De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een dominé vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een dominé vertelt

5 minuten leestijd

2. Een ouderling gaat mee!

   Wat leven wij toch in een vreemde, kerkelijke wereld ! Wanneer een domine op huisbezoek gaat in de stad (en ook al wel in de dorpen) en hij zou daarbij een ouderling meenemen, dan wordt hij door velen, en dat nog wel kerkgangers, haast gedwongen, om dit met alle kracht te verdedigen.
   Er zijn er zelfs, die het belachelijk vinden, dat een predikant nog „zo'n stille getuige" of „toeziende voogd", „zo'n dwarskijker" naast zich heeft.
   „Waar is dat nu nodig voor ? " vragen velen ; „het heil der Kerk is er toch niet mee gemoeid". En dan komt men aandragen met verschillende argumenten. „Het is nodig, dat de predikant door eigen bril leert zien en niet aan de leiband van broeder ouderling lope", zegt men dan.
   Wanneer hij onder anderen gaat vertellen, wat voor soort gezin het is, dat wij bezoeken, en dat het daar niet veel bijzonders is, dan zal de predikant allicht tegen de huisgenoten vooringenomen zijn, althans niet onbevangen daar het woord kunnen voeren.
   Dit bezwaar moge in een dorp wel eens opgaan ; in een stad zeer zeker niet. Want in de meeste gevallen kent ook de ouderling de huisgezinnen daar evenmin als de predikant. Men mag elkander van naam kennen, of elkaar al eens ontmoet hebben, daar houdt het dan ook gewoonlijk mee op.
   Doet de predikant bovendien zelf de oren en ogen goed open en is hij niet al te bangerig, dan blijft hier geen enkel bezwaar over. Wel staat er iets tegenover : Wanneer wij van te voren goed ingelicht zijn, blijven wij meteen bewaard voor het maken van vergissingen. Hoe licht kunnen wij er anders invliegen of een flater begaan vóór wij het weten.
   Verder moeten wij die „eigen bril" niet te hoog aanslaan.
   Want velen praten er over en laten er zich op voorstaan, terwijl het hoog tijd is, dat zij het bewuste voorwerp zoo spoedig mogelijk afzetten, omdat het bij hen niets anders is dan een blinde stijfhoofdigheid.
   Een, ander bezwaar, dat wel eens wordt aangevoerd, is het volgende : „Sommige mensen zullen in tegenwoordigheid van een ouderling niet vertellen, wat zij anders zouden hebben meegedeeld".
   Wanneer dit echter zo is, is dat dan een bezwaar ? Het schijnt mij eer een voordeel dan een nadeel te zijn.
   Daar worden ons immers, ook op huisbe- zoek, zovele dingen verteld, die beter verzwegen, dan uitgesproken waren. Aan de pastor worden wel eens van die zogenaamde geheimen toevertrouwd, die hij liever kwijt dan rijk mocht wezen. In elk geval : wat heeft hij  eraan, zo hij ze weet ? Het huisbezoek zou zonder ouderling eerder ontaarden kunnen in een praten over alles en nog wat.
   Verder kan ik mij niet voorstellen, wanneer het waarlijk over de dingen van Gods Koninkrijk en over de zielenoden gaat, dat er dan in tegenwoordigheid van de ouderling niet de nodige openhartigheid kan wezen.
   Ware dit zo, dan zou men elk lid van het huisgezin eigenlijk apart moeten spreken, aangezien er juist bij de Familieleden zelve vaak een onderlinge beschaamdheid tegenover elkander bestaat of althans een zekere geslotenheid voor elkaar ten opzichte van de geestelijke dingen. Dat is een veel voorkomend verschijnsel waartegen een christen ook met alle macht te strijden heeft.
   Ook zijn er, die het een bezwaar achten, een broeder ouderling mee te nemen op zogenaamde deftige bezoeken of bij meer ontwikkelde mensen.
   Ik vraag hier op mijn beurt : Behoeft de Kerk zich te schamen voor de grote eenvoudigheid harer dienaren ? Neen, zo het waar- lijk kinderen Gods en gezanten van Christus zijn.
   Ik heb dan ook wel Ambachtsheren gekend, echte aristocraten, die bij de ontvangst van huisbezoekers ook waarlijk iets betoonden van de adel uit God en de zodanigen ontvingen met de eer, die bij het ambt behoort.
   Immers, hier vallen alle standen weg, al zou dat de ouderling nog geen recht geven, om tegenover zijn heer een brutale toon aan te slaan.
   Ook ongeletterde Broeders hebben les gehad in de schoonste Hogeschool, die er is en kunnen dat wel eens tonen in ootmoed en fijnheid van gevoel. En wat het bezoek bij ontwikkelden aangaat : wanneer de vergezellende Ouderling het levend geloof in de Heere Jezus bezit, hij zal daar dan niet te schande staan of zitten. Wat hij niet weet, kan de pastor aanvullen.
   Paulus had toch waarlijk de Atheners ook nog wel wat te vertellen in hun wijsheid en het is dezelfde man, die aan de Corinthiërs schrijft : „Want ik heb niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd".
   Tegenover enkele schaduwzijden, die er aan het meegaan van een ouderling verbonden mogen wezen, staan ongetwijfeld de grootste lichtzijden.
   Ik wil hier ook even denken aan het officiële cachet, dat met een predikant en ouderling eerder bewaard blijft dan wanneer domine alleen gaat. Bedoeld wordt hier niet de een of andere praalvertoning in het klein, maar waarom zou de Kerk geen waardige indruk mogen maken ? Dat behoeft toch immers niet in strijd te zijn met waarheid en oprechtheid ? De Kerk is toch een officiël lichaam, dat als zodanig haar Woord, haar Getuigenis doet horen.
   Waarom zouden gemeenteleden, in een domine, die daar met een ouderling over de weg wandelt, niet mogen zien : „daar komt de Kerk aan ? " Ik kan daar tenminste niets belachelijks in vinden.
   Intussen blijkt ook hier weer : Wat is er bij de leden der Kerk over het algemeen nog weinig achting voor het ambt, met name dat der ouderlingen. Men ridiculiseert hen eerder, dan dat men hen in ernst neemt.
   Nu ja, zij mogen komen, maar men verwacht dan toch zeker de domine.
   „De domine is de Kerk" volgens velen, Een ouderlingbezoek en gebed tellen niet mee.
   Hieruit blijkt al, hoever men in onze Hervormde Kerk uitgegroeid is uit en vervreemd van de ware gereformeerde Kerkorde naar de Heilige Schrift. Men weet er niets meer van, hoe het eertijds was en hoe het weer behoort te zijn. Wij hebben vaak het een of ander spraakgebruik aanvaard en wij beseften niet meer, dat wij de dingen op hun kop hadden gezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een dominé vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's