DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
Als ik op een hoorn wou blazen, zou het zeker tot heel in jouw land gehoord worden, maar ik laat dat, want het zou de wereld al te erg verschrikken.
Dan, och lacy, waarom kraam ik ook al die geleerdheid uit : je zult maar duizelen van mijn ontzaglijke kennis in oude en nieuwe historie, 't Enige, waarop ik je slechts wil wijzen is, dat je voor mijn persoon respect moet hebben. Daarom nog eens: zeg mij na:
„Hooghe peerden,
Blancke sweerden,
Rasch van der hant,
Dat sijn de snaphanen van Gelderlant".
Hiermede besluit de nar, een afwachtende houding aannemend, zijn lange redevoering, die wel al en toe onzinnig lijkt, doch niettemin blijk geeft dat de spreker in ontwikkeling en kennis ver boven de meeste zijner Gelderse tijdgenoten uitsteekt en zeker door zijn grappige zetten de lachers wel op zijn hand zal hebben, als hij er zich op toelegt.
De neger, nog steeds grinnekend, schijnt ietwat verbaasd over het gehoorde en ook wel een weinig ontzag gekregen te hebben voor het nietige persoontje, dat met zoveel nadruk spreekt over allerlei dingen en personen. Tenminste, hij doet thans inderdaad zijn best om het zogenaamde lijfdeuntje der Gelderse wapenknechten na te zeggen:
„Hooghe peren, Blancke sweren, Rask "
Ach! ik al weer vergeten hebben! Niet kunnen meer! "
Verslagen en half smekend ziet de grote man de nar aan.
En om het radbraken der woorden èn om de ongeveinsde verlegenheid van de reus, wien het heden onmogelijk schijnt in het optreden van de nar iets anders dan ernst te zien, stijgt de jongensachtige vrolijkheid der pages ten top. Uitgelaten klappen zij in de handen.
„Bij Sint Maarten!" roept éen hunner; „die zot is onbetaalbaar!, "
,, Stil, stil, jonker roep die Heilige niet aan!" waarschuwt de kleine man op ernstige toon, hoewel zijn tintelende oogjes zijn ernst duidelijk logenstraffen. „Noem dan liever een andere Sant, al was het Sint Nepomuk! Want het zal tegenwoordig nog gevaarlijk worden bij die Heiligen te zweren, sinds die monnik in Duitsland — je kent hem immers wel? — met die nieuwe ketterij is begonnen. Maarten heet hij. Maarten Luther, naar de heilige Martinus. — Neen, kijk nu maar niet zo boos, omdat ik je waarschuw, want ik weet heel goed, dat er ook wel eens een suspect boeksken van die goddeloze monnik in uw handen is verzeild; maar ik zal het niemand vertellen, niemand, zelfs gindse parter niet, al wou hij me bij de Heilige Vader en de Keizer voordragen tot bisschop van het Sticht! Want, eilacy! ik ben toch bang, dat ik niet voor bisschop zou deugen. Dan moet je tegenwoordig witte gal hebben, weet u. Jelui schijnt wel gele gal te bezitten, want dan is men altijd gezond en goed geluimd, zei korts een heel geleerd doctoor. Met mij is 't anders gesteld: nu eens is mijn gal geel, dan weer zwart, dat voel ik wel, want soms ben ik heel vrolijk als het haantje van de Eusebius-toren, wanneer het als een eekhoorntje ronddraait, en dan weer erg ontstemd en treurig, als een haring, die levend gekookt wordt.
Dus nóg eens: ik zou niet voor bisschop deugen, helemaal niet; want dan moet je zuiver witte gal hebben, d.w.z. je moet niets dan goeds denken, altijd de waarheid zeggen, iedereen goed behandelen, en geen logen of heresie dulden. Nu, zó braaf ben ik niet: als ik voelde, dat op een moment m'n gal geel was, ik zou geen enkele ketter een haar kunnen deren. Fij! hoe malicieus en vileijnig zou dat wezen!
Maar die Eerwaarde en HoogEerwaarde Vaders zijn wèl altijd zo; tenminste, zo zeggen ze, en dan moeten de leken het wel geloven. Daarom vervolgen zij alles, wat naar ketterij riekt. En daar hebben ze wel gelijk in. Zij moeten de boze wereld wel van onkruid zuiveren. Maar dit zegt ik jelui in vertrouwen: als ze goed aan 't zuiveren gingen en alles op een heel grote zeeft wierpen en er dan op 't laatst zelf bij gingen zitten — ik bedoel op het zeeft, dan haha! wellicht vloog er menig hoop en minder hoog prelaatjen met het kaf mee! "
„Ho-ho, man!" roept thans een der jonkers; „laat dat je biechtvader niet horen!" „Mijn biechtvader? — Maar wat miszeg ik dan? Ge moet nog het verstand krijgen, en eerst zoveel karrepap 9) gegeten hebben als ik, om over zulke ingewikkelde zaken goed te kunnen oordelen, begrijp ik. Daar heb je sinjeur Maurits Mauritsz Pannekoek 10), die zou me beter verstaan, dat 's ook iemand met zuiver gele gal. Die zou zeggen: „Begrepen, compaan". Want heb ik niet zelf gezegd, dat het zeker goed zal zijn, om die vermaledijde ketters te vervolgen ? En heb ik gisteren nog niet gezegd, toen die twee zotten hier in Arnhem om den gelove werden gevangen gezet: „Haha! sapristi! dat is nu eens een recht vrome daad verricht, veel dapperder werk dan toen vóór enkele jaren Maarten van Rossem, die ginds zo grimmig naar ons staat te kijken, met enige snorrebaarden van de „Zwarte Bende" diep in het vijandelijke land toog en Den Haghe in brand ging steken? En .......
(Wordt vervolgd).
9) Karnemelkspap.
10) Een rentmeester en gunsteling van Karel van Gelder. Hij prees bij zijn medeburgers de werken van Luther aan en werd hierom door zijn vorst schriftelijk berispt. 13)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's