EEN DOMINE VERTELT
Het ligt voor de hand, dat het eerste bezoek in een huisgezin er een is van meer informatorische aard. Men vraagt toch al licht, uit hoeveel leden het gezin bestaat. Of de kinderen, die de leeftijd daartoe hebben, de catechisatie bezoeken. Hoe de kerkgang geregeld is. Of Gods Woord gelezen wordt. Alleen, in de machinale afhandeling van zulk een vragenlijstje heb ik in een kleine Gemeente nooit heil gezien. Ik heb er nooit toe kunnen komen, daar bij de mensen als een notaris aan tafel te gaan zitten, om allerlei bijzonderheden in te vullen. Het geeft aan het geheel zoiets koels en een zekere gedwongenheid. Bovendien zijn ons, in geval van een bijgehouden kaartregister, alle gegevens reeds bekend.
Onder de gesprekken door zal men al licht bemerken of er in die huisgezinnen ook waarlijk honger en dorst naar de gerechtigheid is. Is dat het geval, dan is de geestelijke band meteen gelegd, zoals die ook door Gemeente en leraar gevoeld moet worden.
Het was toch wel een schone tijd, waarin wij in vroeger jaren één of twee dagen per week op huisbezoek gingen, totdat al de gezinnen bezocht waren. Dit geschiedde minstens eenmaal per jaar. Men kon het werk overzien. Zeker, daar was ook vaak wel iets eentonigs in, vooral wanneer de glans van het nieuwe er af was en men moest wel eens een overwinning op zichzelf behalen, door toch vol te houden, maar de afwisseling pntbrak somwijlen ook niet. Men kon vier of vijf bezoeken afleggen, zonder iets te beleven. Hel was achter elkander: trouw ter kerk; trouw catechisatiebezoek ; domineesvrienden ; blij met het bezoek. Verder niets! Totdat dan ineens een volgend gezin een geheel andere wereld voor u ontsloot.
Want het behoeft geen vadsigheid te zijn, die u tegen het huisbezoek doet opzien. Het is dikwijls veel meer de gedachte, om altijd weer te moeten stuiten op dat dood, dor historisch geloof. Op dat dood-passieve: „het is alles gegeven goed!", hoe waar ook op zichzelf.
Wat was het dan heerlijk, wanneer men in een gezin belandde, waar oprecht meeleven gevonden werd. Waar men het Woord verstond en bij wijlen door de liefde van Christus gedrongen, mocht getuigen van Zijn grootheid. Het was alsof de stromen des levenden waters u daar op de drempel al tegensprongen. En achteraf gevoeldet gij zelf duidelijk: Ik was daar niet gekomen, om wat te brengen, maar om zelf van Godswege ook weer wat te ontvangen. Daar mochten wij weer op leven en het kon dan weer een paar andere teleurstellingen lijden.
Ook ontmoetten wij wel mensen, die, zonder de beleefdheid uit het oog te verliezen of de vriendelijkheid, precies voor de dag kwamen, zoals zij waren.Wanneer 't dan maar weer niet al te gewoon werd. Haast zou ik hier willen vragen, of lachen zonde is.
Op een avond, heel lang geleden, kwamen wij eens bij iemand op bezoek. Wij liepen eerst over een smal bruggetje, gingen daarna om het huis heen en kwamen „achterom" binnen.
Daar zagen wij iets heel zonderlings : de vader des huizes stond daar met geheel ontbloot bovenlichaam, vlak onder het lamplicht. Een reusachtige „afgedankte" pleister van rogge- of tarwemeel lag vóór hem op de tafel. Twee dochters assisteerden hem; hadden juist de pleister van vaders rug genomen en toebereidselen werden getroffen om een nieuwe gereed te maken.
„Goede avond!" zo klonk onze begroeting: „maar wij storen u, zie ik; wij zullen later wel eens terug komen" .-
„In het geheel niet", sprak de vader: „als het u niet hindert, mij zeker niet! Alleen dat ding daar, op mijn rug, dat hindert mij moer. Als de heren eens zien willen? "
Die uitnodiging konden wij niet alslaan, wilden wij niet onvriendelijk schijnen. Daar aanschouwden wij op 's mans rug een groot, donkerblauw gezwel, dat er onheilspellend genoeg uitzag en onrustbarend veel op kanker geleek.
Wij vroegen of hij dit al lang reeds had? „O, ja", was zijn antwoord; „maar ik ga er niet mee naar een dokter; ik behandel het liever zelf".
Daarmee streek hij plotseling met één veeg zijner hand de gebruikte pleister van het linnen af, midden op tafel. Strooide uit een papieren zak, die er bij stond, wat vers meel er weer op. Voegde het nodige vocht er bij van onder 's mans tong en streek met twee vingers deze substantie dooreen. Keek ons met zulk een gemoedelijke glimlach, ja, ietwat grijnzend af en toe aan, als wilde hij vragen: „versta ik mijn vak, of niet? "
Toen werd het ons beiden eindelijk te machtig. Wij hadden met alle moeite getracht, ons gezicht in de plooi te houden. Maar toen ik de neusvleugels van mijn medebroeder zo verdacht zag trillen (waar let een mens dan al niet op in dergelijke omstandigheden? ), kwam plotseling de uitbarsting.
De man lachte zelf even hard mee en zei heel grappig: „de heren zijn nogal vrolijk!"
Wij konden eenvoudig niet antwoorden.
Zodra wij weer woorden vonden, gaven wij te kennen, toch liever later maar eens terug te willen komen.
Wij hebben die avond geen huisbezoek meer gedaan. Ik hield maar steeds dat lachend gezicht van die man voor mij met zijn wonder gepleister.
