VAN DOOD LEVEND
„Gij Geest! kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden". Ezechiël 37 vs. 9b.
Het was een merkwaardig gezicht, dat eenmaal de Godsman Ezechiël van de Heere te zien kreeg in de dagen der ballingschap. Een vallei vol beenderen, en die beenderen zijn zeer dor, gebleekt door "de zon, uitgedroogd en verteerd, als van doden, die reeds vele jaren geleden gestorven zijn, zodat zelfs de geraamten uiteen zijn gevallen en de beenderen door elkaar geworpen zijn.
Dan vraagt de Heere de profeet: „Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? " En de profeet laat het antwoord aan de Heere over: „Heere, Heere, Gij weet het". Gij weet, hoe onmogelijk het is bij de mensen. Maar Gij alleen weet, wat Gij hebt voorgenomen en bij U zijn alle dingen mogelijk.
En dan ziet hij het wondere, het ongelofelijke gebeuren. Op des Heeren woord komt er beweging in de dorre beenderen. Ze naderen tot elkaar, zoals ze bij elkaar behoord hebben. Er komen zenuwen op en vlees, en een huid. Nog is er geen leven in. Maar op des Heeren woord worden ze levend en staan op hun voeten, een gans zeer groot heir.
En nu zegt de Heere, dat Hij zo zal doen met Israël. Ze zullen door een wonder uit Babel bevrijd worden en terugkeren naar hun land. Israël kon in Babels graf niet blijven, want de Christus Gods lag in dat volk besloten. Hier is het vóór-trillen van het grote feit, dat op de opstandingsmorgen in Jozefs hof plaats greep. En welk een bijzonder onderricht houdt dit in ten aanzien onzer waarachtige bekering.
Wij zien in Ezechiël's visioen van de vallei der dorre doodsbeenderen ons klaar voor ogen gesteld, hoe wij van nature dood zijn in de zonden en in de misdaden, en dat wij onszelf niet kunnen herscheppen tot een waarachtig geestelijk leven, evenmin als een dode zichzelf het leven kan geven.
Onze hoogmoedige natuur kan daar niet aan, en wil daar niet aan! Zeker, wij willen dit nog wel bijvallen en toestemmen uit kracht van opvoeding in de waarheid, doch als het persoonlijk op ons aankomt, dan huivert alles in ons terug voor zulk een belijden.
Is dit dan het beeld van de mens, de kroon der schepping, die mens, die zoveel meent te zijn en te hebben en te kunnen voor God?
En toch, het is en blijft de waarheid Gods, getekend in Zijn Woord, bevestigd door Gods ontdekte volk. Zij moeten het zo erkennen: dood in zonden en de misdaden.
Dood voor God, en dood voor de hemel. Het geestelijk leven, dat eenmaal uitstraalde en uitschitterde uit het beeld Gods, is gans verduisterd in de val in ons Bondshoofd Adam. En nu is er niemand meer, die naar God zoekt, niemand die waarlijk naar Hem vraagt, niemand die goed doet. Allen tezamen afgeweken en dervende de heerlijkheid Gods.
Voor God geen waarlijk geestelijk goed( maar die mens geworden als de vallei van Ezechiël: er waren zeer velen op de grond der vallei, en ziet, zij waren zeer dor. Alle leven lag er aan ontzonken!
De zon moge haar koesterende stralen uitzenden, de onweerswolken mogen er boven de waterstromen ontlasten, de winden mogen waaien, het moge bladstil zijn, het bleef daar alles hetzelfde: Ziet, zij waren zeer dor!
Verstaan we dit voor onszelf?
De zon van de voorspoed moge ons levenspad beschijnen, de donkc-e wolken van tegenspoed deden wellicht de rampen en tegenspoeden komen. Een storm van beproeving teisterde ons leven, of een stilte was er, die de loop van het leven niet beroerde; ach, waar zijn wij met alles gebleven, wie en wat zijn we er mede geworden voor God?
De liefelijke nodigingen, die tot ons kwamen. Het onweder in Zijn oordelen, de zware slagen, de ernstige roepstemmen. Waar heeft het ons gebracht?
