EEN DOMINE VERTELT
Van de Belijdeniscatechisatiën en het houden daarvan zijn mij de aangenaamste indrukken bijgebleven. Dat is trouwens bij zeer vele leerlingen wederkerig. Hoe menigmaal werd de betuiging vernomen: „Domine, wat jammer, dat de cursus afgelopen is. Het wekelijks uur placht om te vliegen"
Wat de leeftijd betrof, die liep nogal eens sterk uiteen, namelijk, op de catechisatiën der gehuwden en ouderen. Er zaten er van 30, 40, ook tot 60 jaar toe. Ja, eens meldde zich nog een man in zijn tachtigste levensjaar. Hij was zwaar doof, maar toch nog vurig van geest. Elke Zondag zat hij aan de doventelefoon.
Nu verlangde hij naar de Tafel des Heeren.
Met alle geweld wilde hij deelnemen aan de belijdeniscatechisatie. Ik heb hem tegen zijn zin daarvan vrijgesteld. Hij verstond er immers toch geen woord van. Bovendien, als men zó oud geworden is, zijn de aardse leerjaren wel za ongeveer afgelopen, al is een mens nooit te oud, om te leren.
Ook kreeg ik eens een boodschap van een oud moedertje, om haar te bezoeken. Zij vertelde mij, dat zij gaarne belijdenis wilde doen en vroeg mij of dat nog kon. Ik antwoordde, dat het zeer zeker nog kon, maar dat ik toch wel weten wilde, wat haar bewoog tot het afleggen van Belijdenis des Geloofs.
Zij antwoordde snel: „Dat heb ik mij zelf al jaren lang beloofd, domine!"
Eerlijk gezegd, schrok ik wel een beetje Van dit zonderlinge antwoord, maar beloofde, tegen de tijd, dat de catechisatiecursus beginnen zou, nog eens aan te komen.
Hetgeen geschiedde.
Wij gingen op de dingen nader in. En nu bekende zij mij, dat er jaren geleden eens iets gebeurd was, dat haar tot nadenken had gebracht. Toen had zij de belofte aan de Heere gedaan, Zijn Naam nog eens te belijden. Zij kon die belofte niet vergeten.
Ondanks haar minder juiste formulering der dingen, kreeg ik hier toch geen slechte indruk. Op de vraag of zij ter kerk kwam, gaf zij het merkwaardige antwoord: „Nog niet, maar daar dacht ik dan meteen weer mee te beginnen, tenminste 's avonds".
„Waarom 's morgens niet? " was mijn volgende vraag. „U bent toch maar met zijn tweeën? " „Ja, maar", zegt zij wat zachter, (en zij wees op haar man, die bij de kachel zat te slapen en niet wakker was geworden) „hij daar wil op tijd zijn eten hebben en moppert, als het wat later wordt".
„U belooft mij", hield ik vol, „direct Zondagmorgen al te komen. Ik zal zorgen dat gij een plaats krijgt en zal het met uw man wel klaar spelen".
Wij maakten hem wakker, vertelden wat er gaande was, en weigeren durfde hij niet (o, die heren der schepping! Maar óok: o, die vrouwen, die hun mannen bederven!)
Zondagmorgen, precies op tijd, verscheen het vrouwtje op het appèl en kreeg haar plaats. Zij miste nimmer en toonde steeds belangstelling.
Daar zijn mensen, die het beter bedoelen, dan zij zich uitdrukken.
En daar zijn mensen, die het keurig zeggen kunnen en toch minder goed bedoelen. Ik heb dan liever met de eersten te doen.
Wat het eigenlijk was, dat de Belijdeniscatechisatie tot de aangenaamste maakte? Omdat hier over het algemeen meer beseft werd: Nu gaat het er om! Er kon onder het behandelen van de stof een soort spanning heersen. De gewone sleur en de speelsheid van de jongere catechisatiesfeer was hier niet aanwezig. Hier kon ook wat meer gezegd of gevraagd worden dan op de gewone lesuren. Het onderwijs kreeg daardoor vaak een ietwat intiemer, vertrouwelijker karakter, vooral wanneer ook wel eens iets werd aangehaald uit eigen leven, om de catechisanten toch maar goed te laten voelen, dat zij in hun strijd niet alleen stonden.
Er groeide aldus een band van vertrouwelijkheid, zodat men dan ook wat meer durfde vragen dan gewoonlijk; al diende er wel op gelet, dat men niet te ver afdwaalde van het onderwerp, dat aan de orde was, want anders zou het op een hopeloos geliefhebber uitgelopen zijn.
Vanzelfsprekend vormde de betekenis van de H. Sacramenten en de toetreding tot het H. Avondmaal een van de hoofdonderwerpen.
Er waren telkens leerlingen, die, alvorens tot het afleggen van Belijdenis over te gaan, mij eerst vroegen, hoe ik daarover dacht; of ik het aangaan aan de Tafel des Heeren verplichtend stelde. Zo ja, dan trokken zij zich liever terug.
Inderdaad een moeilijk punt. Dat wil zeggen: theoretisch is de zaak eenvoudig. Dan kan men redeneren: Belijdenis doen is ook het uitspreken van de begeerte, om deel te nemen aan de Tafel des Heren. Om gemeenschap met Christus te mogen hebben. Komt men dus aan des Heeren Tafel niet, dan is het geen belijdenis.
Daarom nemen vele predikanten dan ook zulke leerlingen niet tot lidmaten aan, wanneer zij niet aan het Avondmaal zouden komen. Velen gaan van de veronderstelling uit, dat het vanzelf spreekt, dat de nieuwe lidmaten aan de Tafel des Heeren komen. Zij stelden daartoe zelfs een aparte lidmatentafel in. Met dat gevolg, dat vele nieuwe leden voor éénmaal verschijnen en daarna niet meer.
Ik heb aan bovengenoemde vragers dan ook ongeveer het volgende antwoord gegeven: „Ik stel de zaak niet zó: Wanneer gij niet aan de Tafel des Heeren komt, neem ik u niet aan. Er is geen sprake in dezen van mijn menselijke dwang. Het is geen zaak tussen mij en u, en daarin: tussen de aardse Kerk en u. Het is een zaak tussen de Heere en uw eigen ziel".
Het gaat hier niet om een accoordje tussen ons tweeën.
Wanneer ik, als leraar der Kerk, u dus niet verplicht, om aan te gaan, dan moogt gij daaruit nooit concluderen, dat gij aan 's Heeren Tafel niet behoeft te verschijnen. Want gij hebt vernomen, wat het ware belijdenis doen eigenlijk is.
Het is zelfs zó: Wanneer gij zeggen zoudt: „ik heb niet het minste plan om toe te treden. Of: ik word alleen lid van de uitwendige Kerk", dan spijt het mij, dat ik u terug moet wijzen. Ik kan in uw accoordje niet treden. Gij staat immers niet voor mij, maar voor de heilige God.
Alleen, wanneer het u ernst is en gij van tevoren niet weet of gij gaan durft, dan zal ik u niet bezwaren met mijn kerkelijke-menselijke dwang. Wij zullen ook dit samen leggen in 's Heeren hand".
Ik zeg niet, dat er geen beter antwoord hier kon worden gegeven. Vertel alleen maar, op welke wijze wij over deze dingen spraken. De bedoeling was, dat men zich van de zaak, waarom het ging, niet afmaken zou.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's