Een dominé vertelt
Een eigenaardig geval maakte ik eens mee in mijn eerste Gemeente. Wij kwamen op huisbezoek bij een oud vrouwtje. Of zij de afstand naar de kerk nog kon afleggen, weet ik niet. In elk geval kwam zij in Gods huis niet meer; Zij woonde alleen.
Toen ik haar naar een en ander vroeg, gaf zij op bescheiden wijze ten antwoord : „Och domine ik mag daar toch immers niet komen, want ik ben geschrapt uit het boek van de Kerk ; maar dit weet ik toch, dat ik daar boven niet geschrapt ben".
Ik vroeg aan de ouderling, wat hier gebeurd was. Het was hem onbekend. Na enig onderzoek werden wij gewaar, dat aan deze vrouw, ongeveer acht jaar geleden, het Heilig Avondmaal was ontzegd, wegens verkeerd levensgedrag. Zij had hieruit begrepen, dat zij als lidmate geschrapt was, hetgeen niet het geval was. Blijkbaar had niemand hier verder werk van gemaakt en zo was deze toestand tot heden ongewijzigd gebleven.
Wat curieuze methode inzake de uitoefening van censuur !
Hoe stelt men zich dat toch voor, wanneer iemand voor éénmaal de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzegd wordt ? Dat die persoon dan eenvoudig wegblijft van de Tafel des Heeren en dan een volgende maal weer komen mag zonder dat er iets gebeurd is ? Dat alles dan verder weer van zelf loopt ? Dat kan toch niet !
Hij of zij, die schuldig is, zal toch de schuld belijden moeten, want anders kan de censuur niet opgeheven worden. (Het is met kerkelijke censuur tooh iets anders, dan met de straf, die een rechter oplegt. Ook al bekende de schuldige niet, hij zal toch, na de straf tehebben uitgezeten, weer in vrijheid heengaan).
Maar wanneer de schuld wel beleden is, zal de Kerkeraad toch ook moeten verklaren, dat de censuur opgeheven is, opdat men wete, waar men aan toe is. Misschien heeft deze vrouw, acht jaar geleden, eerst schuld beleden, vóór haar de kerkelijke straf werd opgelegd. Dan had men daarnaar toch wel eens informeren mogen of zij het niet verkeerd begrepen had.
Ik heb aan die vrouw gezegd, dat zij gerust mocht komen onder het Woord en niet geschrapt was. En later : dat die censuur al lang was opgeheven.
De arbeid in het kleine fabrieksstadje begon al aardig op het grote stadswerk te gelijken en vormde daartoe meteen de voorbereiding.
Niet zonder een tikje vrolijkheid herinner ik mij nog die ijverige ouderling, die eerst wel eens een beetje lastig kon zijn, omdat hij in geestelijke arbeidswoede niet Le temmen was, doch later zo mak als een lammetje werd. Op een Donderdagmorgen om 9 uur waren wij eens op huisbezoek getogen. Wij hielden vol tot des middags 4 uur (ons twaalf uurtje hadden wij even bij vrienden gebruikt). Daarna begon ik meer en meer de vermoeidheidssymptomen te bespeuren en gaf ik het verlangen te kennen, het voor vandaag er bij te laten en naar huis te gaan.
„Nu al? " zo riep onze broeder. „En daar heb ik nu de hele dag om verlet".
„Het spijt mij", was mijn antwoord, „maar 't is mijn tijd. Mijn hoofd begint mij te waarschuwen".
Dus wij gingen, maar met de afspraak : „de volgende Donderdag verder!"
Een week later gingen wij weer.
Hoe dat nu zo kwam? Of hel kwam, ondat ik de ouderling eens wat meer liet praten en verschillende „rebussen" alleen liet oplossen? Hem wel eens even alleen liet zitten in dingen, waarover hij duchtig doordenken moest? Eén ding is zeker: dat ik om 4 uur nu eens niet vermoeid was en dat wij voort bleven gaan.
Om half 5 vroeg onze broeder terloops : „Moet u niet naar huis? "
„O, neen, een paar uur kan het nog wel", moest hij horen. Tot 7 uur hebben wij het volgehouden.
Des Zondags vóór de Dienst kon deze broeder niet nalaten, nog even op te merken:
„Domine, domine, wat was ik Donderdagavond moe; ik kon 's avonds geen spa meer in de grond krijgen.
„Ik wist niet, dat huisbezoek zo vermoeiend was".
Dat was tenminste een eerlijke bekentenis.
Och ja, men kan van spitten moe worden; maar ook van huisbezoek. Met geestelijke dingen bezig te zijn, vergt ook nog wat van het vlees.
Men moet het ook niet altijd geloven, wanneer de mensen wel eens zeggen: „Al had de kerk nog een uur langer geduurd, het zou ons niet verveeld hebben".
Ik geloof wel, dat zij dat menen, maar ik zou het er toch niet gaarne op wagen. Want die het het hardst zeggen, plegen wel eens het eerst in slaap te vallen. Maar ook daarom niet, omdat ik maar in nodeloze herhalingen zou vallen.
Ik heb ook nooit kunnen begrijpen, hoe vele mensen op een Zendingsdag daar de gehele dag op hun gehuurde stoeltje kunnen zitten en de ene spreker na de andere geduldig aanhoren. Het zijn beschamende hoorders.
„Zouden zij dat nu alles verwerken? " heb ik wel eens gedacht. Maar dat te- denken zal zeker wel hierin zijn oorzaak vinden, dat dominees lastige hoorders zijn. En nog al eens heen en weer lopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's