OF DE GEREF. BOND SECTARISCH IS?
(UIT DE VRAGENBUS)
Wij hebben al een en andermaal over deze zaak geschreven, maar de vrager heeft klaarblijkelijk aanleiding gevonden om die opnieuw te stellen.
De enige zin, welke deze vraag kan hebben, is deze, dat de Gereformeerde Bond niet hoogkerkelijk is
Overigens is het niet .altijd zo gemakkelijk het onderscheid tussen kerk en secte vast te stellen.
Wanneer kan een groep, die zich als kerk aanduidt, het recht doen gelden op de naam en de waardigheid van de kerk, en wanneer moet haar zulks worden ontzegd ?
Zo heel eenvoudig is dat niet en zeker niet in onze tijd, waarin wij een toenemende verbrokkeling zien van het kerkelijk leven. Men behoeft slechts te letten op de veelheid van samenkomsten, die zich als Christelijk, als kerkelijk, als evangelisch, als apostolisch, als gereformeerd aandienen om maar enkele aanduidingen te noemen en dan nog hun even zovele nadere bepalingen en samenstellingen. En zo zijn wij nog verre van volledig. Denk maar eens aan termen als heiligen van de laatste dagen, Jehovah-getuigen, adventisten, baptisten, en ziedaar weer een reeks, welke kan worden aangevuld.
In het algemeen spreken wij van kerken en secten om die verscheidenheid als geheel aan te duiden.
Zonder enige twijfel treedt daarin een schromelijk beeld van verwarring en decadentie van het kerkelijk leven aan de dag, waarin ook zovele tekenen van zoeken en streven moeten worden gezien, welke op reacties wijzen tegen het kerkelijk verval.
Hoezeer het ook waar is, dat de kerkgeschiedenis van alle eeuwen op groepsgewijze acties en reacties tegen het kerkelijk georganiseerde leven kan wijzen, is dit verschijnsel niet in alle eeuwen zo veelvuldig als in onze dagen en als b.v. in de tijd der Reformatie. Wij kunnen bij Calvijn lezen, hoe hij de klacht verheft over secten en groepen, die ten onrechte aanspraak willen maken op de naam en de waardigheid der kerk.
Daaruit blijkt reeds, dat de gereformeerde religie, waaruit deze Reformator leefde en getuigde, niet wat men noemt, sectarisch is. Calvijn zocht de openbaring van de kerk van Christus en, hoe hij over de kerk dacht, kan b.v. duidelijk worden uit zijn inzicht, dat God Zijn kerk ook onder 't Pausdom bewaard had. Het was immers die kerk, welke tot nieuw leven gewekt door Gods Woord en Geest, kracht en geloof vond om de onzuivere leer en de knellende banden ener kerkelijke hiërarchie af te werpen en zich alleen op Gods Woord te verlaten.
Hij zag dus die kerk als een geestelijke werkelijkheid, een gemeenschap aan het Lichaam van Christus, een geestelijke verbondenheid door het geloof in de enige Zaligmaker Jezus Christus, die ons in het Evangelie wordt voorgesteld en daarom een vergadering van ware Christgelovigen, waarvan ook onze Nederlandse Geloofsbelijdenis gewaagt. (Art. 27).
Daaruit volgt ook, dat Calvijn die kerk oecumenisch zag, over de ganse wereld verspreid, doch één in het waarachtig geloof. Hoezeer heeft hij ook geijverd voor het besef en de beleving van die eenheid, al was het zeker zijn bedoeling niet die kerk in een enig instituut saam te brengen. De enigheid des geloofs in de enige Middelaar is ook de oecumenische werkelijkheid en kracht der kerk.
Deze geestelijke eenheid der kerk wordt dus geenszins gebroken door het feit, dat Calvijn de plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van Christus' Lichaam erkent. Wij houden ons overtuigd, dat dit volkomen in overeenstemming is met wat ons de Heilige Schrift leert.
Het is dan ook misplaatst om dit als een vinding van het iieo-Calvinisme af te wijzen. Vooreerst, omdat het geen vinding van dr. Kuyper en de zijnen is, en ten tweede, omdat het neo-Calvinisme in de toepassing van het beginsel heeft gefaald, toen het zijn deugdelijkheid had kunnen bewijzen.
Wij zijn het ook niet eens met hen, die in navolging van Troeltsch, van een kerktype en een secte type spreken, terwijl het eerste van de hoogkerkelijke Lutheranen en anderen zou gelden en het laatste ziet op de verdedigers van de rechten der plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van Christus' Lichaam, met name dus op de Gereformeerde belijders.
