XIV. OP HUISBEZOEK
Er ligt in het hart van de jonge pastor een zeker verlangen, om zo spoedig mogelijk op huisbezoek te gaan. Zeker, de intree is achter de rug. Hij is nu domine van de plaats. Maar de promotie is haast te snel in haar werk gegaan. Hij heeft toch nog een gevoel, alsof hij er naast staat; of wilt gij: „er los bij hangt".
Men voelt nog niet: er is werk; en: van die en die aard is dat werk. Wij moeten weten wat er in de Gemeente en in de huisgezinnen te koop is, opdat men zijn arbeid daarnaar kan inrichten en daarop zetten kan.
En dus: Voorwaarts! Op mars! Een ouderling zal hem daarbij vergezellen. Van dat eerste bezoek blijven ons vaak de meeste indrukken bij. Wij hebben daarbij onze nieuwsgierigheid, onze gespannen verwachtingen en onze onbeteugelde werklust. Wij willen de dingen eens flink aanpakken, ook al zijn er nog geen bepaalde plannen.
Dat een Ouderling meegaat, komt ons in onze jonge onervarenheid zeer te stade. Deze kent de leden der Gemeente op zijn duimpje. Hij behoeft nog geen Broeder te zijn met singuliere gaven, om toch zo ongeveer te weten, wat vlees men hier en daar in de kuip heeft.
Vooral in de eerste tijd, wanneer de woordenrijkdom des pastors nog niet zo groot is, kan hij hem zachtkens bij de mensen inleiden. Is hij een verstandig man, men leert ook van hem iets van de gang van het werk.
Het is wel een mooi ding, om allerlei boeken over huisbezoek, psychologie en dergelijke onder de knie te hebben, en dat zal ter zijner tijd ook wel te pas komen, maar het is nu vooral nodig, oren en ogen zelf open te houden en onze eigen ervaringen op te doen. De huisgezinnen en de leden der Gemeente zijn nu onze boeken.
Wij hebben te preken op de kansel. Dan mogen de mensen niets zeggen. Maar in huis mogen zij aan het woord komen, opdat gij verneemt, wat er in hen omgaat. En er zijn er onder hen, die zich dat maar al te goed bewust zijn. Dat zij in de kerk moeten zwijgen, daarvoor halen zij hun schade dan wel in. Nu is een huisbezoek ongetwijfeld veel geanimeerder, wanneer de huisgenoten onbewimpeld zeggen, waar het op staat. Verschillende onderwerpen komen dan vanzelf aan de orde.
Critiek op de prediking moet men ook verdragen kunnen, althans wanneer zij goed bedoeld is. Hoeveel leren wij vaak van eenvoudige en toch originele opmerkingen.
Komt de critiek echter uit verdachte hoek, mijn zij op zijn hoede.
Men geve toch vooral uit zwakheid of mensenvrees niet iets toe. Het is gemakkelijk, op de kansel heel wat te zeggen. Daar is niemand, die ons tegenspreekt. Worden wij echter op huisbezoek er over 'aangevallen, wat nog al eens gebeurt, dan moeten wij ook daar hetzelfde durven verdedigen en vooral niet inbinden uit mensenvrees. Want aldus zou het respect min of meer teloor gaan, dat men de voorganger verschuldigd is en zou men van hem zeggen: „op de preekstoel durft hij, maar in huis is hij zwak".
Wat ik in de kerk zeg, moet ik overal durven zeggen; want o, die plak! die plak!
Sommige bezoeken, vooral uit mijn eerste Gemeente, staan nog levendig voor mijn geest.
Wij begonnen aan de rand der Gemeente en kwamen daar bij een man op leeftijd. Een zonderling. Mijn broeder Ouderling had al gezegd, dat er met die man niets te beginnen was. Wij konden hem gevoegelijk overslaan, maar als ik niet bang was, ik moest het zelf weten.
Wie wil er nu graag bang genoemd worden? Mijn besluit stond vast, om daar juist naar binnen te gaan, al kan ik niet zeggen, dat het uit liefde was, maar meer uit zucht naar avontuur.
Zo stapten wij dan naar binnen.
De bewoner zat aan tafel en bleef bij onze binnenkomst stil zitten. Keek zelfs ternauwernood op. De zijden pet, die zijn vermoedelijk kale schedel dekte, werd niet afgenomen.
De Ouderling nam zijn hoofddeksel af, groette hem en zeide, terwijl hij op mij wees: „dat is onze nieuwe domine, die eens kennis met u komt maken".
