BOUWEN OP GODS BELOFTEN
„De Heere zal het voor mij voleinden " Psalm 138 vers 8.
De psalm, die met bovenstaande woorden eindigt, is een bij uitstek profetisch lied. Hierin wordt de onaantastbaarheid van Gods beloften, die op 's Heeren tijd vervuld zullen worden, verheerlijkt.
David ziet zelfs, hoe in de verre toekomst alle koningen der aarde de Heere zouden loven, wanneer zij gehoord hebben „de redenen Uws monds".
Onwillekeurig denken we aan de Wijzen uit het Oosten en vele latere koningen, die hun knieën hebben leren buigen voor de God van Israël.
David leefde bij Gods belofte, dat uit hem geboren zou worden de Messias, de Heiland der wereld. Eerst vele eeuwen later is deze belofte vervuld. Bij God zijn immers duizend jaren als één dag. Zijn beloften falen niet, ook al beieven wij de vervulling daaryan niet. De Heere hoort wel het gebed, al verhoort Hij niet altijd onmiddellijk. En het is goed, dat wij dit ook uit deze psalm leren. David bouwt dus vóór alle dingen op Gods beloften. Hij zal Zijn werk voleinden. Het doel, dat Hij zich met Israël gesteld heeft, zal worden bereikt, al gaat het tegen alle menselijke meningen en verwachtingen in. En de grond, waarop David deze zekerheid bouwt, is de goedertierenheid des Heeren.
Goedertierenheid is een woord, dat ook vertaald kan worden met het in de christelijke kerk zoveel zeggende woord „genade". En genade, gratie, spreekt van vrijspraak, vergeving. Een woord, dat in de rechtspraak thuis hoort. God spreekt vrij. Hij schenkt vergeving, gratie. Er is dus niets van ons bij. Integendeel : aan onze kant is schuld. Wij zijn verlorenen, tenzij de Heere onze schuld wil delgen. Dit laatste gold ook van Israël. Een wederspanning en ongehoorzaam volk. Een volk van zondaren, dat Gods belofte zeker niet waardig was. En toch durft David pleiten op de goedertierenheid des Heeren, die het zal voleinden.
Ja, ook voor hem, voor David. Dit woord is immers ook een persoonlijke belijdenis van Israels koning, die het er óok niet naar gemaakt heeft, dat de Heere enige verplichting zou hebben. Maar juist deze koning, die uit bittere ervaring wist wat zondaar zijn beter kent, had gratie gekregen door de mond van Nathan, Gods profeet.
En zo is dit belijden van David een zeer rijk troostwoord voor alle kinderen Gods, ook al durven zij misschien zich zo niet te noemen. En begrijpelijk, want ook Johannes is overweldigd van verbazing, wanneer hij uitroept : „Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genoemd worden".
Luisteren wij nu vanuit dit gezichtspunt naar onze tekst. Hier spreekt een mens van vlees en bloed, als gij en ik. Zijn leven was waarlijk niet feilloos en zeker niet heilig. Hij stond midden in het leven en wist mee te spreken van zonde en zwakheid. Hier spreekt dus geen monnik. Geen mens, die niet weet wat er in het leven te koop is. Integendeel. Een man, die leeft met al de vezels van zijn sterke lichaam, die kent de gevaren en verleiding van een oorlog en een rijk bestaan. Een man, die veel bereikt heeft in het leven, maar die ook diep gevallen is.
En toch valt deze man op, juist daardoor, dat God een plaats heeft in zijn leven. Reeds jong diende hij de Heere. Misschien heeft hij toen wel eens gedacht het ver te kunnen brengen in deze dingen. Hoe het ook zij, later weet hij zich geheel afhankelijk van God. Maar juist dan —- door de ervaring geleerd niets meer van zichzelf te verwachten —, bloeit de belijdenis op in zijn ziel : „de Heere zal het voor mij voleinden".
En het, is alsof hij even zwijgt. Denkt hij nu wellicht aan de werkelijkheid van zijn zondig leven? In ieder geval gaat hij zachter verder: „Uw goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid". Ja, Uw genade is er altijd weer.
Nu slaat hij zijn ogen op naar boven en heft zijn handen ten hemel. Zie, hij bidt : „Laat niet varen de werken Uwer handen".
Zulke mensen ontmoet je niet elke dag en daarom neem ik de vrijheid hem enige vragen te stellen.