Is niet het einde: Ziet, zij waren zeer dor? Waar bloeide óp dat waarachtig geestelijk leven, dat leven uit het geloof tot Gods eer?
Hoe vernederend is het beeld van de mens getekend in de vallei, die Ezechiël zag, een vallei vol dorre beenderen.
Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? Als het van die beenderen zelf afhing, als het van Ezechiël moest komen, als het verwacht moest worden van het liefste kind van God, dan zou het een onmogelijkheid blijven.
Neen, dat is geen mensenwerk, doch het werk van een almachtig God, die heeft te spreken, en het is er, te gebieden, en het staat er.
Bij Wien mogelijk is, wat bij de mens onmogelijk wordt bevonden.
Het is de prediking, de profetie, de bekendmaking van Gods Woord en bevel; zeker, in zichzelve dood, doch gedragen door Gods Geest enkel kracht en macht en leven: „Gij, Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, dat zij levend worden".
Welk een wonderlijke opdracht ontving de profeet Ezechiël. Misschien zegt ge wel, was het niet overbodig en nutteloos om te pro feteren over wat zo verstorven lag voor Gods aangezicht?
Maar juist als wij op al het onze de dood moeten schrijven, als alles tegen ons getuigt en de zelfaanklacht over een algehele verdorvenheid ons een afgesneden zaak doet zijn in de belevenis der ziele, zijn we zulk een gepast voorwerp voor de Heere en het Woord Zijner kracht.
Dan komt er in de dorre doodsbeenderen beweging en geluid. Inplaats van zorgeloze gerustheid komt er onrust en kommer. Er komen werkzaamheden: een belijden, een vragen, een roepen. Eigen onwaardigheid wordt erkend. Genade wordt begeerlijk en noodzakelijk ; de onmogelijkheid van redding in eigen kracht wordt ingezien.
Ja, zegt ge, maar dat is geen grond voor de eeuwigheid, dat is niet genoeg, dan wordt nog de vastheid en de zekerheid gemist.
En Ezechiël valt u bij: „En ik zag en zie, daar werden zenuwen op hen, maar daar was nog geen geest in hen".
Gods levendgemaakten zijn ook geen hof van Jona's wonderbomen, die in één nacht opschieten, doch om in één dag te verdorren. Zo willen het wel velen in onze dagen, maar de dood is in de pot.
Vreselijk, als dat telaat wordt ingezien. Als men meende bekeerd te zijn, zonder zich ooit als onbekeerd te hebben gekend. Als men meende te leven, zonder nog ooit aan de doodsstaat voor God ontdekt te zijn. Als men meende gered te zijn, zonder ooit verloren te zijn geweest voor God door zonde en schuld.
Hier in de vallei was het Gods werk. Niet door kracht of geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden.
Gods werk in de aanvang, Gods werk in de voortgang, Gods werk in het einde!
Dan is er niets meer van de mens bij, óok niet van Ezechiël.
Is dat niet de ervaring van allen, die in het Babel hunner zonden door de Heere zijn opgezocht, voor wie Babel inderdaad Babel is geworden, met de onmogelijkheid zichzelf te verlossen en te bevrijden? Dan wordt gekend Gods opzoekende liefde. Zij komen op uit het graf hunner zonde en schuld door
de vrije genade, die de Heere eeuwig heeft bewogen. In Hem en door Hem, die in het graf van de zonde en schuld van Zijn volk is ingedaald, doch ten derde dage verrees en Zijn stem doet uitgaan: Ik leef en gij zult leven!
Dat verzekert en verzegelt God door die Heilige Geest, die Hij zendt, waarmede Hij inwoning komt te maken door Zijn onwederstandelijke kracht en nieuw maakt alle dingen.
Levenwekkend gaat Hij over het dorre gebeente op des Heeren bevel: „Gij, Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden".
Kent gij daarvan iets, 't zij in aanvang of voortgang?
O, mocht gij door die Geest om die Geest leren vragen, enkel pleitend op de verheerlijking van des Heeren Naam.
Zoek het niet bij uzelve, maar mocht al meer uw gebed worden: Heere, ontdek mij en trek mij; geef mij een levende en levendige behoefte aan U en aan U alleen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's