De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

8 minuten leestijd

XIV. OP HUISBEZOEK

   Een ander geval: Wij kwamen in een gezin, waarin nog kort geleden de vrouw en moeder gestorven was. Zij was heengegaan in de volle verzekerdheid des geloofs. De vader en dochter waren overgebleven.
   De ouderling waarschuwde mij, dat ik de man niet geloven moest in al wat hij vertelde. Hij had zich namelijk de gewoonte eigen gemaakt, om te spreken in de taal, waarmee zijn vrouw hier op aarde God had verheerlijkt. Hij praatte haar precies na.
   Bij het eerste bezoek heb ik dit maar zo gelaten, daar ik zelf het toch niet bewijzen kon, dat hij een naprater was. Zo iets moet men zelf ook hebben kunnen constateren.
   Spoedig echter kwam ik er weer, daar de man ziek werd. Bij één van die bezoeken liep het toen in zoverre mis, dat ik hem op de daad attrapteerde.
   Hij sprak zulke schone dingen uit, dat ik hem meteen maar vroeg of hij dit alles zelf ondervonden had, dan wel napraatte van zijn overleden vrouw. Ik zei hem namelijk, van haar heerlijk heengaan te hebben vernomen.
   Groot was zijn gramschap. Hij voelde zich ontmaskerd en wilde mij niet meer aanhoren.
   De huichelaar heeft één zwak punt : van zijn masker moet gij afblijven.
   Dat was er nu nog maar één. Is het gehele wereldleven niet één grote maskerade? Maar de „christelijke" is toch wel de ergste, die men zich denken kan.
   Wat in mijn eerste Gemeente ook een aangename afwisseling vormde, dat was het huisbezoek aan de overzijde van de plas. Daar lag namelijk nog een hele buurtschap, die kerkelijk althans bij onze Gemeente behoorde.
   Een gedeelte van de bewoners kwam nog per rijtuig schier elke Zondag ter kerk; een ander deel evenwel kerkte in een plaats, wat dichterbij gelegen.
   Toch waren al deze mensen nog zeer op een bezoek gesteld. Zij hadden met ons nog kerkelijk saamhorigheidsgevoel en al vonden wij de kerkelijke grenzen vrij zonderling, wij voelden ons toch verplicht deze band aan te houden. Wanneer het dan een mooie dag beloofde te worden, vroeg één van de Ouderlingen de avond van tevoren: „Domine, hoe is het? gaan wij morgen varen? "
   Antwoord was dan haast overbodig. De volgende morgen gingen wij al bijtijds op weg. De boot lag al roei- en zeilklaar. Hadden wij het windje mee, dan werd het zeil opgezet ; anders op de terugtocht.
   Wat was dat heerlijk, zo'n fris watertochtje. Boven ons de blauwe zomerhemel. Rondom ons de kabbelende golfjes en het fluisterend lispelend riet.
   Af en toe voeren wij door nauwe rietgangen heen. Wilde eenden of waterhoentjes stoven dan vaak verschrikt uiteen, in grote ergernis over die menselijke indringers, die zich niet ontzagen, te komen neuzen in hun intieme plekjes.
   Het volgend ogenblik kwamen wij weer op open, volle ruimte ; op grote, wijde watervlakten, met zonnegoud overgoten, aan alle kanten met donkergroene rietplekken omzoomd.
   Wij zagen tal van eilandjes, waarop de mensen druk bezig waren, het gebaggerde veen gelijk te maken. Op andere plaatsen werd het al in repen gestoken over langs en over dwars. Op weer andere werd de turf op kleine hoopjes gezet, opdat de wind vrij overal door spelen kon. Was later alles droog, dan werd de eindstapel opgezet.
   Een echt vrolijk werk daar midden in de zon, dat leven en vertier gaf en ons onwillekeurig mee tot opgewektheid aanstak.
   Hoe aardig klonk 's avonds, bij het-huiswaarts keren, dat neuriënd zingen der roeiers op de maat van hun eigen riemslag. Het ruime waterklankbord droeg de woorden zelfs op grote afstand helder tot ons over.
   Er was één man, die al maar zong, dat Japie getrouwd was en in de misère zat. Toen hij eindelijk heel dichtbij was gekomen en ons herkende, hield hij plotseling als geschrokken op. Hij keek of hij „betrapt" was en groette wat bedremmeld. Eindelijk kwamen wij aan de overzijde. Wij waren vrijwel recht overgestoken en voeren thans door enkele brede sloten, totdat wij de boot vastlegden bij een kapitale boerderij.
   Men had ons reeds opgemerkt. Er kwamen bewoners uit het huis, om ons te verwelkomen. Dat was waarlijk innemend. Men kreeg bijna een gevoel of men op familiebezoek kwam.