Zulke afwisselingen moet men niet te veel beleven.
Al zeg ik niet, dat 't kwaad kan.
Eenmaal maakten wij iets anders mee, dat tragischer was. Wij traden binnen bij 'n echtpaar op leeftijd. De man maakte een versufte indruk. De vrouw deed voornamelijk 't woord. Zij kwam wel ter kerk. De man bijna niet. Later in het geheel niet meer.
„Ik zal 't u maar dadelijk zeggen" — zo begon de vrouw — „mijn man denkt, dat hij betoverd is. Dat is hem niet uit het hoofd te praten".
Ik wendde mij tot de man en zeide: „Kom, kom, dat gelooft gij toch niet? Wie zou u dan betoverd hebben? "
„Dat heeft de duivel gedaan'', gaf hij ten antwoord.
„Nu ja", was ons wederwoord: „in zekere zin zijn wij door eigen schuld allemaal betoverd, omdat wij naar des duivels roepstem hebben geluisterd".
Doch hij scheen hiervan niets te begrijpen. Plotseling stroopte hij de mouw van de jas op, wees op zijn ontblote arm en zeide: „Ziet u dit? " doelende op een grote, gele plek met ruwe uitwassen.
„Dat is schapevet", zo sprak hij; „dat heeft de duivel hier opgetoverd".
„Nu", zo werd hem geantwoord, „als de duivel daar aardigheid in heeft, laat hem zijn gang gaan".
Wij staken de draak er mee. Maar zo dacht hij er niet over.
„O, domine", sprak de vrouw, „ik sta wat uit met die man. Als hij naar bed gaat, neemt hij „Napoleon" mee; dat is een dikke stok, die hij zo noemt. Wanneer hij dan meent, dat de duivel hem verschijnt, slaat hij er mee in 't rond".
„Heeft hij er u nooit mee geraakt? " vroegen wij. Neen, dat was nog nooit gebeurd.
Dit geval was toch tragischer, zei ik. Enige maanden later werd de man verdronken gevonden in een sloot, naast het huis.
Men zou denken: zulke dingen klinken bijna middeleeuws, maar evenzeer mag men vragen, hoeveel waarzegsters in de grote steden nog een rijk bestaan hebben? Het verschil tussen het voorheen en thans in dit opzicht is voor een goed deel daarin gelegen, dat men de dingen nu wat anders noemt.
De gewone regelmaat van telkens wederkerende verschijnselen werd af en toe ook wel eens door wat anders verbroken:
Wij kwamen in een gezin, waar de man en vader des huizes al een tijd lang niet meer had gekerkt. Toen wij naar de redenen vroegen, klonk het: „dat is niet om u, maar ik kan die kerkvoogd (en hij noemde de naam) daar niet in de bank zien zitten. Die man behoort daar niet. Als gij hem kendet, zoals ik, zou u dat ook zeggen. Is het dan niet beter, dat ik maar thuis blijf, want aan de preek heb ik toch niets".
Het was helaas, niet moeilijk om hier de hevige symptomen van haat, hoogmoed en eigenzinnigheid te ontdekken.
Vermoedelijk gold het hier een geval van passering en was die andere als kerkvoogd gekozen, terwijl deze man er zelf op gerekend had.
Ik heb geantwoord, dat ik naar die questie eens een onderzoek zou instellen. Dat dit in elk geval gebeurd was vóór mijn tijd alhier en ik daarvoor dus niet verantwoordelijk was. Dat wij als christen in alles moeten leren, de minste te zijn. Dat wij toch naar de kerk komen en onder Gods Woord neerzitten voor ons zelf en met een ander niet te maken hebben.
Of die kerkvoogd er dan voor hem uit moest? Of hij wel bedacht, hoeveel schade hij zijn eigen ziel en ook zijn gezin berokkende, met thuis te blijven mokken ? Enz....
Hij hoorde alles aan; voor zijn doen zelfs vrij kalm, al zag ik hem af en toe wat rood worden, maar hij volhardde in zijn houding.
Ik zag hem als een Haman, die de Jood Mordechaï niet kon zien zitten in de poort des konings.
En in mijn jonge onervarenheid verwonderde ik mij nog, dat een mens zó met wrok en haat vervuld kan zijn, dat hij een ander niet tegenover zich kan zien zitten in de kerk. Dat hij deze houding halsstarrig volhoudt, gebed of geen gebed, zingen of geen zingen. Woord Gods of geen Woord Gods. En ik dacht: als God iemand bekeert, dan wordt dat meteen wel tegen de grond geslagen; maar zou, naar de mens gesproken, een heiden niet eerder bekeerd worden, dan zo iemand, die jaren lang heeft horen prediken een Christus, Die Zich heeft vernietigd, en die zich van die ganse prediking niets aantrekt, maar brutaal voortgaat, zijn eigen wrok en haat nog te verdedigen en er een rechtmatige glimp aan te geven?
Later leren wij wel, dat een hatend mens wel wat meer kan hebben dan een ernstige vermaning van een predikant.
Dergelijke vermaningen ontwijken sommigen niet eens meer, maar laten ze als buien gemakkelijk over zich heen gaan in de gedachte: „nu ja, dominees zijn er voor, om een mens te waarschuwen; zij moeten dat nu eenmaal doen".
Op de lange duur raken wij over die verwondering wel heen. Dat wil echter niet zeggen, dat wij zwijgen moeten, wanneer mensen, die zich christen noemen, nog zo vaak over ereplaatsen twisten. En dat in de Kerk, die naar Christus' Naam genoemd is.
Neen, die man in mijn eerste gemeente vormde ook al weer geen verschijnsel op zichzelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's