HET KERKELIJK GESPREK
Dr. Berkhof schrijft over het kerkelijk gesprek in het laatst verschenen nummer van „In de Waagschaal"'. Hij zet dan een en ander uiteen omtrent de voorwaarden voor het kerkelijk gesprek, zoals hij die ziet. Deze uiteenzetting doet vooral sympathiek aan door de openheid, welke er uit spreekt. Als het echter de bedoeling is „het kerkelijk gesprek" op gang te brengen, komt het ons voor, dat velen gesterkt zullen worden in hun mening, dat het zijn doel zal missen.
„De eerste voorwaarde is wel" —• zo dr. B. — „dat men er zich zeilf bij voortduring van bewust is, te spreken binnen de kerk, als leden der gemeente van Christus, die zich willen laten leiden door Zijn gezag. Dat houdt in, dat wij niet van plan zijn, allerlei particuliere meningen of overgeleverde gewoonten te verdedigen, maar datgene in te brengen, wat wij van het evangelie hebben verstaan en wat wij met een beroep daarop kunnen verdedigen".
Deze zinsnede is nogal rijk aan punten, die ieder op zichzelf genomen, brandpunten van conflict van meningen zijn: binnen de kerk, leden der gemeente van Christus, Zijn gezag, wat wij van het evangelie hebben verstaan, particuliere meningen.
Waar valt nu de scheiding tussen „particuliere meningen" b.v. omtrent de kerk, het lid zijn van de gemeente van Christus, de gemeente van Christus, het evangelie, en het gezag van Christus?
Wij beginnen bij de schrijver zelf. Wat verstaat hij daaronder, als hij de voorwaarde in deze zinsnede alzo omschrijft? Wij bedoelen geenszins de persoonlijke overtuiging van de schrijver met wantrouwen of critiek tegemoet te treden. Wij vragen slechts, maar met te meer klem, omdat hij ernst wil maken met de „kerkelijkheid" van het gesprek : Hij bedoelt geen causerie in een willekeurig gezelschap, maar een gesprek van mensen, die elkander ontmoeten als leden van de gemeente van Christus.
De voorwaarde, dat zij zich zulks bij voortduur bewust moeten zijn, wijst op een vooronderstelling, dat zij leden van Christus' gemeente zijn. Daarmede schijnt ook overeen te komen, als hij als eis stelt, dat zij in het gesprek zullen inbrengen, wat zij van het evangelie verstaan. Immers leden van Christus' gemeente leven uit het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid.
Zonder nader op „particuliere meningen" in te gaan, mag er op worden gewezen, dat kerk, leden van de gemeente van Christus, Evangelie, ons op de dingen van het Koninkrijk Gods wijzen, waarover men slechts vanuit de Godsopenbaring, ons in de Heilige Schrift gegeven, kan spreken. Zulk een gesprek onderstelt een levende betrekking met de dingen, die des Geestes Gods zijn, een door de Geest Gods deel hebben aan het Evangelie des Koninkrijks.
Deze geestelijke werkelijkheid wordt als uitgangspunt en dragende grond van het „kerkelijk" gesprek gesteld.
Maar nu komt de ontmoeting dergenen, die tot het „kerkelijk" gesprek worden genodigd. En wat zien wij nu?
Dr. B. stelt de vraag: Mag ik nu niet evenzeer eisen, dat de tegenpartij (cursivering van ons) tot het kerkelijk gesprek komt met de bereidheid, mij als oprecht gelovige en als wettig (wij cursiveren) lid der kerk te erkennen ?
Neen, antwoordt' dr. B., dat mag ik niet. Op deze wijze wil men tot grondslag van het gesprek maken, wat alleen doel kan zijn: de wederzijdse erkenning en herkenning als leden van Christus' lichaam.
Men zou zo gedacht hebben, dat, gezien de gestelde voorwaarde, indien zij althans vervuld wordt, de geestelijke saamhorigheid — leden van Christus' lichaam! — een vanzelfsprekend gegeven zou zijn, dat in het gesprek spontaan tot openbaring komt.