„Daar ben ik niks op gesteld, als je 't weten wilt", antwoordde de man heel vinnig.
„Wat doe je hier? Ik heb je niet geroepen". Tot de Ouderling: „Man, waar zet jij je pet voor af? Voor mij toch niet? Voor een domine soms? Ik niet hoor! Ik geef niet om die mensen : Ik heb zelf de Bijbel van het begin tot het eind 39 maal doorgelezen. Welke domine doet mij dat na? "
„Dominees zijn loonjagers ; geldschrapers! Weet je, hoeveel je voorganger hier bijeen geschraapt heeft? " En hij noemde een bedrag, waaruit bleek, dat hij het aantal dienstjaren met het jaarlijks salaris had vermenigvuldigd.
Nog even begon ik over de kerk, maar daar klonk het: „Wat zou je lachen, als je mij zag!"
Neen, hier viel niets te beginnen. De gedachte kwam boven, of hier geen onderzoek diende ingesteld te worden naar 's mans geestvermogens. Duidelijk was wel, dat gierigaards gedachten hier een grote rol speelden.
Zelfs in dat kleine dorp kwamen er meer voor van dat kaliber.
Ik denk aan een andere man, die mij toevoegde: „ik geloof geen enkele domine, zolang hij mij niet vertellen kan, waar Kaïn zijn vrouw vandaan haalde".
Blijkbaar een gevleugeld woord in het rijk der duisternis en onder de ongelovigen, want ik ben het later ook in de stad wel een keer of wat tegengekomen.
De duivel wil Kaïn toch blijkbaar gaarne getrouwd hebben. Hij maakt zich tenminste nog al zorgen over de vrouw. Dat is zeker vanwege het Kaïnsgebroed;
Wij hebben die man met zijn probleem maar stil laten zitten.
Ook wil ik even melding maken van een vrouw, die o zo vriendelijk was! Zo echt venijnig-vriendelijk, en die ons heel handig aan de praat trachtte te houden over allerlei ditjes en datjes.
Zij scheen wat oorpijn te hebben en had het daar nogal druk over. Wij moesten dat wel even aanhoren. Ten laatste echter braken wij al die gesprekken af en vroegen rechtuit, waarom zij nooit ter kerk kwam. Zij antwoordde gezwind, ja gehaaid : „Ik ben wat aan de dove kant en ik heb vernomen, domine, dat u een zachte stem hebt".
„Ik zou daar dan toch eerst eens de proef van nemen, als ik u was", klonk het van mijn zijde.
Toen begon zij fijntjes te lachen en zei ; „dat heeft domine daar goed gezegd!", als wilde zij te kennen geven: „die zet is van u; de volgende zal weer van mij zijn".
Vóór wij heengingen, vroegen wij of zij er prijs opstelde dat wij in het gebed gingen. Antwoord : „ja, "dat vind ik goed !" Zoiets als: „gij kunt het doen en gij kunt het laten".
Zo gingen wij dan in het gebed. Het „amen" was nog niet over mijn lippen, of zij zei meteen: „Wat lastig toch, domine, als een mens zo'n oorpijn heeft!" Ik moet eerlijk bekennen: tegen zoveel koelbloedigheid en zoveel vijandig venijn was ik niet opgewassen. Het was of het mij tegenklonk: „praat maar toe en bid maar toe, ik trek er mij toch niets van aan!"
Ik had een gevoel of de duivel mij in mijn gezicht stond uit te lachen.
Gelukkig waren dergelijke ontmoetingen uitzonderingen. In de meeste gezinnen werden wij heel anders ontvangen.
De lezer zal bemerkt hebben, dat wij gewoon waren, bijna overal in het gebed te gaan, vóór wij heen gingen, behalve dan bij spotters en onverschilligen. Er moet toch enige geestelijke samenstemming aanwezig zijn, of althans verondersteld kunnen worden. (Wij spreken hier nog over het huisbezoek in de dorpen, zoals dat voorheen geschiedde).
Ik wil niet ontkennen, dat er somtijds bezwaren aan waren verbonden, om met gebed te eindigen, vooral dan, wanneer de gesprekken er niet naar waren. Dat geeft ons echter geen vrijheid, om het na te laten. Het was al erg genoeg, zo het gesprek een verkeerde wending nam en werd het gebed nu ook nog achterwege gelaten, wat bleef er dan van het hele huisbezoek over?
