„EVANGELISCHE BENADERING VAN DE MENS”
De „Centraal Bond voor Inwendige Zending en Christelijk Maatschappelijk Werk" vierde dezer dagen zijn vijftigjarig jubileum.
Ter gelegenheid daarvan gaf de Bond een keurig verzorgd boekwerk uit onder de titel : „Evangelische benadering van de mens", waarin de verschillende aspecten van dit vraagstuk worden belicht. (Uitgeverij van Keulen. Delft 1951).
Dr. Ph. J. Idenburg, Voorzitter van deze Bond, leidt het boek in met een lezenswaardig artikel, waarin hij begint met te wijzen op de veranderingen, die zich in onze tijd voltrekken en scheiding maken tussen de mens van 1901 en de mens, welke bezig is over te gaan tot wat hij nog niet is, de mens van het jaar 2000, scheiding dus tussen het oude voorbijgaande en het nieuwe wordende of komende.
Het ligt voor de hand, dat hij het oude meer uitvoerig kan aanwijzen en dat ook tracht te doen, dan het komende. Over dit laatste verneemt men uitteraard niet veel en dat kan ook niet. In de 19e eeuw werd het culturele beeld van West-Europa, zo zegt de schrijver, door drie factoren bepaald : te weten : rationalisme, kapitalisme, individualisme. Vervolgens tekent hij in enkele grote trekken deze drie „geesteskrachten". Hij merkt zelf op, dat een meer volledig beeld van het „oude, dat bezig is voorbij te gaan" in veel breder verband zou moeten worden gevat. Daarom willen wij de uiteenzetting als zodanig laten voor wat zij is
Hier wordt echter met een vrijmoedigheid over het „oude, dat bezig is voorbij te gaan" gesproken, alsof dat buiten twijfel staat. Er wordt gesproken over een mens van 1901, die voorbij IS, en over een mens van het jaar 2000, dat er nog niet is. Dat kan als een waarheid worden aanvaard in zoverre het voorgeslacht van deze laatste zal voorbij gegaan zijn althans ten dele, als hij er zelf zal zijn. Doch zo bedoelt de. schrijver het niet. Hij bedoelt, dat de dan levende mens als mens anders zal zijn.
Wij zetten ook hier een vraagteken.
Mogelijk is het vliegtuig of een nog moderner vervoermiddel in het jaar 2000 even populair als thans het rijwiel. Mogelijk leest die mens geen krant meer, omdat radio en televisie iedereen op elk gewenst ogenblik ten dienste staan. Maar zal de mens daarom anders zijn ?
De schrijver spreekt over rationalisme, kapitalisme en individualisme als het over het verdwijnende oude gaat, maar wij vragen : Is dat zo ?
Gaarne geven wij toe, dat het rationalisme heeft bewezen, zeer bevorderlijk te zijn voor een toenemend individualisme. De grondslag van het moderne rationalisme is als zodanig individualistisch. Edoch men kan niet verwachten, dat een overwinning van het rationalisme, — stel dat het zover komt — ook het individualisme zal wegnemen. Immers al is het geloof in de souvereine macht van een onafhankelijk denkende rede doorbroken, de wortel van het individualisme schuilt niet in dat geloof. Het is eer omgekeerd. Het individualisme sterkt zich in zulk een geloof en juist dat geloof in het onafhankelijke denkende ik, demonstreert de door de zonde gebroken rechte verhouding van de afhankelijkheid van het schepsel aan zijn Schepper. Of zegt niet de Schrift, dat de mens een zoeker van zich zelf is geworden, sedert hij in ongehoorzaamheid van zijn God is afgevallen? Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen.
Wij willen niet onderstellen, dat deze Schriftleer door de auteur wordt gerekend tot de „stichtelijkheden", welke de mensen van vandaag „terecht niet meer „nemen" " (blz. 15). Wij hopen beter, maar zijn overtuigd, dat de „erkenning van de eigen waarde van het religieus beleven" (blz. 11) geen waarachtige betering zal brengen zonder dat niet slechts te „nemen", maar ook te belijden. Hoe anders kan het Evangelie Evangelie zijn en de zelfzucht worden overwonnen door een waarachtig geloof? Die zelfzucht toch zal zonder de waarachtige Godsvrucht, altoos weer zijn ontbindende invloed laten gelden en het menselijk vernuft in zijn dienst stellen tot eigen voordeel. En zolang men aan de rijke verscheidenheid van de krachten, die het menselijk zieleleven beroeren, slechts een plaats wil toekennen naast het redewezen, zal het rationalisme bezwaarlijk worden overwonnen. Daar komt bij, dat het redewezen een gave Gods is met een machtige werkingssfeer.
