DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
Maar eensklaps gaat achter de spreker een deur open en komt met grote sprongen een mooie jachthond op het vijftal toespringen. Als een goede bekende richt hij zich, bij het gezelschap gekomen, in zijn volle lengte op en zet beide voorpoten onverwachts tegen de schouders van de neger. Deze, op zodanige begroeting niet in het minst bedacht, wankelt en valt, met de handen in de lucht grijpend, languit op de vloer, in zijn val de verblufte nar meeslepend.
Als een verward kluwen rollen nu neger, nar en hond over en door elkander, onder de angstkreten van de grote en de kwaadaardige uitroepen van de kleine man; terwijl het rumoer nog vermeerderd wordt door het vrolijk geblaf van de speelse aanvaller en het aanhoudend rinkelen van de bellen der narrenkap.
De pages proesten het uit: hun jubelkreten daveren op en overstemmen nog het zo plotseling ontstane lawaai. En zó zeer gaan zij in hun luidruchtige pret op, dat zij er niets van gewaar worden, hoe enkele personen door de open deur naar binnen treden en even verbluft het vreemde toneel zwijgend gadeslaan.
„Hier, Wolf!" klinkt het eensklaps op gebiedende toon.
De dartele hond houdt terstond van neger en nar af en sluipt druipstaartend naar de deur.
Thans kijken de pages, nog verhit van uitgelatenheid, om. Nauwelijks worden zij de naderende personen gewaar, of opeens verdwijnt de lach van hun gelaat en staan zij eerbiedig op.
„Wat betekent deze dorperheid hier? " Met deze vraagt richt zich een gebiedende gestalte tot de beschaamde jongelingen.
Vóór deze nog kunnen antwoorden, komt er van een andere kant bescheid. De nar toch, dio zich, evenals de nog geheel verblufte neger, eindelijk heeft overeind gewerkt en zijn pijnlijke ledematen op koddige manier aan 't wrijven is, treedt vrijmoedig op de vrager toe en spreekt onbeschroomd:
„Bijlo! Neef Karel! 't Werd tijd, dat je hier kwam! Daar viel me die ruwe gast op mijn ebbenhouten broer, en deze weer tuimelde op myn gewichtige persoon, zodat het mij was, of ik door een geweldige smak tien voet in de grond gehijd en levend begraven werd. Och, lacy! wat een onheil heeft Gelre boven 't hoofd gehangen ! Wat zou er van het land geworden zijn, indien eens werkelijk gebeurd was, wat ik eerst waande! Het was zijn redder, zijn beschermer kwijt en "
„Zwijg, zot!" wordt de kleine man nurks toegesnauwd. „Verwijder je!"
De nar gehoorzaamt echter niet. Schijnbaar geraakt, herneemt hij:
„Ei, ei. Neef Karel, is dat nu de dank voor mijn hulp, Gelre en jou bewezen? Is jouw gal óok al zwart? Wreek dan je ontstemming op die verraderlijke hazenjager, en doe hem voor alles boeten. Wil ik mijn goede vriend Maarten van Rossem, ginds, maar opdragen als scherprechter op te treden?
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's