De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

10 minuten leestijd

Aanneming en bevestiging.

   Ook hier zij ten overvloede even gezegd, dat wij niet twisten over de juistheid of onjuistheid van bovengenoemde benamingen. Het zou ons maar nodeloos ophouden en het gaat dan toch om de zaak, die er mee bedoeld wordt.
   In het bijzonder het uur van aannemen, het laatste catechisatieuur, droeg zijn stempel van ernst. Vaak was er nog dan nogal zenuwachtigheid en had het examengevoel voor het ogenblik de overhand, want men moest dan allerlei vragen beantwoorden in tegenwoordigheid van de ouderlingen en niemand wilde gaarne met de mond vol tanden zitten.
   Ik heb wel eens gehoord, dat er predikanten zijn die hun leerlingen van tevoren meedelen, wat zij vragen zullen. De laatsten kunnen zich dan geheel op de antwoorden instellen.
   Persoonlijk heb ik mijn leerlingen telkens weer verzekerd, dat zij zich niet ongerust moesten maken over het „examen", want dat dat heus erg meeviel. Vooral de minder begaafden heb ik hier gerust gesteld, want de aandacht moest niet vallen op het verstandelijk weten en van buiten leren, maar op de ware kennis des harten; op het zaligmakend geloof.
   Toch heb ik nooit met mijn catechisanten iets afgesproken, wat ik hun vragen zou. Zoveel mogelijk had ik op de lessen getracht, hun te leren nadenken over de dingen. Of zij een bepaalde vraag en het antwoord daarop woordelijk van buiten kenden, interesseerde mij minder dan of er in hoofd en hart wat achtergebleven was van de inhoud der geloofsleer. Of zij zich van een en ander rekenschap hadden gegeven.
   Wat dus de vragen op de bewuste avond betreft, dat moesten zij maar afwachten. Overigens heb ik hen wel zoveel mogelijk ontzien. Ik heb mij over het algemeen wel gewacht, ' moeilijke vragen te doen aan degenen, die onbekwaam waren, om ze te beantwoorden, terwijl ik hier en daar er wel wat verder en dieper op inging bij degenen, die dat ook best hebben konden.
   In kleine Gemeenten is het wel gebeurd, dat alle ouderlingen gevraagd werden om die avond tegenwoordig te zijn. In grotere plaatsen ging alles wat officieëler en kwamen de broeders, die er voor aangewezen waren.
   Een gewoon verschijnsel oudtijds was, dat de beste leerlingen op die avond wel eens struikelden, terwijl zij anders de dingen toch heel goed wisten. Maar langzamerhand zonk de examengedachte wel in het niet en maakte de pastor even een gemoedelijke opmerking, dan was de kalmte spoedig weergekeerd.
   Was de ondervraging afgelopen, dan vroeg domine, of een broeder ouderling nog iets op te merken had. Meestal was dat de oudste broeder, die de leraar dankte voor het onderwijs en de leerlingen nog van alles op het hart drukte. Dat gebeurde soms op voortreffelijke wijze. Als het maar geen praatgrage broeder was, die ook nog een „duit in het zakje wilde werpen"; want dat kon wel eens vervelend worden.
   In geen geval zag ik de noodzakelijkheid in, dat meer broederen het woord gingen voeren. Het was immers geen Kerkeraadsvergadering en het zou de dingen maar nodeloos rekken, om niet te spreken van de stille hilariteit, die wel eens werd opgewekt.
   Daarop nam domine nog weer het woord, sprak zijn leerlingen kort toe en las daarna de belijdenisvragen voor, die aanstaande Zondag in het openbaar, voor de ganse Gemeente beantwoord zouden worden. Hij vroeg thans reeds die voorlopige beantwoording aan ieder persoonlijk en gaf hun da gedrukte vragen mee naar huis ter biddende overdenking, opdat zij goed mochten weten, wat zij deden.
   Hiermede werd het officiële gedeelte van de avond besloten met gezang en gebed.
   Nu bleven wij samen nog wat na, om nog een paar uur gezellig bij elkander te zijn. Het teken werd gegeven, dat de chocolade of de thee kon worden binnen gebracht.
   Eerst vraagt nu echter één der oudste leerlingen of anders een van de beste „rederijkers" het woord, om domine namens allen toe te spreken en het cadeau aan te bieden. Het was altijd heel verstandig, wanneer men de speech opgeschreven had. Enkele waaghalzen hadden alles van buiten geleerd en staken zonder papier van wal. Maar 't is toch singulier : Ging het anders altijd even vlot, deze keer wilde dat juist niet. Steeds kwam dat bewuste „brokje" in de keel. Dat akelige rood en wit worden, met als gevolg: de doodsbenauwde gezichten van de aanwezigen, die het te kwaad kregen. Het ging hun als een kind, dat een versje moest opzeggen en dacht: „Thuis kon ik het zo goed".
   Gelukkig, dat domine de wil wel voor de daad neemt.
  