Voorzichtig zegt de schrijver, dat er een „tempering van de kapitalistische tendenties in onze maatschappij is" (blz. 11/12). Ook dit kan een hoopvol verschijnsel zijn. De eigenlijke kwaal van het kapitalisme, oeconomisch liberalisme, wordt mogelijk getemperd door verschillende invloeden, wellicht ook door andere tendenties, die, op zichzelf beoordeeld, nog niet op een verhoging van zedelijk en geestelijk levenspeil kunnen wijzen. Voorts heeft men wel te bedenken, of een staatskapitalisme, dat ook zijn tendenzen vertoont, niet met erger dreigt, dan het gewraakte kapitalisme.
Deze sceptische opmerkingen bedoelen niet tegen te spreken, dat er verschuivingen vallen op te merken, dat de „mens van verschraling, verzakelijking, vereenzaming", zoals de schrijver hem tekent, „klanken van een voller en rijker menszijn" hoort. Die klanken zijn er. In kringen, waar Sien voorheen zulk een waardering niet meer aantrof, spreekt men zijn erkenning uit van „zedelijke en geestelijke" waarden. Maar wij zijn het met dr. I. eens: „Toch ontbreekt er nog iets aan: de wijding, de bezieling, het geloof".
Dat wil heel nuchter zeggen, dat er eigenlijk alles aan ontbreekt.
Juist daarom zijn wij het over die verandering van de mens van 1901 niet zo eens. Die verandering reikt o; i. in het algerpeen niet verder dan die, welke de Romeinse spreekwijze aanduidt: „De tijden veranderen en wij veranderen in de tijden". Dit zijn toch slechts veranderingen in omstandigheden en sociale structuur. Deze kunnen van groot belang zijn, maar sluiten allerminst geestelijke veranderingen in, welke op het cultuurleven nieuwe vitale krachten doen uitgaan.
Klaarblijkelijk ziet dr. I. dat ook niet, vanwaar anders zijn beroep op de Kerk en zijn pleidooi voor de inwendige Zending. Immers van Kerk en Zending uit verwacht hij vervulling, wijding en bezieling van het „nieuwe, dat zich in onze samenleving openbaart". Er moet een „geestelijk fundament zijn voor de ordening der maatschappij" (blz. 13).
Wanneer de schrijver dan verder handelt over de Kerk en wat zij moet doen, wordt het moeilijk om te verstaan, wat hij eigenlijk met de Kerk bedoelt. Zo lezen wij b.v. op blz. 16: „De Kerk zal haar nood slechts te boven komen, als haar leven gedragen wordt door een kerkvolk, dat zich bezield weet door een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid".
Over die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid hebben wij het in ander verband al eens gehad. Hier geldt het nu weer niet de Verantwoordelijkheid voor elkander of voor de zuivere openbaring der Kerk, maar de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het terrein van het maatschappelijke en politieke leven.
Wij gaan daarop thans niet nader in, maar vragen: „Wat is nu de Kerk, die gedragen wordt door het kerkvolk? De belijdenis zegt: „de Kerk is een vergadering van ware Christgelovigen, allen hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest". De Kerk is een vergadering. Die vergadering is dan toch weer het kerkvolk. Daarbij kunnen hypocrieten zijn, maar zij zijn toch onder het kerkvolk.
Indien men onderscheid maakt tussen Kerk en kerkvolk, wordt het een vreemde figuur, waarvan het abstract karakter heel duidelijk wordt, als de Kerk gedragen moet worden door het kerkvolk. In zoverre de geestelijke werkelijkheid van de Kerk als het Lichaam van Christus, welke in Zijn leden tot openbaring komt, wordt erkend, moet het oneigenlijke van zulk een spreekwijze in het oog springen. Zou men echter desondanks toch van Kerk en kerkvolk willen spreken, dan nog zou men .de verhouding moeten omkeren en het kerkvolk gedragen zien door de Kerk.
Wij bevelen ook zulk een uitdrukking niet aan, om bovengenoemde en andere bezwaren, en menen dichter bij de waarheid te zijn, als wij van oordeel zijn dat de Kerk, zijnde de vergadering der ware Christgelovigen, gedragen wordt door, het geloof in de Christus der Schriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's