Staat het eenvoudig vast, dat ieder huisbezoek, als het kan, beëindigd .wordt met het lezen van een gedeelte uit Gods Woord en met gebed, dan komen onwillekeurig de gesprekken al van tevoren in dit teken te staan.
Er gaat van het gebed reeds van tevoren een zekere bewarende krachte uit. Wordt het afgeschaft, dan staat de deur open voor allerlei gesprekken en is het hek van de dam voor allerlei aardse aangelegenheden. Dan kan men o, zulke gezellige visites hebben, waarbij de uren omvliegen, maar het huisbezoek heeft zijn doel gemist.
De gemeenteleden mogen nu nog zo gaarne hun leraren vooral dan eens aan huis gezien hebben, als het alleen maar is, opdat zij anderen zeggen kunnen : „Wij hebben domine met een Ouderling op huisbezoek gehad!", dan is het resultaat toch al zeer pover. Het gebed is noodzakelijk, omdat wij in alles en ook in het huisbezoek de kracht van boven nodig hebben. Al hetgeen besproken en gevraagd is, wordt dan hiermee gelegd voor het Aangezicht des Heeren en de noden van het huisgezin worden de Heere opgedragen.
Het gebed kan een middel zijn, om ons te leren, alle valse schaamte af te leggen en open en vrij uit met de dingen van Gods Koninkrijk en 's mensen heil voor de dag te komen.
Was de toon van het gesprek niet naar wens, dan moet ook daarover om vergeving worden gevraagd.
Ja, wij mogen wel vragen: Is een kerkelijk huisbezoek wel huisbezoek, wanneer het gebed wordt nagelaten? Zou een Kerkdienst nog wel Kerkdienst zijn, waneer domine zo maar begon te preken zonder voorgebed en wanneer hij dan eveneens zonder dankgebed weer heen ging?
Als wij maar ernstig toezien en er ons voor in acht nemen, dat het gebed nimmer uitlope op het geven van steken aan degenen, die met ons van mening verschilden. Dat is misbruik en profaneren van het gebed, om er zijn eigen hatelijkheden in te leggen. Wanneer ik iemand voor onbekeerd aanzie, moet ik hem dal eerst zeggen, alvorens het te leggen voor het Aangezicht des Heeren.
Laat ik ook iets opmerken over de aankondiging van huisbezoek. Er zijn predikanten, die het van de kansel of in hun Kerkbode mededelen: „Aanstaande Woensdag of Donderdag komen wij aan dit of dat gedeelte der Gemeente".
Zij doen dat, opdat de huisgezinnen er «enigszins op rekenen kunnen en de huisge noten zoveel mogelijk thuis blijven.
Misschien is daarvoor wel iets te zeggen, hoewel mij de practische bezwaren voor veler thuis blijven nogal groot voorkomen.
Zelf heb ik die afkondiging nooit gedaan, omdat men in kleine plaatsen gewoonlijk toch wel op de hoogte is en vrij precies weet, waar domine met de ouderling zit; maar vooral ook daarom, omdat, wanneer men weet, dat „de Kerk" „in de buurt is", nogal eens het attentiesein: „Wees op uw hoede!" gehesen wordt. De huisgezinnen zelf weten het veel liever, want „moeder" heeft zo gaarne eerst „de boel aan kant" en „dat domine in zo'n rommel komt", dat houdt haar gedurende het gehele bezoek steeds bezig en zij kan niet nalaten, het nog eens te herhalen bij het weggaan.
Wij echter hebben er wat tegen, de mensen zo „op hun 's Zondags" te zien. De Bijbel ligt klaar.
En die u liever niet ontmoetten, Maakten snel zich uit de voeten.
Ik heb altijd maar liever de gewone mens aangetroffen, opdat wij toch vooral geen overgeestelijke indruk van de gemeenteleden krijgen. Men zegt toch al wel eens, dat dominees over het algemeen geen mensenkenners zijn. Dat ligt dan zeker daaraan, dat men hen in de verte aan ziet komen.
Overigens moet ieder dit voor zichzelf uitmaken.
In de steden is het huisbezoek meestal naar de avonduren verplaatst. Eigenlijk kan dat ook niet anders. De meeste ouderlingen hebben overdag geen tijd en de huisvaders zijn meestal alleen des avonds vrij. Daar is de aankondiging van tevoren in 't geheel niet vol te houden, ook al omdat Ouderlingen (en ook dominees) in één gezin hun tijd wel eens verpraten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's