éérst te onderzoeken op hun Schriftbeschouwing en op grond daarvan uit te maken of er met hen samen is te werken in de kerkelijke arbeid.
   Maar afgezien hiervan, zullen wij in deze en andere vragen, die wel met de belijdenis der Kerk in verband staan, maar het hart van de belijdenis niet aantasten, eerlijk moeten erkennen, dat wij slechts ten dele kennen en dikwijls in een spiegel een raadselachtig beeld zien. Dat is ook zo heel erg niet, als wij tezamen maar heel goed weten wat het betekent dat wij, in Jezus Christus „gekend zijn". (1 Cor. 13 VS. 12). Maar juist daarom is ook voor ons het gesprek en, als het niet anders kan, de strijd van de richtingen een hoogst ernstige zaak en denken wij er niet aan te menen, dat deze groeperingen alleen maar door menselijke gezichtspunten worden bepaald. Met geen van hen is dit het geval.
   Alleen : de manier waarop, zij spreken en strijden, zal moeten worden bepaald door de Waarheid, die zij willen dienen. (De Herv. Kerk d.d. 15 Sept.).
   In beginsel kan ds. L. het met ons eens zijn, dat het „tezamen", waarop hij aandrong, onmogelijk is, als de anderen zich niet buigen voor de Christus der Schriften. Edoch, komt hij „practisch" tot andere conclusies dan wij.
   Wij bedoelen geenszins onaangenaam te zijn, als wij opmerken, dat het niet zo gemakkelijk isi uit te maken, in hoevere wij het waarlijk eens zijn. Letten wij b.v. op het boven aangehaalde cursief gedrukte : of het al uitgemaakt is, ' dat bepaalde groeperingen als zodanig wel, anderen niet gehoorzaam zijn aan de H. Schrift.
   In ons vorig artikel viel de nadruk op de belijdenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, zoals die in art. 2—7 Ned. Gel. Bel. wordt omschreven, en op de belijdenis van de Christus der Schriften. Wij zijn van oordeel, dat deze twee punten, gelet op de huidige theologische situatie, aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Velen veroorloven zich de vrijmoedigheid om over het gezag der Heilige Schrift anders te denken en het beeld van de Christus, die ons door de Evangeliën voorgesteld wordt, in overeenstemming te brengen met individuele gevoelens of denkbeelden.
   Nu spreekt ds. L. opeens in een andere toonaard, als hij zegt : „dat het nog niet kerkelijk is uitgemaakt, dat bepaalde groeperingen wel, andere niet gehoorzaam zijn aan de H. Schrift". Nu gaat het over „gehoorzaamheid". Daarmede wordt het vraagstuk overgebracht in de sfeer der ethiek, terwijl wij met de vraag omtrent het belijden bezig waren met de leer.
   Wel erkennen wij de nauwe samenhang tussen leer en leven, maar juist, omdat wij die erkennen, moeten wij even de aandacht bepalen bij deze veranderde wijze van uitdrukken.
   De kerkelijke tucht wordt hier bovendien bij getrokken, maar die treedt immers eerst op, in geval iemand het belijden der kerk weerspreekt. Het is bekend, dat wij deze omschrijving onjuist, althans voor verkeerd begrip vatbaar achten, maar zoveel is daarin toch duidelijk, dat de tucht gaat over het „belijden". En dat kan men tenslotte nooit in het onbepaalde laten. Wie dat wil, moet ruimte geven aan persoonlijke interpretatie, en kan daarmede alle tucht over het belijden wel laten varen en uit het reglement schrappen.
   Indien met de tucht echter enigermate ernst gemaakt zal worden, zal het neerkomen op een conflict, waarin, hoe dan ook, belijden en niet belijden, belijden en anders zien, denken, gevoelen of willen, tegen elkander over staan.
   Wie vraagt of kerkelijke uitspraken, in zulk een geval een bepaalde vorm aannemende, kunnen of mogen gegeven worden, moet er toe neigen iedere vorm van leertucht ai te wijzen, omdat hij geen plaats wil geven aan een „kerkelijk belijden" in enige bepaalde vorm.
   En wat moet men verstaan onder gehoor­zaamheid aan de H. Schrift, indien het gezag der H. Schrift in discussie is? De een zal onder zulk een gehoorzaamheid heel wat anders verstaan dan de ander. Denken wij slechts, dat men van doen kan hebben met de aanhangers van de gereformeerdevgeloofsbelijdenis, maar ook met volgelingen van negentiende-eeuwse en hedendaagse theologen en philosofen, die op dit punt geheel andere leringen verkondigen.
   Wanneer is iemand gehoorzaam aan de Heilige Schrift?
   Als hij de geboden Gods in burgelijke gerechtigheid vervult?
   Als hij naastenliefde betracht? Als hij het Evangelie aanneemt?
   Zo kan men voortgaan met vragen, zonder te vorderen, want over de gehoorzaamheid aan Gods geboden zijn de gedachten al even verschillend als over het Evangelie.
   Wij moesten eerst hierop wijzen, om dan weer terug te komen op hetgeen zo even reeds is opgemerkt.