Wat bedoelt u eigenlijk met die opmerking: „de Heere zal het voor mij voleinden? "
En hij antwoordt mij : „als ik wandel in het midden der benauwdheid, behoudt de Heere mij in het leven". Hij zal mij behoeden in het bangst gevaar en als ik omringd ben door vijanden, strekt Hij zijn hand uit en verlost mij.
Ik vertrouw eenvoudig op God, zowel in de dagelijkse zorgen van het leven als in geestelijke strijd en aanvechting, die mij bezorgd maken en bedroeven.
Maar — zo vraag ik verder — hoe weet u dat zo zeker, dat de Heere ook u genadig is? Zult ge niet met een ingebeelde hemel ter helle varen?
Maar verontwaardigd antwoordt hij : de Heere heeft toch Zijn Woord gegeven en Hij is geen mens, dat Hij liegen zou. Bovendien weet ik, dat Hij mij heeft aangeraakt. Hij is Zijn werk in mij begonnen en dat zal Hij ook voleinden. De Heere doet nooit half werk.
Maar hoe weet u dat nu, dat de Heere u aangeraakt heeft? Wees toch voorzichtig!
Wel — zegt hij — dat is toch duidelijk. De zonde, die ik eens beminde, waarover ik mij althans weinig bekommerde, heb ik leren haten en vlieden. Mijn zonde leerde ik zien als schuld voor God. En al mijn gerechtigheid werd een wegwerpelijk kleed. Mijn zonde maakte ik de Heere bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Dat doet een mens toch niet uit zichzelf? En dat er in mijn hart verlangen leeft naar God, is toch ook niet mijn verdienste, doch enkel Gods genade. De Schrift zelf leert ons immers, dat niemand God zoekt. En als ik Hem zoek, dan is dat alleen maar de keerzijde van het feit, dat Hij mij zoekt.
En daarom vertrouw ik, dat de Heere afmaakt wat Hij eens begonnen is. Hij houdt Zijn Woord en blijft getrouw, ondanks al mijn ontrouw.
Maar bent u altijd zo vol geloofsvertrouwen en zo blij? De Schrift vermaant ons toch telkens, dat wij God niet zullen verlaten en dat wij de Heilige Geest niet zullen bedroeven! Hoevelen hebben niet schipbreuk geleden aan hun geloof. En denk eens aan die duizenden Israëlieten, die wèl uit Egypte bevrijd waren, doch nimmer het beloofde land zijn binnen gegaan vanwege hun ongehoorzaamheid!
En als ik zelf een blik sla in mijn gedachteleven en let op de vele verzoekingen en op de macht der zonde, die als een ijzeren wet knellen kan! Als ik denk aan de vele struikelingen en afdelingen!
En hij antwoordt mij : Zwijg maar stil, ik weet het óok wel. Ook ik heb wel eens gezucht : ik zal gewis omkomen door dé hand mijner vijanden en toch ! Ja, en toch zal de Heere niet laten varen het werk Zijner handen. Dat is het „nochtans" des geloofs.
Maar nu nog één vraag. Hebt u dan nu de macht der zonde overwonnen? Bent u nu zo ver gevorderd in de heiligmaking, dat u niet meer bezorgd hoeft te zijn?
Nu glijdt er een donkere wolk over zijn blij gelaat. Als de zonde zo gemakkelijk te overwinnen was — zegt hij — dan zou God met zo n groot offer behoeven te brengen om zonde en dood te overwinnen. En dat zet mij aan het denken. Inderdaad. Dan zou Christus niet zoveel geleden hebben. Waarom zou Hij dan gestorven zijn? Neen, dit wijst er zeker wel op, dat de zonde en de dood vijanden zijn, die alleen door God zelf overwonnen kunnen worden. Maar dan begrijp ik ook het woord van Paulus : „Christus, die ons gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing".
En weer hoor ik David fluisteren : „Uw genade duurt eindeloos". De donkere wolk is weer weg van zijn gelaat. Opnieuw straalt zijn blik vol vertrouwen op Gods genade. En nu weet ik het heel duidelijk, wat het geheim van zijn leven is: Gods, genade!
Dat is dus de rots, waarop hij bouwt en de rots van zijn vertrouwen.
