DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
er aan, zo hij ze weet ? Het huisbezoek zou zonder ouderling eerder ontaarden kunnen in een praten over alles en nog wat. Verder kan ik mij niet voorstellen, wanneer het waarlijk over de dingen van Gods Ko- ninkrijk en over de zielenoden gaat, dat er dan in tegenwoordigheid van de ouderling niet de nodige openhartigheid kan wezen. Ware dit zo, dan zou men elk lid van het huisgezin eigenlijk apart moeten spreken, aan- gezien er juist bij de Familieleden zelve vaak een onderlinge beschaamdheid tegenover el- kander bestaat of althans een zekere gesloten- heid voor elkaar ten opzichte van de geeste- lijke dingen. Dat is een veel voorkomend ver- schijnsel waartegen een christen ook met alle macht te strijden heeft. Ook zijn er, die het een bezwaar achten, een broeder ouderling mee te nemen op zoge- naamde deftige bezoeken of bij meer ontwik- kelde mensen. Ik vraag hier op mijn beurt : Behoeft de Kerk zich te schamen voor de grote eenvou- digheid harer dienaren ? Neen, zo het waar- lijk kinderen Gods en gezanten van Christus zijn. Ik heb dan ook wel Ambachtsheren gekend, echte aristocraten, die bij de ontvangst van huisbezoekers ook waarlijk iets betoonden van de adel uit God en de zodanigen ontvingen met de eer, die bij het ambt behoort. Immers, hier vallen alle standen weg, al zou dat de ouderling nog geen recht geven, om tegenover zijn heer een brutale toon aan te slaan. Ook ongeletterde Broeders hebben les ge- had in de schoonste Hogeschool, die er is en kunnen dat wel eens tonen in ootmoed en fijn- heid van gevoel. En wat het bezoek bij ont- wikkelden aangaat : wanneer de vergezellende Ouderling het levend geloof in de Heere Jezus bezit, hij zal daar dan niet te schande staan of zitten. Wat hij niet weet, kan de pastor aan- vullen. Paulus had toch waarlijk de Atheners ook nog wel wat te vertellen in hun wijsheid en het is dezelfde man, die aan de Corinthiërs schrijft : „Want ik heb niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd". Tegenover enkele schaduwzijden, die er aan het meegaan van een ouderling verbonden mogen wezen, staan ongetwijfeld de grootste lichtzijden. Ik wil hier ook even denken aan het offi- ciële cachet, dat met een predikant en ouder- ling eerder bewaard blijft dan wanneer domi- ne alleen gaat. Bedoeld wordt hier niet de een of andere praalvertoning in het klein, maar waarom zou de Kerk geen waardige indruk mogen maken ? Dat behoeft toch immers niet in strijd te zijn met waarheid en oprechtheid ? De Kerk is toch een officiël lichaam, dat als zodanig haar Woord, haar Getuigenis doet horen. Waarom zouden gemeenteleden, in een do- mine, die daar met een ouderling over de weg wandelt, niet mogen zien : „daar komt de Kerk aan ? " Ik kan daar tenminste niets be- lachelijks in vinden. Intussen blijkt ook hier weer : Wat is er bij de leden der Kerk over het algemeen nog weinig achting voor het ambt, met name dat der ouderlingen. Men ridiculiseert hen eerder, dan dat men hen in ernst ne
Tot zover heeft de radde tong van de nar doorgerateld. Doch bij de laatste zinspeling op het vervolgen van ketters vertrekt de hoge gebieder zijn gelaat in hittigheid van toorn.
„Nog eens, zwijg, zot! — En gij, jonkers, brengt hem in de achterzaal en gebiedt de hopman der wacht, de onbeschaamde knaap een dag op zwart brood en water te zetten".
Aan dit bevel wordt terstond voldaan.
