De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

7 minuten leestijd

   Of het voor de ambtsdragers nodig is, eerst eens wat te lezen over het huisbezoek? De een of andere leidraad? Dit zou zeer wenselijk zijn. