De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IS HET WEL JUIST?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IS HET WEL JUIST?

7 minuten leestijd

   Wij herinneren ons nog wel de eerste redevoeringen na de bevrijding van mensen, die inderdaad schenen te geloven, dat alles was nieuw geworden, althans begonnen was nieuw te worden.
   Anderen hebben dat geluid overgenomen en velen hebben het geloofd.
   Doch ook werden deze klanken schouderophalend en met scepsis ontvangen door degenen, die minder idealistisch over de mens dachten. En hoewel de ervaring hen in het gelijk gaat stellen, krijgen zij in het algemeen nog geen gelijk.
   Er is een geslacht, dat wil nu eenmaal anders dan voorheen. Er zijn mensen, die nog altijd door een geest bevangen zijn, welke zonder onderscheid het oude verwerpt om wat nieuws te zoeken. Er zijn er óok, die met zekere verachting spreken over „die ouderwetse degelijkheid", wijl zij niet beseffen, dat zij op rekening van de overgebleven vrucht daarvan toewijding en accuratesse verzaken.
   Het is niet eenvoudig om deze en andere reacties in de na-oorlogse tijd te verklaren. Teleurgestelde verwachtingen, gebouwd op overspannen idealen van de negentiende-eeuwse-mens, spelen een belangrijke rol. Verzet tegen de eenzijdige en overdreven waardering van de menselijke rede, welke daaraan gepaard ging, is ook een invloedrijke factor. Afgezien van degenen, die zich welbewust inspannen om aan die waan te ontkomen en zo mogelijk anderen een weg ter ontvluchting te wijzen, ontgaat het sommigen, dat noch het idealisme van de mens, noch het rationalisme van de negentiende-eeuwse geest dood is. Veeleer ontplooit het zich sedert de bevrijding in oude vormen en in nieuwe gestalten, die bij lange na niet altijd beter verdienen te worden genoemd.
   Sociale en politieke verhoudingen werden gewijzigd, of zijn nog bezig zich te wijzigen, tengevolge van idealen, die de oude vormen bedoelen te doorbreken, mede in verband met de gevolgen van de oorlog, die de ganse mensheid in beroering heeft gebracht en de internationale spanningen, die de regeringen en machthebbers bezig houden en met zorgen vervullen, om van de economische gevaren enbezwaren nog te zwijgen.
   Wie zal dat alles gering achten en weerspreken, dat de goede oude tijd voorbij is, waarin een voorbijgegaan geslacht zich heeft verheugd en schijnbaar ongestraft bouwde aan de verwezenlijking van zijn levensdromen.
   Wij willen ons echter niet overgeven aan de roem van die goede oude tijd, die, welbezien, ook genoeg heeft gehad aan zijn eigen kwaad. De mens van die goede oude tijd is trouwens niet onschuldig aan het kwaad van heden, maar de mens van heden is niet beter dan die van de goede oude tijd. Zij verschillen heus niet zoveel, al zijn de huidige omstandigheden wel wat anders.
En, eerlijk gezegd, zijn wij het helemaal niet eens met hen, die eindeloos roepen, dat de hedendaagse mens zo anders is dan die van gisteren en dat het alles zoveel anders moet dan voorheen. Het spreekt vanzelf, dat veranderde omstandigheden andere eisen kunnen stellen, maar dat zijn dan ook slechts de omstandigheden, die andere eisen stellen en het zijn slechts practische veranderingen, welke, a|n die eisen tegemoet Icomen. Men reist met de ossenwagen, of met de vliegmachine, en al mogen wij niet zeggen, dat de omstandigheden geen invloed op de mens uitoefenen, de omstandigheden maken de mens niet. De mens is geen product van omstandigheden. Hij kan zichzelf echter zo zien en vernederd worden tot een slaaf van zijn eigen maaksel. En dat is wel een euvel, dat als een kenmerk van onze tijd kan gelden. De persoonlijkheid gaat onder in de massa-mens en daarin wordt zijn vernedering openbaar.
  
   Dit verschijnsel kan niet als een gevolg van de omstandigheden worden aangemerkt. De technisering van onze cultuur is zonder twijfel bevorderlijk aan zulk een ontaarding, maar deze ontaarding zelf heeft een geestelijke achtergrond en wijst op een innerlijk conflict van de mens met zijn wezen en bestemming. Persoonlijkheid is het allerindividueelste eigen, de adel van de mens, de schoonste gave van zijn schepping naar Gods beeld. Immers, omdat de mens naar Gods beeld geschapen is, kan men van de mens slechts spreken, als men hem ziet in betrekking tot zijn Schepper. Buiten deze betrekking, op zichzelf gezet, of in verband met de hem omringende wereld — en zo alleen — beschouwd, ziet men de mens niet als mens, omdat men hem loswrikt uit datgene, wat zijn wezen bepaalt, zijn geschapen-zijn naar Gods beeld.
   Wie de mens alleen in relatie tot de kosmos ziet — en deze relatie mag nimmer worden losgelaten, omdat hij door God in de kosmos is gezet als in een door God toebereide schouwplaats van Zijn majesteit — maakt tegelijk de mens en de wereld los van de grond van hun bestaan en misleidt zich zelf en anderen. Hij maakt de mens tot een god, tot een maker van zijn wereld en een bouwmeester van de toekomst zijner verbeelding.
   Ziedaar de geestelijke achtergrond van de ontaarding tot massa-mens en tot geweldenaar en het beeld van de historische mens in zijn verzondigd bestaan, zondqr God in de wereld, een slaaf van zijn eigen waan en een speelbal van dsemonische machten. De mens wil immers als God zijn. Dat is zijn zonde en ondergang. Hij, tracht zich ten koste van de hoogste goederen los te worstelen uit de hand Gods, die hem schiep, en zonder welker dragende kracht hij in het niet zou terug zinken.
   Nochtans ademt hij in Gods wereld, hoewel hij het nauwelijks meer beseft, en als hem de wereld zijner verbeelding ontvalt, als God hem overgeeft aan zijn eigen overleggingen, vindt hij zich zelf in onzekerheid, bekruipt hem de angst en tast hij rond in de duisternis.
  
   De persoonlijkheid kan alleen opwaken in de confrontatie van de. ïpens met zijn ware wezen in het aangezicht Gods ; zij kan alleen groeien in de straling van de Zonne der gerechtigheid en in de koestering van Gods barmhartigheid. Haar kliroaat is ware vroomheid en Godsbetrouwen,
   Buiten deze confrontat|ie, buiten de gemeenschap met God, dus buiten de religie, verschrompelt de persoonlijkheid en wordt de mens, zoals de Schrift zegt, een zoeker van zich zelf, zonder besef van zijn roeping, zonder liefde en onbarmhartig.
   Naarmate het religieus leven in een volk gaat kwijnen en inzinkt, zal het ook aan waarachtige cultuurkracht inboeten en worden blootgesteld aan het gevaar van tyrannie en aanklevende onheilen.
   De ervaring leert, dat het Westen reeds gedurende generaties in een toestand van voortgaande geestelijke en zedelijke decadentie verkeert, welke in menig opzicht onheilspellend is.
   En hoewel men hier en ginds van opwekkingen hoort en gewag maakt Vari vernieuwing van theologie en Kerk, wordt men nog zo weinig gewaar van een Christelijke levensvernieuwing.
   Daarom vragen wij: is het wel juist om te zeggen, dat alles nieuw is geworden, dat de mens van heden een andere is dan die van gisteren? Men doet een beroep op de Kerk, velen beijveren zich om de Kerk weer Kerk te doen zijn, wijzen haar de weg, profeteren over haar in een nieuwe theologie, welke zij haar schijnen te willen opdringen.
   Worden de verhoudingen zo eigenlijk niet omgekeerd ?
   De vrees is gewettigd, dat men naar het patroon ener theologie en een daarbij passende organisatie, een kerk wil maken, welke met de hedendaagse omstandigheden schijnt overeen te komen en aan de hedendaagse mens is aangepast.
   Het gevaar is niet denkbeeldig, dat men de moderne mens tegemoet treedt met een aangepast evangelie, dat bij hem ook de laatste rest van verontrusting zou kunnen wegnemen om zich over te geven aan een vals vertrouwen op een vernieuwing, die buiten hem om zou worden voltrokken, ja schoon voltrokken is.
   Spreek niet van zonde en zondeval, niet van Gods toorn over de zonde en een eeuwig oordeel tot de moderne mens, want hij wil dat niet horen!.
   Hij wil een evangelie naar de mens, en dat is het Evangelie der Schriften niet.
   Ook daarin betuigt de mens zich nog altijd de oude zondaar van alle.eeuwen te zijn, die bekering en wedergeboorte nodig heeft, zal hij het Koninkrijk Gods zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IS HET WEL JUIST?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's