De nar Iaat zich willig meevoeren, doch schudt onder het heengaan voortdurend het hoofd, terwijl hij bromt:
„En dat noemt men nu dankbaarheid, Gelderse dankbaarheid! En dat moet ik dan lijden voor de ketters! Lacy! die gele gal speelt mij weer parten en verbruit me alles! Maar pas op ! die zware gal van Neef Karel en die witte van de Eerwaarden, zullen het op de gele toch niet winnen. Dat voorspel ik. Lacy! had iedereen in Gelre maar, gele gal!"
Hoofdstuk IV.
Karel zonder baard.
't Is geen wonder, dat de luide lach der pages op het zien van het stuurse gelaat der hoge, gebiedende gestalte zo plotseling is verstomd, want in hun uitgelatenheid zijn de jonkers door niemand minder betrapt dan door hun heer, Karel van Gelre, die in buien van gemelijkheid, gelijk thans, voor het geringste vergrijp tegen de hofgewoonten zwaar doet boeten.
Een ogenblik staart de hertog, als in zwaarmoedige overpeinzing verzonken, naar de gesloten deur, waar achter de nar en de anderen zo pas zijn verdwenen. Dan herneemt hij dezelfde trotse, gebiedende houding van zoeven en schrijdt, niettegenstaande zijn zestigjarige leeftijd, met nog forser stap de ridderzaal in en loopt op de grootste zetel naast de schouw toe. Bedaard zet hij zich daarop neer en nodigt vervolgens met een enkele handbeweging, de drie mannen, die hem vergezellen, alsmede de drie fluisteraars in gindse vensternis, uit, bij hem óp de ledige stoelen plaats te nemen. Diep buigend naderen de laatsten en voldoen zwijgend aan de uitnodiging van hun heer.
Nu de wijd en zijd vermaarde en gevreesde Karel daar neerzit, de linkerhand spelend met het gevest van zijn slagzwaard, hetwelk hem in zijn avontuurlijk levens reeds zovele diensten heeft beween en zich daarom in een bijzondere voorliefde zijns eigenaars mag verheugen, is de vorst goed op te nemen.
Zijn gelaat, hoewel reeds op het voorhoofd vol rimpels en aan de ogen vol kraaienpootjes, is niet afstotend. Hoog is dat voorhoofd en gewelfd, spits en lang de neus, eveneens de kin. Sluwheid en wantrouwen spreken uit zijn ogen, vastberadenheid tekent de gesloten mond ; ontstemming en wrevel verraden de rechtstaande rimpels boven de neus ; de als ingekorven grimlach om zijn mondhoeken geeft een onbedwingbare trots te kennen.
Zo is thans het portret van die Karel van Gelre, die de Geldersen voor ruim dertig jaren met zoveel gejuiöh als hun redder begroetten ; dat is er geworden van de eertijds zo vurige jonkman, die, met zoveel heldenmoed bezield, kwam strijden voor zijn patrimonium, en door zijn innemend voorkomen iedereen op het eerste gezicht aantrok.
Dat hij ook aan de Bourgondische mode offert, blijkt duidelijk aan zijn baardeloos gelaat, waarvan elk haartje met een nijpijzertje is uitgetrokken.
Van zijn hoofdhaar is niets te ontdekken. Niet, wijl hij deze natuurlijke bedekking mist, maar wel, omdat het kortgeknipt en met een mutsje, uit gouddraad geborduurd, bedekt is. Boven de muts prijkt nog een fraaie hoed, van boven versierd met struisveren en van binnen, aan de rand, bezet met zeven gouden rozen, die ieder een kostbaar edelgesteente insluiten.
Voorts bestaat zijn kleding uit een donkerblauw samijt of overkleed en roodfluwelen kousen. Bovendien is hij versierd met een halsband, met goud bewerkt, en een menigte ringen aan de vingers.
Wie mocht menen, dat deze ringen tot sieraad moeten dienen, vergist zich. Neen, Karel, de stoutmoedige, schrandere hertog, draagt ze enkel uit.... bijgelovigheid.
15)
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's