   't Behoeft ternauwernood gezegd, dat het slot van de avond in overeenstemming zij met het begin en vooral er niet tegen strijde.
   Sommige predikanten menen dit vermeden te hebben, door een andere avond aan te wijzen voor de gezelligheid. Men voelt zich dan wat vrijer. Alsof hiermee de bezwaren zouden zijn opgelost! Gepaste opgewektheid mag er toch altijd wezen.
  
   Wat scheppen wij mensen toch zotte, maar ook valse tegenstellingen in het leven. Zo o.a. uren van ernst en uren van luim. Als de ernst afgehandeld is, dan hebben wij een beetje recht op luim.
   Maar als de luimt zó opspringt, dat het min of meer wordt een uit de band springen, was dan de ernst wel ernst?
   Domine houde ook het verdere van de avond de leiding en zakke zelf niet mee af naar het platvloerse. Kan men dan geen ogenblik genoegelijk bij elkander zijn zonder in de wereldse pret te vervallen?
   Krijgt de wereld haar part en portie al niet méér dan genoeg?
   Is dat trouwens ook geen bezwaar of gevaar, dat christelijke Verenigingen soms aankleeft? De aanvang is „chistelijk"; de voortzetting neutraal; het einde heidens.
   
   Indrukwekkender dan het aannemingsuur blijft toch altijd de ure van Openbare Geloofsbelijdenis en Bevestiging. Dan zal men zijn „ja!" uitspreken voor het Aangezicht des Heeren en ten aanhore der ganse Gemeente. Bloedverwanten en vrienden zijn mee ter kerk gekomen, die dan ook stampvol is. Zelfs ouders, die ganselijk ontwend waren aan de Dienst des Woords, laten zich dan wel eens overhalen, om te verschijnen.
   Het is volstrekt geen zeldzaam verschijnsel in de grote stad, dat men uit een huisgezin, totaal vervreemd van God en Zijn dienst, soms één kind ter catechisatie had, dat een beschamend voorbeeld was.
  
   Ik heb het altijd een aangrijpend gezicht gevonden, wanneer de jonge mensen en ook ouderen daar opstonden van hun zitplaatsen, om de Naam des Heeren te belijden, en ik weet dat het gebed van meerderen dan opsteeg of de Heere dit alles waar maken wilde.
   Er blijven hier mensen, die deze dingen heel koel en koud beoordelen. Die gewoonweg durven zeggen: „daar staan er al weer zoveel op om te liegen". Ik heb dan wel gevraagd: „Van wie weet gij dat? Van God toch zeker niet. Want Hij openbaart zulke dingen zo maar aan mensen niet. Hij leert ons eerst onze eigen leugens kennen, dat wij over die van anderen voorlopig niet denken". Neen, dit komt wel uit een verdachte hoek.
   Weet wèl, dat de duivel het van iedereen zegt, dat hij staat te liegen. Dat zegt hij ook van de kinderen Gods. „Gij moet nodig staan te liegen!" zegt hij dan. „Het is bij u ook : doe naar mijn woorden, maar niet naar mijn werken. Want gij zijt ook maar een mens als een ander en zondigt spoedig weer".
   Het is mij wel eens opgevallen, dat zij, die waarlijk over hun eerste leugen niet gevallen zijn, ook het eerst leugens bij anderen veronderstellen. Met andere woorden: die zelf het hardtst liegen, beschuldigen anderen het eerst van leugens.
   Dat hebben zij uit hun vader, de duivel, die een leugenaar was van de beginne en in de waarheid niet staande bleef.
   Wij herhalen niet, wat wij over het belijdenis doen tevoren reeds schreven. Wij blijven geloven, dat de Heere op die tijden en in die ogenblikken bijzonder met nadruk tot ons spreekt en machtig is, om door te werken.
   Overigens weten wij ook wel, dat het gevaar voor overschatting der dingen hier allesbehalve denkbeeldig is.
  
