KERKHERVORMING
31 October, de dag, waarop wij de kerkhervorming plegen te herdenken. Ruim vier eeuwen zijn sedert die dag verlopen (1517), waarop Luther zijn stellingen aanplakte aan de deur van de kerk te Wittenberg. Een daad, welke uiting gaf aan wat in veler harten leefde : n.l. een zucht naar bevrijding van wat men bewust of onbewust niet langer dragen wilde, terwijl bij velen deze vrijheidsdrang werd gewekt en aangevuurd door een begeerte naar de enige troost in leven en sterven, waarvan onze Catechismus gewaagt.
Het zaad des Evangelies door de voorlopers der Reformatie uitgestrooid, was rijkelijk ontkiemd, daar de Geest des Heeren, die in het verborgene werkt, krachtig mede wrocht.
Dit toch werd openbaar, toen Luther openlijk brak met de heersende leer door zijn bezwaren voor de wereld bekend te maken. Hij stond niet alleen. In Duitsland niet en in heel West-Europa niet. Wat in het verborgene was voorbereid, trad aan het licht. Wat in Luther's ziel beroering had gebracht, bleek de belevenis van velen te zijn. Er was behoefte aan echte levensvernieuwing, behoefte aan het levende Woord Gods, behoefte aan het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid in de openbaring van de gerechtigheid Gods van de enige algenoegzame Hogepriester Jezus Christus.
Daarom liep het volk te hoop, waar dat Evangelie werd verkondigd, en schaarde het zich achter de banier des Kruises, waar deze werd opgeheven, zodat kerkelijke en politieke machten zich opmaakten om te vuur en te zwaard de nieuwe leer te weerstaan en zo mogelijk uit te roeien.
Immers heel de saamleving scheen op haar grondvesten te schudden en blootgesteld aan de verwoestingen van een geestelijke macht, die het kerkelijke en burgerlijke gezag slechts als revolutionair kon beoordelen.
De pauselijke ban, door keizers weleer gevreesd, en keizerlijke plakkaten, welke dreigden met pijniging en gruwzame dood weerhielden ook de geringsten uit het volk niet om te volharden in het geloof, en daaruit openlijk te getuigen.
Ruim vier eeuwen zijn sedert dien voorbijgegaan, wier geschiedenis kan gewagen van de grote zegeningen op het leven der volkeren uitgegaan.
En nu beginnen wij niet met de vrome klacht te uiten : Hoe is het goud verdonkerd !
Zonder tegenspraak, het goud is verdonkerd en de kracht schijnt vergaan. Doch in geen enkele eeuw bleef de kerk in stand door de trouw en de vroomheid en de goede werken der jnensen. Als wij zien op de mensen, op hun werken, dan is het ons een wonder, dat er nog een kerk in de wereld is. Want de mensen schijnen niets anders te doen dan de kerk verwoesten en afbreken.
Wij danken het alleen aan de genade Gods, dat de kerk in stand wordt gehouden.
Lees de oude schrijvers maar, zij hebben vaak dezelfde klachten die wij ook in onze tijd horen. Of laast gij nimmer een preek van oude datum, welke, ook uit dit oogpunt beschouwd, in onze tijd nog volkomen toepasselijk is ?
Als wij op de klachten en vermaningen uit het verleden letten, schijnt het wel, dat het al tijd droevig gesteld is geweest met de geestelijke welstand van het kerkelijk leven. De mens echter ziet aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan en Hij vervult Zijn Raad.
Zo wordt anderzijds het kerkelijk leven in de tijd der Reformatie niet zelden geïdealiseerd, alsof het toen alles gedegen goud was.
Desondanks is de Reformatie toch wel een heel bijzonder gebeuren geweest, een wonder van de vernieuwende kracht van Gods Geest en daarom van terugkeer naar de Bron des levens. Wegens de echtheid en geestelijke diepgang was de Reformatie niet slechts een bewuste terugkeer naar de oude Christelijke Kerk en haar belijdenis, maar zij wist zich geestelijk één met haar, zodat zij het heilige van het onheilige vermocht tn onderscheiden.
Daarom kunnen wij ons niet vinden met degenen, wier oecumenische gerichtheid er toe schijnt te neigen de verschilpunten tussen Rome en de Reformatie te nivelleren. Gemeten naar de ingezonken toestand, welke een voortdurende deformatie heeft doen ontstaan, is er wellicht enige verklaring voor dat streven te vinden. Een gedeformeerd protestantisme geeft echter een slecht beeld van de Reformatie.
Ook de heilloze ontkerstening onzer dagen brengt factoren in het spel, die er toe medewerken het kerkelijk Christendom, Rooms en niet-Rooms onder één gezichtspunt te doen zien.
En er zijn er nog altoos, die haastelijk gereed staan om dr. Kuyper zijn coalitie-politiek te verwijten, terwijl zij in kerkelijke zaken veel verder neigen te gaan.
Zolang Rome zich niet bekeert van zijn dwalingen, gelijk dit in de tijd der Reformatie is geschied in zoverre het Pausdom en de valse leer werden afgeschud, blijft er een diepe klove tussen Roomse leer en reformatorische belijdenis.
Om dit duidelijk te zien, moet men echter geen maatstaf ontlenen aan wat zich in onze dagen als Protestant of Evaiigelische aandient, maar aan de'belijdenis der Reformatie zelf en aan de uiteenzetting der Christelijke religie van Calvijn.
Daartegen kan men wel opmerken, dat Calvijn nooit bedoeld heeft voor eens en voor altijd de leer des Evangelies vast te stellen of op te stellen. Dat zal wel zo zijn, maar hij heeft zeker ook niet bedoeld, dat de kerk der Reformatie zich wederom onder het Pausdom zou schikken en de mispractijk herstellen.
Zo zijn er in onze tijd ook, die zich beklagen over confessionele verstijving binnen het gereformeerd protestantisme. Zij zijn van oordeel, dat reformatie voortdurende vernieuwing zou betekenen en dat zulks nodig zou zijn.
Een beetje gelijk hebben zij wel. De individuele gelovige heeft dagelijkse bekering nodig. Dat kan echter nooit betekenen, dat de nieuwe mens altijd weer vernieuwd moet worden, maar dat hij dagelijks met de oude zoudenatuur te worstelen heeft.
De vernieuwing in Christus is geen vernieuwing van de vernieuwing, en zo voort tot telkens hogere macht.
Welnu, zoals het met de individuele gelovige is, zo is het ook met de kerk. Zij heeft behoefte aan dagelijkse bekering, zo men wil aan voortdurende reformatie, voortdurende terugkeer tot het ware leven der kerk in Christus Jezus. Maar dat leven der kerk uit het Woord en door de Geest van Christus blijft zich zelf gelijk en blijft zich ook gelijk in de belijdenis van dat leven.
Daarom is een proeve van hernieuwd reformatorisch belijden als ons in Fundamenten en Perspectieven werd geboden — en het Dienstboek draagt daarvan ook de kenmerken •— een ongelukkig voorbeeld. Hierin is niet een opnieuw belijden van het reformatorisch geloof, maar een anders belijden, waarvan het terecht de vraag mag zijn, of dat altijd wel past in de enigheid des geloofs, welke met de gemeenschap met het geloof der vaderen overeenkomt.
Calvijn legde de belijdenis der oude kerk ten grondslag a^n zijn Onderwijzing in de Christelijke religie en volhardde bij die belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's