Men behoeft zich dan ook niet te verwonderen dat hoogkerkelijk strevenden heel spoedig gereed staan gereformeerde groepen en mensen sectarisch te noemen. Immers in het hoogkerkelijk oog vertoont het gereformeerde kerkbegrip reeds eeri sectarisch karakter. Men stelt het op één lijn met congregationalisme, independentisme en ziet allerlei daarmede verbonden gevaren, met name ook sectarisme.
Nu kan niemand ontkennen, dat vooral het gereformeerd protestantisme, waar het ingang vond en zijn invloed deed gelden, hier en over de Oceaan, aan die gevaren niet is ontkomen.
Hoewel wij dat ook zelf betreuren, zijn wij toch geneigd om aag te nemen dat desondanks nog op voordelen kan worden gewezen tegenover de bezwaren, die het hoogkerkelijk standpunt aankleven en welke uit geestelijk oogpunt van zo grote betekenis zijn.
Of wij dan toch met Troeltsch meegaan? Troeltsch was historicus, en de historische ontwikkeling van het gereformeerd protestantisme schijnt hem gelijk te geven. Daaraan sterken zich ook zijn navolgers.
Na de reformatie heeft de historie echter nog geen consequente doorvoering van het Schriftuurlijk beginsel: de plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van het Lichaam vp.n Christus, gezien en klaarblijkelijk heeft men dat ook niet of te weinig theologisch doorgedacht.
De oorzaak daarvan zoeken wij niet zover verwijderd. De historie toch kan aantonen dat hoogkerkelijkheid de mens hoog zit. Hoogkerkelijkheid is de oorzaak geweest, dat men in de achttiende eeuw allengs ging spreken van de Hervormde kerk.
Hoogkerkelijke gevoelens baanden de weg voor de organisatie van 1816, en hoogkerkelijke strevingen drukten een stempel op de nieuwe kerkorde.
Waar dat hoogkerkelijke vandaan komt?
Wij zouden hier met alle schijn van recht kunnen zeggen, dat het Rooms is. Immers, als men van hoogkerkelijk spreekt, dan is de Roomse Kerk het voorbeeld, waarbij het protestantisme, voor zoveel het hoogkerkelijk ^vil zijn, mijlen ver achterblijft.
Wij menen echter niet, dat hoogkerkelijkheid origineel Rooms is, maar geloven veeleer, dat het in de grond der zaak humanistisch is, erfgoed uit de Grieks-Romeinse cultuur.
En die kende geen kerk!, werpt iemand tegen. Hoe wilt gij daar de hoogkerkelijkheid zoeken ?
Dat is het nu juist. Zij hadden geen kerk, maar zij hadden hun cultuur, zijn hadden hun organisatie, hun saamleving, hun staat, en zoals de basiliek het voorbeeld is geweest voor de bouw vari machtige kerken, heeft de burgelijke rechtsorde ook het patroon geleveid ener hoogkerkelijke organisatie, die het ganse leven zou omspannen. De middeleeuwse kerk is opgericht op de puinhopen van de Romeinse staat, niet zonder het classieke erfgoed te verwerken en aan te passen in een machtige kerkelijke structuur, welke daar staat als een monument in de historie. Zij heeft de classieke cultuur althans ten dele in zich opgenomen en gekerstend en vertoont daarin een merkwaardige binding van humanisme en Christelijke inspiratie. Ondanks al het menselijk genie, daaraan ten koste gelegd, heeft het de innerlijke tegenstrijdigheden echter niet kunnen verzoenen.
Hoe nauw het hoogkerkelijk karakter aan de staat verbonden is, kan ook uit de reformatorische staatskerken blijken en zelfs hier te lande, waar de gereformeerde belijdenis de heersende werd en een machtig aandeel had in de wording van de nationale zelfstandigheid, werd het Calvinistisch ideaal van de vrije kerk in de vrije staat allengs staatskerkelijk verdonkerd, met het gevolg, dat de eigen ontwikkeling van de gereformeerde inzichten omtrent de aard en het wezen der kerk en haar openbaring, niet tot zijn recht kwam. Hoe geheel anders zou het kerkelijk leven en zelfs het oecumenische leven der kerk zit; hebben ontwikkeld volgens het beginsel der plaatselijke zelfstandigheid en de gemeenschap der kerken in haar vergaderingen over grotere en kleinere gebieden, waarbij zelfs de landsgrenzen geen grenzen voor de kerken zouden zijn.
Deze ontwikkeling is echter doorkruist door de staatskerkelijke gang van zaken.
Daarin kan echter geen aanleiding zijn, dat wij ons standpunt omtrent de zelfstandigheid der plaatselijke kerk opgeven en inruilen voor het hoogkerkelijk standpunt met zijn bezwaren, op gevaar af, dat men ons sectarisch noemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's