Door vele verdrukkingen
Flitsen uit de geschiedenis der kerk VII
De waarheid van het Schriftwoord : „In de wereld zult gij vedrukking hebben, maar hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen" heeft Calvijn in zijn leven wel heel duidelijk ondervonden.
Door vele verdrukkingen. In dit teken stond zijn leven.
En ook in Zwitserland, ook in Geneve, zou hij het ervaren dat de rust elders is. Inplaats van in Bazel rustig gelegenheid te vinden om verder te studeren en zich tot schrijven te bepalen, zoals aanvankelijk in zijn bedoeling lag, had God hem Geneve tot arbeidsveld aan- gewezen. Een arbeidsveld waarbij hij niet alleen in de voorste gelederen zou komen te staan en al zijn krachten zou moeten inspannen, maar waar ook de vijandschap zo openbaar zou komen dat aan hem en Farel na anderhalf jaar arbeid de kansel zou worden ontzegd.
Ja, zover kwam het !
Aan de vóór-avond van Pasen 1538 krijgen ze bericht van de Raad van Geneve dat ze de volgende dag niet de kansel zullen mogen betreden. Een onrustige nacht volgt, want men laat Calvijn's woning niet met rust. Er wordt op de deur gebeukt en met stenen gesmeten. Ja, Calvijn heeft het wel ervaren: in de wereld zult ge verdrukking hebben.
Wie had dit anderhalf jaar geleden kunnen denken ?
Al spoedig na zijn komst in Geneve is Calvijn begonnen Bijbellezingen te houden over de brieven van Paulus. Met grote belangstelling werden deze door een grote schare gevolgd. De Raad van Geneve erkent hem als prediker en Calvijn begint uitvoering te geven aan zijn plan, om richtlijnen samen te stellen voor het geestelijk en burgerlijk leven, het geven in de stad Geneve zoveel te wensen overliet. Calvijn is er van overtuigd, dat alleen een leven overeenkomstig de inzettingen des Heeren Gode tot eer en de mensen tot zegen kan strekken.
Een geloofsbelijdenis van 21 artikelen stelt hij op.
Deze overhandigt hij aan de Raad van Geneve, die met de leiding der kerk wenst samen te werken. Ook zaken betreffende de viering van het Heilig Avondmaal, het onderwijs aan de jeugd, het psalmgezang en de eerbaarheid worden met de Raad besproken en voorschriften hiervoor samengesteld en ter uitvoering doorgegeven. Calvijn, Farel, en de bijna blinde predikant Corault, worden hierbij door de Raad telkens geraadpleegd.
Van één ding is Calvijn zich terdege bewust, n.l. hiervan, dat een kerk zonder kennis van de geestelijke dingen, onherroepelijk ten prooi zal vallen aan de vorst der duisternis, die door allerlei aanvallen, in welke vorm ook, zal trachten het fundament te ondermijnen. Vandaar, dat Calvijn ook begint met een catechismus samen te stellen.
In Geneve wordt sinds de komst van Calvijn streng de hand gehouden aan de gegeven voorschriften. Natuurlijk zijn niet alle 13.000 inwoners van Geneve het hiermede eens, doch er gaat zóveel invloed van Calvijn uit, dat de tegenstanders zich geveinsdelijk onderwerpen.
De kerken zijn Zondags boordevol. Iedere rustdag zijn er vijf kerkdiensten, terwijl er bovendien iedere werkdag twee diensten gehouden worden.
Een jaar na de komst van Calvijn beginnen echter degenen, die zich noodgedwongen hadden moeten onderwerpen aan de voorschriften, door de predikanten en de Raad van Geneve opgesteld, zich meer en meer te roeren. Waar God Zijn kerk bouwt, daar bouwt de duivel zijn kapel. Zo was het ook hier.
De haat tegen Calvijn en Farel, in de grond der zaak tegen hun Zender, begint sterker openbaar te worden. Spotliederen worden raop hen gedicht. In de herbergen enz. vraagt men elkander spottend af, of men ook tot de „broeders in Christus" behoort. En de invloo.l van deze tegenstanders neemt zodanig toe dat, wanneer er in Februari 1538 raadsverkiezingen worden gehouden, de tegenstanders in de meerderheid blijken te zijn.
Dat de gemoederen bewogen zijn, blijkt duidelijk uit een proclamatie van de Raad van Geneva, waarin o.a. gezegd wordt:
„Aangezien ons bericht wordt, dat snode onbetamelijkheden en verwekking van nachtrumoer in zwang zijn...., zo geven wij te kennen: er mogen geen spotliederen worden gezongen, waarin rechtschapen mensen, die in Geneve wonen, bij name genoemd worden; na negen uur zal niemand zich zonder licht op straat mogen begeven; ieder wachte zich voor oproer en alarmerende woordentwist. Op straffe van inkerking op water en brood gedurende drie dagen bij eerste, zes dagen bij tweede en negen dagen bij derde overtreding".
Het is alsof er even enige verademing komt.
Doch dan stelt de Raad van Bern zich met de Raad van Geneve in verbinding betreffende verschillende kerkelijke aangelegenheden. Op advies van Bern besluit de Raad van Geneve o.a. dat in het vervolg het Heilig Avondmaal bediend zal moeten worden met ongezuurd brood, z.g.n. ouwels.