   Het komt ds. L. voor, „dat het onjuist is de vraag van de belijdenis omtrent de H. Schrift te stellen, zoals dit door ons geschiedt, als het vast staat dat het „zich stellen onder de Waarheid Gods", zulk een persoonlijke zaak is, omdat Jezus Christus de Waarheid is".
   Daarop zit alzo de zaak der „groeperingen" vast. Hier is een man aan het woord, die zegt: Gij stelt de vraag van de belijdenis omtrent het gezag der H. Schrift onjuist (cursivering van ons). Dat betekent alzo : Gij dwaalt, gij weet het niet, of in ieder geval, gij stelt de kwestie verkeerd.
   Het is zeker mogelijk, dat wij op enig punt dwalen, en dat ds. L. op onze weg wordt gezet om ons beter in te lichten, maar één ding moeten wij hier toch in het midden brengen. Wij stellen geen vraag omtrent het belijden van het gezag der Heilige Schrift, maar wij wijzen op de gereformeerde belijdenis (art. 2—7 der Ned. Gel. Bel.) en ook die stelt geen gezag, maar belijdt : Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is en dat niet zozeer Omdat de Kerk ze aanneemt en voor zodanige houdt ; maar inzonderheid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn.
  
   Wij zijn voorts van oordeel, dat de Kerk van Christus deze belijdenis niet kan prijsgeven of loslaten zonder op te houden een pilaar der waarheid in deze wereld te zijn.
   Als wij dit „onjuist" stellen, naar het oordeel van ds. L. — want dat raakt toch de kern van de zaak —, dan is niet alleen de belijdenis der vaderen omtrent het goddelijk gezag der Heilige Schrift onjuist, maar dan dwalen de apostelen en de Christus ook op dit punt.
   De mond der Waarheid, Jezus Christus zelf, getuigt van de Schrift, dat zij niet kan gebroken worden, vermaant, dat wij die Schrift onderzoeken en prijst zalig, die Zijn Woord bewaren. Zo kan de belijdenis aangaande haar goddelijk gezag toch moeilijk onjuist zijn. Dat gezag staat objectief vast, is een objectieve werkelijkheid en wordt niet weggenomen door degenen, die het niet belijden. Of men zich daarvan bewust is, of niet, is dat toch zo. Het is ons niet onbekend, dat men daarvan in onze tijd niet wil weten, maar niemand, die uit de Waarheid leeft, zal dat kunnen ontkennen. Bovendien, met welk gezag ontkent men dat?
   Neen, zal ds. L. zeggen, zo bedoel ik het niet, maar als gij de zaak zo stelt : „de mond der Waarheid getuigt, etc", dan spreekt gij al uit het geloof en dat is het, wat ik bedoel : Men. moet door de H. Geest geleid worden om deze waarheid te kunnen belijden.
   Wij zouden daarop antwoorden : Juist, want het gaat immers om de belijdenis des geloofs. In de belijdenis is het geloof aan het woord.
   Lees nu echter eens verder bij ds. L. : „Maar dit behoeft het bestaan van verschillende inzichten omtrent de verhouding van het goddelijk gezag der Schrift en de, tot op zekere hoogte, menselijke wijze, waarop zij onder de leiding Gods tot stand is gekomen, niet uit te sluiten".
   Hoe moeten wij deze zinsnede nu weer begrijpen?
   Het gezag der Heilige Schrift is er vanwege haar werking als Gods Woord. Zij kan ons verschijnen als mensenwoord en de prediking des Evangelies kan ons zijn als mensenwoord (vgl. 1 Thess. 2 vs. 13). Maar is hierin nu juist het onderscheid tussen geloof en ongeloof, dat wat door het ongeloof wordt ontvangen als mensenwoord, door het geloof wordt aangenomen als Gods Woord (gelijk het ook waarlijk is, zegt de Schrift daarbij).
   Het is daarom wel merkwaardig, dat ds. L. daarop beknibbelt en pleit voor de vrijheid om over de gezagsverhouding verschillend te denken.
   Wij hebben trouwens over de gezagsverhouding en de menselijke wijze van de tot standkoming niet getheologiseerd, omdat daar over ten enenmale niet te theologiseren valt.
   Zo min wij inzicht hebben in de eigenlijke scheppende daad Gods en in de onderhouding der dingen, al neemt onze kennis der verschijnselen dagelijks toe, zo min hebben wij inzicht in het eigenlijke opbaringsgebeuren, al mogen wij er uit leven. Zo waarlijk ons aardse leven nochtans uit die scheppende en onderhoudende daad Gods opkomt, zo waarlijk wortelt ook ons geloofsleven in de gemeenschap met de God der openbaring.
   Wat wil voorts het redeneren over de verhouding van het goddelijk gezag der Schrift en de tot op zekere hoogte menselijke wijze van haar tot stand koming? Nog eens, wie zal uitmaken in hoeverre die menselijke wijze •— voor zover men daarvan enige kennis moge dragen (!) — dan in mindering moet komen van het goddelijk gezag, zonder over dat goddelijk gezag te bazelen?
   Dan wordt het een buigen voor de Waarheid, voor zover die ons goddelijk voorkomt. Maar daarom pleiten wij ook niet voor een schriftbeschouwing, maar voor de kerkelijke handhaving van het Schriftgeloof der belij­denis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJK TEZAMEN GAAN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's