DE VROUW EN HET KIESRECHT
Hoe staat het nu, vraagt iemand mij, in November moeten verkiezingen worden gehouden, kiezen de vrouwen mee of niet ?
Wij hebben reeds een en andermaal over deze kwestie geschreven.
Aangezien de vraag gaat over het deelnemen der vrouwen aan de verkiezing, dus het z.g. actieve kiesrecht, zullen wij over het passieve ditmaal niet veel zeggen.
Wij mogen aannemen, dat er onder ons genoegzame eenstemmigheid is over dit punt ; n.l. dat het regeerambt door de Heilige Schrift aan de man wordt toegewezen en dat de vrouw daartoe in het algemeen niet is geroepen, maar slechts bij uitzondering de plaats van de man bekleedt. Voor onze argumenten verwijzen wij thans naar de betreffende artikelen in vroegere nummers van ons orgaan.
Ten aanzien van het deelnemen der vrouw aan de verkiezingen is de eenstemmigheid niet zo algemeen. Dit heeft mede zijn oorzaak in het kerkelijk kiesstelsel, dat onder de organisatie van 1816 ingang vond en in navolging van het politieke kiesrecht ook in de kerk voor de vrouw de weg naar de stembus opende. Als lidmaat werd zij stemgerechtigd.
Wij achten dit een symptoom van verburgerlijking, hetwelk minder aangevochten werd dan in de kerkelijke saamleving wel mocht verwacht worden.
Men kan immers de vraag van het actieve kiesrecht bezien in het licht van de regeringsaangelegenheden en het regeringsbesluit. Het actieve kiesrecht beslist over de vraag, hoe de regering zal worden geregeld, en welke personen tot de regering zullen worden geroepen. Persoonlijk zijn wij geneigd tot de volgende redenering :
De vrouw is in het algemeen niet geroepen tot het regeerambt, derhalve onthoudt zij zich ook van de verkiezing van ambtsdragers.
Dat wil op zich zelf nog heel niet zeggen, dat de vrouw in de kerkelijke (en ook in de politieke saamleving haar invloed niet zal en kan uitoefenen op de verkiezingen. De kerk is immers niet slechts een vergadering van personen, die overigens los van elkander staan, maar wij zien vooral op het Christelijk gezin, en op de betekenis van het huwelijk, zoals dat ons door de Heilige Schrift wordt voorgesteld.
Wanneer wij deze zaak van ideaal kerkelijk standpunt uit bekijken, is de vraag van weinig belang, of de vrouw met de man meegaat naar de stembus of niet. Immers in zulk een ideaal kerkelijke situatie leeft men kerkelijk uit hetzelfde geloof, men leeft in enigheid des geloofs overeenkomstig de belijdenis. Dat geloof drukt zijn stempel op heel de kerkelijke gemeenschap, ook op het gezinsleven. De kerkelijke zaken hebben de volle belangstelling van het Christelijk gezin. Er wordt over gesproken. Geen stembusstrijd. Het gaat slechts over de meest geschikte personen, die intussen geen onbekenden zijn.
Wat maakt het dan uit, of de vrouwen, medegaan met haar mannen, als zij het in het algemeen eens zijn ?
Dat is nu juist het onverkwikkelijke. Bij een gezond kerkelijk leven maakt men geen kwesties van zulke dingen. Deze komen op in een ongezond en wanordelijk kerkelijk leven, daar het aan de eensgezindheid des geloofs ontbreekt en de tucht niet wordt gehandhaafd. De richtingen beknibbelen elkander, streven naar de macht en maken de verkiezing van ambtsdragers tot een stembusstrijd. De orthodoxie komt op voor een kerkregering in overeenstemming met de belijdenis. De andere partijen trachten een orthodoxe kerkregering te weren.
Nu komt het er op aan zoveel mogelijk stemmen uit te brengen voor zijn richting of partij. Deze factoren gaan ook werken in de aanstaande stemming : niet meer kerkeraad of kiescollege, maar kerkeraad of gemeente. Daarbij komt de vraag naar voren, hoe het een of het ander zal uitkomen voor de eigen partij. Intussen verwijt men elkander partijdig te zijn.
Verschillende partijen maken over het kies- recht der vrouw geen bezwaar, maar aan de orthodoxe kant is het voor allen nog geen overwonnen zaak, hoewel in de politiek en in de kerk ook wat de orthodoxe kringen be- treft de vrouw al aardig is gewoon geworden mee te stemmen.
Nu lijkt het ons reeds van groot belang, dat de nieuwe kerkorde de verkiezing zo mogelijk in een vergadering onder leiding van de kerkeraad laat plaats hebben. Wij lezen in Hand. 14 : 23 : „En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende, enz." Klaarblijkelijk werden de ouderlingen in de vergadering der gemeente verkoren, wellicht op voorstel van Paulus en zijn medewerkers.
De vraag is nu : zijn er in de vergadering der gemeente ook vrouwen geweest ? Mogelijk wel.
Hebben zij ook de handen opgestoken, mede instemming betuigd ? Als zij er geweest zijn, wellicht wel.
Ziedaar, de moeilijkheid.
Of de vrouwen mede hebben gestemd is hieruit niet met beslistheid te concluderen. En als zij haar handen mede hebben opgestoken, hebben zij daarmede nog slechts instemming betuigd met de voorgedragenen.
Practisch is dat ook het geval, als de kerkeraad de gekozenen aan de gemeente voorstelt, en tegen hen geen bezwaren worden ingebracht. Dit is een stilzwijgende instemming der gemeente.
Maar dat is toch nog wat anders dan verkiezen, ook uit dubbeltallen. Wij blijven geneigd om de consequentie te trekken : De vrouw als regel niet tot het regeerambt geroepen, en daarom niet deelnemen aan verkiezingen. In de huidige omstandigheden zal hen wellicht hier en daar van deze consequentie afwijken ter wille van de omstandigheden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's