   De koffie was spoedig gereed en meteen werden wij uitgenodigd, om straks mee te middagmalen. Dat moesten wij evenwel afslaan, daar wij liefst eerst verder op gingen, om dan tegen de avond van hieruit weer te vertrekken.
   Zo goed waren wij echter niet of wij moesten toch ook de boerderij bezien met hare rijkdommen. Het vee liep trouwens in de wei.
   Dat was nu alles wel heel mooi, maar.... ons doel was toch eigenlijk : kerkelijk huisbezoek. Wij waren gekomen, niet om achter de veestapel aan te lopen en vee en vet te prijzen, maar om naar 's mensen geestelijke welstand te vernemen. Wij behoefden er wel niet met de deur in huis mee te vallen, maar het begon nu toch tijd er voor te worden.
   Wij hebben ondervonden, dat het wel heel moeilijk is, een boerderij te bezichtigen en over geestelijke dingen te spreken. Het eerste is een beletsel voor het tweede.
   Ik zeg niet, dat het zonde is, om ook eens naar een mooie veestapel te kijken, maar om dan van het rundvee en de zwijnen weer af te komen en op de dingen van Gods Koninkrijk over te springen !
   Vooral, wanneer een domine alleen gaat, dan is hij in dit opzicht menigmaal „weg", voor hij het weet.
   Zij kunnen hem zo handig bezighouden met allerlei en hij kan vaak niet aan de slag komen, ook als hij het wil. En straks komt er dan een ogenblik, waarop hij het liever zelf ook niet meer wil. Hij maakt zich wijs, dat hij over geestelijke dingen later wel eens zal spreken. Dan is hij helemaal „weg".
   Hij wordt dan tijdens het bezoek „boer met de boeren", maar meer ook niet.
   Hij kan dan de naam krijgen, een echte „boerendomine" te zijn, maar dat is een twijfelachtige eer.
   Meer dan eens heb ik die moeilijkheden gevoeld. Was het aan de avond, eigenlijk wel een mooie dag geweest, wanneer wij, nu ja, heerlijk gezeild hadden en weelderige rijkdommen in ogenschouw hadden genomen, maar de éne Naam onder de hemel zo weinig, of zo terloops slechts hadden genoemd?
   Gelukkig, wanneer een aanwezige Ouderling, ook al zou hij in alle talen zwijgen, nog wel eens een middel voor ons is, om ons aan het doel onzer komst te herinneren. En niet alleen ons, maar óok het gezin, dat wij bezoeken.
   Dat is vooral in de buitenwijken heel nodig. Want de mensen voelen zich daar nog wel lid van de plaatselijke Gemeente, maar zij wonen ver af en kerken nogal eens elders. Gij kunt met hen dus niet praten over een onderwerp uit de Heilige Schrift, waarover gij nog kort geleden preektet. Zij hoorden dat immers niet. Dat beperkt ook al onze stof.
   Vooral, wanneer de domine later eens alleen gaat, dan mag hij wel toezien, dat hij in al te grote f amiliariteit nu weer niet omver werpt wat hij in het bijzijn van een Ouderling met zoveel ernst placht uit te spreken; want dan zou dat bezochte gemeentelid in zijn spraakgebruik wel eens kunnen zeggen : „Het gaat domine als een koe, die met haar eigen poten de emmer met melk weer omtrapt".
   Laat men bij huisbezoek er niet op rekenen, dat de mensen zelf zullen beginnen over de dingen van Gods Koninkrijk. Gij kunt er zeer spraakzame mensen ontmoeten, die van alle aardse markten thuis zijn en in de omgang allergezelligst, maar als gij over de dingen van Gods Koninkrijk begint, zwijgen zij soms als het graf. Het is alsof zij wachten wanneer het afgelopen is, opdat zij daarna weer kunnen overgaan tot de orde van de dag.
   Anderen zijn er, die nogal eens een afwachtende houding aannemen, omdat zij bang zijn, zich te verspreken.
   Ook kruipt men wel eens weg achter een Dekeerde vader of een bekeerde moeder, door van hem of haar wat te gaan vertellen. Dat komt vooral in de dorpen voor.
   Ook zijn er gemeenteleden, die over het leven des geloofs nooit spreken, maar die wel precies op de hoogte zijn van de kerkelijke toestanden. Zij hebben vele predikanten in de kerkberichten gevolgd in hun verhuizen van de ene plaats naar de andere. Zij weten nauwkeurig, hoe lang die domine daar of daar stond. Dat is nu hun studie. Of daar nu ook belangstelling achter steekt voor geestelijke zaken. Wie zal het zeggen? Het kan wel zo zijn. Daar blijven altijd mensen, wier natuur het meebrengt, zich over zichzelf niet uit te laten. Daarom kan er nog wel belangstelling bij de zodanigen zijn. Het ligt niet aan ons, dat te beoordelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's