   Wanneer men vele lidmaten bewogen ziet; wanneer zij met hun tranen vechten, die zij toch zouden willen verbergen, dan zijn wij zelf meer dan eens onder de indruk gekomen en dachten er heel wat van.
   Zij beleden de Heere; althans met de lippen. Dat zij het ook met het hart mochten doen, dat baden wij. Zij beloofden ook de aardse Kerk, hoezeer zij vol gebreken zit, trouw te blijven.
   Helaas, wat werden wij hier vaak ontnuchterd. En wat gleden sommigen nog betrekkelijk spoedig af. Misschien kwamen zij éénmaal tot het H. Avondmaal. Zij wilden aan de vorm voldoen. Een tijd lang bleven zij nog kerken, althans 's morgens. Daarna kwam langzamerhemd ook hierin verslapping. Men kwam in kringen, waar men niet behoorde. Er werden „connecties" aangeknoopt met godsdienstlozen.

   Wanneer gij hen tegenkwaamt op de weg en zij zagen u, dan begon hun groet al iets verlegens te krijgen. Zij schaamden zich er voor, een domine zelfs te kennen. En dan de Heere!
   Anderen waren er, die het met het begrip „Kerk" nu niet bepaald nauw namen. Zij hadden de Hervormde Kerk trouw beloofd. Waarom niet? Binnen enkele weken werden zij even gemakkelijk lid van een andere Kerk. Gij hadt hun toch zelf geleerd, zeiden zij, dat de aardse Kerk niet zaligmakend was.
   Er waren er óok, die u eerst overal volgden. Uw trouwe oud-leerlingen, die u zelfs naliepen, wanneer gij preektet in een andere Gemeente, die niet zo ver verwijderd was.
   Zij bleven zich voor de gereformeerde leer interesseren. Maar als „domine" niet preekte, kerkten zij elders.
   Mocht dat dan niet? Zij gingen toch om de Waarheid, zeiden zij.
   Maar zij vonden het toch wel aangenaam, „met vlag en wimpel" bij anderen te "worden binnengehaald en daar een beetje geestelijk gefêteerd te worden. „O neen! ze dachten er niet over met de Kerk te breken. Maar het was anders wel treurig met haar gesteld, niet? Dat merkten zij nu het beste, nu zij in de kringen van Gods volk begonnen te verkeren.
   Nu zij nog eens mochten horen van het echt bevindelijke leven. Want dat had men nu zo niet in de eigen Kerk".
   Op die wijze ging dat dan een poosje door. Dit alles gaat de bevestigende leraar ook wel door de geest, wanneer hij de lidmaten vóór zich ziet staan. Maar dit weet hij ook, dat de Heere Zich van de instrumenten en middelen bedient en dat Hij kent degenen, die de Zijnen zijn. Die zullen getrouw zijn, want de Heere verleent getrouwmakende genade. Al heb ik daarmee niet gezegd, dat degenen, die in andere Kerken het Woord Gods wel eens gingen beluisteren, daarmee ontrouw voor God waren.

   Er konden immers nog wel eens conflicten komen in eigen Kerk, ja, botsingen zelfs, die tot iets anders noodzaakten.
   Hoe het zij: Wat God waarlijk geheiligd heeft, dat zal een eigenwijze vrome Jan of Piet niet gemeen maken. Zelfs een waarachtig kind van God niet, wanneer het hier nog zou lijden aan kortzichtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's