Ik had wel eens gedacht, dat zo'n dichter bij de gratie Gods wellicht veel groter geloof zou hebben dan ik en dat zijn leven schier heilig zou zijn. Maar nu weet ik wel beter. David heeft het zelf heel eerlijk verteld in Psalm 51. Doch hij is met zijn zonde lot de Heere gegaan en heeft vergeving ontvangen. Daarom jubelt hij in zijn liederen telkens over deze God, die barmhartig is, lankmoedig en genadig en groot van goedertierenheid. Want hij weet, dat hij telkens weer met zijn verknoeide leven tot God mag gaan. Dat is het geheim van zijn blijheid. En God beleefde veel vreugde van deze kwaaddoener, die zo Gods genade heeft groot gemaakt onder de mensen. Niet, door altijd een klaagzang aan te heffen, maar door de grote werken Gods te vertellen.
Zijn geheim moge ons jaloers maken!
Kent gij dit geheim ook? Weet gij ook van zonde, schuld en vergeving? Ja. zegt ge, maar En ge denkt aan uw dagelijkse struikelingen. En toch zult ge uw „maar" eens moeten laten varen, wanneer ge althans oprecht de Heere zoekt. •
Want als ge de Heere oprecht zoekt, moet ge Hem eens gaan danken, dat Hij zijn werk in u begon. En al lopen wij dan op de golven van zonde en ongerechtigheid, die ons telkens dreigen te verzwelgen, toch zullen we met Petrus gelovig mogen zien op Hem, die op de golven wandelde.
Het geloof spreekt immers andere taal. De Heere zal het voor mij voleinden. Want Zijn .goedertierenheid is in eeuwigheid. Zijn genade duurt eindeloos. Doch juist omdat wij zondaren zijn en blijven tot onze laatste snik toe, blijft er plaats voor het gebed : „Laat niet varen de werken Uwer handen".
Aanvechting en strijd zullen blijven in dit ondermaanse.
De Heere Jezus heeft Zelf geworsteld, toen Hij verzocht werd van de Boze. Hoe zouden wij daaraan ontkomen? Doch Hij zegt : „hebt goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen".
Ook Paulus kende de strijd tussen vlees en Geest. En hij erkent : niet, dat ik het al gegrepen heb of airede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe wij ook van Christus Jezus gegrepen zijn.
Wij kunnen daarom juist alleen maar pleiten op Gods genade, die ons reeds in het teken en zegel van de Heilige Doop betuigd werd.
„Indien wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo zullen wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond met God hebben".
Uw genade duurt eindeloos. Uw goedertierenheid is in eeuwigheid.
Alleen in dit vertrouwen kunnen Gods kinderen, alleen met deze zekerheid kan Christus' Kerk in deze wereld — die zo vol is van nihilisme en defaitisme, waardoor de dsemonen vrij spel hébben — met opgericht hoofd de toekomst tegen gaan.
Immers wat de Heere met Pinksteren begon, zal Hij voleinden.
Jezus Christus, de Koning der Kerk, heeft overwonnen. Dat alleen kan onze enige troost zijn in leven en sterven. Hij zal het voleinden voor al de Zijnen en Hij heeft het volbracht aan het kruis op Golgotha. Zijn bloed alleen reinigt ons van alle zonde. Daarom zal een mens alleen gerechtvaardigd kunnen worden door het geloof in Hem. Alle eigen werk, elke poging om zelf ons Gode waardig te maken, zal blijken een vergrijp te zijn aan Gods genade.
Dat betekent „alles" verliezen om Hem te gewinnen.
De Heere zal het voor mij voleinden.
Dat betekent enerzijds zichzelf verloochenen. Eigen initiatief uitschakelen, door ons leven geheel in Zijn hand te leggen. Ons „ik" moet sterven in de brandende gloed van Gods heiligheid. Niet meer „ik" maar „genade Gods".
Anderzijds is juist dit geloof een bron van klaterende vreugde voor Gods Aangezicht. Niet ons, niet ons. Uw Naam alleen zij d' eer. Door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Heerlijk troostwoord.
Mijn ziel is immers stil tot God. Van Hem is mijn heil.
„Zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot. Ik zal U loven met mijn ganse hart. Ten dage, dat ik riep, hebt Gij mij geantwoord. Gij hebt mij bemoedigd met kracht in mijn ziel. Heere, laat niet varen de werken Uwer handen". Amen!
Vlaardingen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's