Dit op zichzelf genomen, vonden Calvijn en Farel niet van zoveel betekenis, maar wel, dat dit alles geheel buiten hen om beslist was. Terwijl toch deze dingen niet door de wereldlijke overheid, doch door de kerk geregeld dienden te worden.
Er ontstaat een conflict tussen de Raad en de reformatoren. Opnieuw laait de vijandschap op en de Raad doet niets om deze tegen te gaan. Integendeel, de intussen geheel blind geworden predikant Corault wordt door de Raad gevangen gezet.
Aan Calvijn en Farel wordt bevolen om bij het eerstvolgende Avondmaal de voorschriften van de Raad in acht te nemen. Beiden weigeren. Nog niet allereerst terwille van deze nieuwe voorschriften, maar omdat ze van oordeel zijn dat de heiligheid van het Avondmaal aangetast zou worden, indien zij onder de nu in de stad heersende omstandigheden, het Avondmaal zouden bedienen.
Ze weten in dit opzicht van geen toegeven. Ze willen hun ambt getrouw waarnemen en daarom waken voor ontheiliging van het Avondmaal des Heeren.
Dit bezorgt hen de toorn van de Raad van Geneve. Met als gevolg het besluit, hierboven reeds vermeld: ze mogen op Pasen de kansel niet betreden.
Maar als het Paasmorgen is, na de onrustige nacht die ze hebben doorgemaakt tengevolge van het rumoer rondom hun woningen, trotseren deze getrouwe dienstknechten des Heeren het besluit van Geneve. Gode meer gehoorzamend dan de mensen, betreden ze ieder in een afzonderlijke kerk, toch de kansel. Onder de kerkgangers bevinden zich zelfs gewapende personen.
„Voor uw aller oor betuigen wij" — zo zeg: Calvijn vanaf de kansel — s, dat niet de vraag van gezuurd of ongezuurd brood ons weerhoudt om heden het Avondmaal des Heeren met u te vieren. Maar de tweedracht, het samenspannen tegen het Evangelie, de Godslastering, die onder u heerst".
's Morgens blijft het onder het gehoor van Calvijn rustig. In de namiddaggodsdienstocfening echter maken de tegenstanders rumoer en komt het tot handgemeen.
Na dit gebeurde wordt onverwijld de Raad van Geneve samengeroepen en deze besluit dat binnen 3X24 uur Calvijn, Farel en de blinde predikant Corault de stad zullen moeten verlaten.
Toen Calvijn dit besluit ter kennis gebracht werd, zeide hij: „Als wij mensen gediend hadden, zouden we slecht beloond zijn, doch de Heere, Die wij dienen, gedenkt Zijn knechten boven verdienste".
Zalig die dienstknecht, die onder zulk esn zielsgesteldheid zijn ambt mag bedienen en alles, ook de beproevingen en verdrukkingen in 's Heeren hand mag leggen, wetende dat de arbeid in Gods koninkrijk en in Zijn opdraclit gedaan, nooit ijdel is.
Kort daarop verlaten de drie ballingen Geneve. Arme stad, die zo Gods getrouwe gezanten verbant.
Drie en een half jaar later zal Calvijn weer in de stad, die thans achter hem ligt, op de kansel staan. Om er dan 23 jaar het ambt verder te bedienen. Maar dat weet Calvijn nu niet, terwijl hij met zijn beide mede-predikanten deze moeilijke weg heeft te bewandelen.
„Ze hebben Mij gehaat, ze zullen ook u haten". Calvijn heeft het ondervonden. Fn door vele verdrukkingen heen heeft hij door genade iets geopenbaard van het discipelschap van Christus, dat bestaat in het Hem volgen door bezaaide en onbezaaide wegen, door goed gerust en kwaad gerucht, in het opnemen van het kruis en het Hem nadragen. „Als wij mensen gediend hadden, zouden wij slecht beloond zijn", zo had Calvijn gezegd. Maar hij diende geen mensen, doch zag op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus, Die in zijn plaats het kruis had verdragen en de schande veracht, 's Heeren gunst ging Calvijn boven 's mensen gunst.
Door vele verdrukkingen heen. Dit is de weg van Gods kerk en van alle levende lidmaten. Wee, indien alle wensen wèl van u spreken. Dit zou een bewijs kunnen zijn, dat ons christendom oppervlakkig en wereldgelijkvormig is. Zoals dit in onze dagen helaas zo dikwijls het geval is.
Door vele verdrukkingen heen. De Heere geve ons allen getrouwmakende genade, opdat wij niet mogen behoren tot degenen, van wie het geldt, dat als er verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, deze terstond worden geërgerd. Alleen wanneer er als vrucht van het werk des Geestes iets in ons leven openbaar komt van de volharding des geloofs, zal des Heeren Woord ook op ons van toepassing zijn: „Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks". Maar dan zal er ook kracht ontvangen worden van Boven, zodat er, evenals we dit bij Calvijn opmerkten, er een roemen kan zijn in de verdrukking.
„Als wij mensen gediend hadden, zouden wij slecht beloond zijn, doch de Heere, Die wij dienen, gedenkt Zijn knechten boven verdiensten".
Zo is het!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's