En nu wordt hier gezegd, die erkenning is er niet, zij mag ook niet geëist worden van de tegenpartij, maar; de tegenpartijders moeten met elkander praten, totdat zij elkander erkennen en herkennen als leden van Christus' lichaam.
Duidelijk is dat niet. Moeten zij het b.v, ook nog eens worden op het stuk van belijden en belijdenis, of moeten zij het eens worden b.v. in de mening, dat wij over God en de goddelijke dingen in de grond der zaak niet kunnen spreken, eij 'Voor zover wij daarover spreken, slechts bij benadering, zodat wij onszelf en een ander niet gebonden mogen achten aan formuleringen, welke ook?
Het heeft er iets van, als dr. B. spreekt van een „inbrengen van wat wij van het evangelie hebben verstaan".
Dan gaat het kerkelijk gesprek, dus over wat wij verstaan, of menen te verstaan van het Evangelie, en wij vragen, welke waarborg heeft men dan, dat er iets anders dan „particuliere meningen en overgeleverde gewoonten" ter sprake zal komen? Blijft het Evangelie niet boven lucht en wolken zweven in zulk een gesprek?
Wij zouden ook kunnen vragen over het gezag van Christus, waarvan dr. B. gewaagt. Wanneer treedt dat op? Hoe maakt dat scheiding tussen particuliere mening en Evangelie? Gat dat gezag ook over woorden en vormen van belijden, of vallen deze er buiten?
Dr. B. gaat op de concrete situatie in, als hij spreekt over vrijzinnigen, middengroep en Gereformeerde Bond. Dan zijn wij opeens in de Hervormde Kerk van vandaag, waar het gesprek niet vlot, omdat klaarblijkelijk de eerste voorwaarde ontbreekt.
Waar is nu het gezaghebbende Woord, dat beslist?
Het zijn altijd weer mensen, die spreken op menselijke wijze, in menselijke formulering inbrengende, „van wat zij van het evangelie verstaan".
Het merkwaardige nu is, dat uit het conflict der drie groepen, die dr. B. noemt, althans dit duidelijk blijkt, dat het gesprek afstuit op een punt, waar het duidelijk wordt, dat de geestelijke gemeenschap ontbreekt.
Dr. B. drukt zich voorzichtig uit, als hij zegt, dat op dat punt het „kerkelijk recht" der vrijzinnigen door de middengroep in twijfel wordt getrokken, terwijl de Gereformeerde Bond, aan die grens gekomen, het „bestaansrecht" der midden-orthodoxie in twijfel zou trekken.
Beide uitdrukkingen onderstellen een „recht" om •— ja, wat eigenlijk? — om in de kerk te zijn? Om kerkelijk mede te spreken? Duidelijk is het in ieder geval niet.
Bovendien zijn hier twee zaken in het geding, die door elkaar heengaan : n.l. 1e. het lidmaat-zijn van Christus' lichaam, en 2e. de bevoegdheid om over de geestelijke dingen te spreken.
In de door dr. B. gestelde eerste voorwaarde liggen deze twee verbonden.
En toch kan men deze twee dingen niet onder hetzelfde oordeel doen vallen. Immers, wij zijn geen kenners der harten en ook een lidmaat van Christus' lichaam kan dwalen. En wie zal uitmaken hoeveel ketterijen iemand er op na kan houden en toch nog een Christen zijn?
Zo oordelen wij niemand, maar de Schrift oordeelt.
Omgekeerd kan ook een ongelovige zich in de discussie mengen met orthodox-klinkende woorden.
Zo kan het ook slechts de Schrift zijn, die oordeelt over wat ieder inbrengt omtrent het evangelie en daarom over het kerkelijk gesprek.
Ook de belijdenis spreekt zich uit over wat zij van het Evangelie verstaat, of liever, wat de reformatie over het Evangelie verstond. En zij wil zich zelf onder het oordeel der Schrift gesteld hebben. Waarom spreekt men nu van drie groeperingen, van particuliere meningen en overgeleverde gewoonten, en waarom legt men niet dat reformatorisch getuigenis in het midden als grondslag en uitgangspunt van het kerkelijk gesprek?
Niemand kan ontkennen, dat daarmede werkelijk de grondslag voor een kerkelijk gesprek zou zijn gelegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's