De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IS DAT WEL IN ORDE?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IS DAT WEL IN ORDE?

6 minuten leestijd

   Artikel XHI van de kerkorde bepaalt, dat wijzigingen in het kerkboek, met uitzondering van de kerkorde, worden vastgesteld door de generale synode, die deze, na haar in eerste lezing te hebben vastgesteld en ten minste zes maanden tevoren ter kennis te hebben gebracht van de gemeenten en haar leden, aan de classicale vergaderingen ter consideratie voorlegt, waarna de vaststelling van de tweede lezing en de eindstemming daarover plaats vinden op gelijke wijze, als is aangegeven voor het aanbrengen van veranderingen in de kerkorde.
  
   Tot het kerkboek behoren volgens ditzelfde artikel : het psalm- en gezangboek het dienstboek het belijdenis- en leerboek en de kerkorde.
  
    Ook wijzigingen vallen derhalve onder deze bepalingen.
   Maar nu is er nog geen dienstboek. Er is slechts een ontwerp, dat ten dele in de synode van Juni 1950 werd behandeld, ten dele op groen papier, zijnde nog niet behandeld, ter kennisneming in de kerk werd gegeven (16 Juni 1950).
   Op 20 Juli 1950 bood de generale synode een proeve van omschrijving Hervormde kerkdienst aan, waarover het oordeel werd gevraagd uiterlijk vóór 31 December 1951.
   In deze omschrijving (blz, 15) wordt het als een open vraag gesteld, of de binding aan het dienstboek ook als de tien jaren van het toetsend gebruik in de praktijk (wij cursiveren) zullen verstreken zijn, zo strikt zal kunnen zijn als de kerkorde en enkele ordinanties ten deze in eerste lezing suggereert Reeds nu is vast te stellen, zo luidt het verder, dat naar het inzicht der synode, de wijze, waarop de kerk in de eredienst vorm geeft aan haar belijden, uiteraard groter speelruimte laat dan de uitdrukking van de Waarheid Gods in een belijdenisgeschrift.
  
   Vanwege de synode wordt hier dus uitgesproken, dat het dienstboek een vorm van belijden is. In de tweede plaats wordt daarbij gezegd, dat het groter speelruimte laat dan een belijdenisgeschrift. Het dienstboek wordt daarmede als een belijdend geschrift aangemerkt met grotere speelruimte als een belijdenisgeschrift.
   Ten allen tijde heeft men de liturgische formulieren onder de belijdende geschriften gerekend. Wat echter die grotere speelruimte aangaat, moet worden opgemerkt, dat de liturgische formulieren niet een andere belijdenis mogen brengen dan die der confessie.
   Reeds uit dien hoofde is het niet zonder bedenking, dat men van grotere speelruimte gewaagt. Dat zou er op wijzen, dat de belijdenis­ geschriften voor personen of groepen in de kerk te eng zijn in hun uitdrukking van de „Waarheid Gods", zoals de omschrijving zich uitdrukt.
   Men mag hieruit nemen, dat het ontwerpdienstboek opzettelijk ruimte maakt voor wie dat wensen.
   Nadere beschouwing van het dienstboek kan uitwijzen, in hoeverre die speelruimte wijziging betekent van de kerkelijke belijdenis. En dat zulks niet slechts denkbeeldig is, kan reeds spoedig blijken, als men de aandacht vestigt op hetgeen uit de oude formulieren hier en daar wordt weggelaten of op andere wijze omschreven.
   Het vermoeden wordt zelfs uitgesproken, dat de voorgestelde speelruimte na tien jaren praktijk nog niet voldoende zal worden geacht, zodat de binding aan het dienstboek niet zo strikt zal kunnen zijn als de kerkorde onderstelt.
   Wij gaan op het dienstboek zelf hier niet in, maar stellen de vraag, of de handelingen met het dienstboek wel juist zijn.
   Ten eerste het belijdend karakter van het dienstboek en wat in dit verband zo mogelijk nog meer zegt, de speelruimte in belijden, welke het wil geven.
   Het een met het ander kan geenszins rechtvaardigen, dat men het ontwerp-dienstboek voor een aantal jaren „in toetsend gebruik in de practijk" geeft. Zulks in afwijking van art. XIII van de kerkorde.
   Men kan zich daarbij niet beroepen op het feit, dat de kerkorde destijds, toen men over het dienstboek handelde, nog niet was aangenomen. Vooreerst lag het ontwerp-kerkorde daar en lag het voor de hand, dat men ten aanzien van belijdenisaangelegenheden de weg van art. XIII zou hebben te volgen. Voorts was men niet in het onzekere, dat 't dienstboek met , .het belijden" der kerk wat heeft uit te staan. Het is ook moeilijk aan te nemen, dat de toenmalige leiding niet heeft ingezien, dat de toenmalige synode onbevoegd was om wijzigingen in de belijdenis (of zo men wil in het belijden der kerk) aan te brengen.
   Ook zelfs de redactie van artikel X der kerkorde is van uit het standpunt van gereformeerd kerkrecht aanvechtbaar, in zover het niet zonder meer binding aan de belijdenis der kerk voorschrijft of — wat voor de kerkorde nog beter ware geweest — rondweg onderstelt. Een en ander ware meer in overeenstemming geweest met de opdracht van de interim-synode tot voorbereiding van een nieuwe kerkorde. Thans heeft het er meer van, dat men een nieuw-belijden heeft willen voorbereiden.
   En hoe moet men nu oordelen over de methode, welke thans met het dienstboek — in afwijking van het bepaalde van art. XIII der kerkorde — wordt gevolgd ? Wij kunnen die vraag ook uitbreiden over de Proeve van omschrijving van „De Hervormde Kerkdienst" en andere geschriften.
   Immers ook deze „Proeve" valt op verschillende punten onder critiek van de gereformeerde belijdenis.
   Op deze wijze brengt men welbewust geschriften met een belijdend karakter aangaande de kerk en de kerkedienst in de kerk en geeft die zelfs ten gebruike in de practijk buiten de voorgeschreven kerkelijke behandeling om.
   Al mag „overgangsrecht" onder het moeilijkste recht worden gerekend, kan toch de overgangsbepaling 186 o.i. deze bezwaren niet wegnemen. Vooreerst is deze bepaling niet in overeenstemming met art. XIII der kerkorde.
   Ten tweede wordt het recht van de interimsynode betwist om de Generale Synode te binden aan een procedure, welke is blootgesteld aan de beschuldiging van onwettigheid. Ten derde behoeft de Generale Synode geen binding te aanvaarden aan zulk een procedure, omdat art. XIII wel eist „ter kennis brengen" maar niet weet van een „in het gebruik toetsen".
   Reeds in het algemeen verdient zulk een methode geen aanbeveling in de regering der kerk, en in het bijzonder in belijdenisaangelegenheden is zij afkeuringswaardig.
   Het dienstboek, dat men ten gebruike geeft, is geen dienstboek, want het is niet wettig vastgesteld en aangenon^en. En, indien men al te grote vrijheid en willekeur op het stuk van liturgie en belijden wil beperken, mist het zijn doel, omdat niemand kan gebonden worden aan een dienstboek, dat geen dienstboek is. Dat wordt trouwens ook zo gevoeld en volgens bovengenoemde „Proeve" vermoedt men nu reeds, dat men de voorgeschreven binding niet zal kunnen handhaven, als het wél dienst­boek zal zijn (! ? ).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IS DAT WEL IN ORDE?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's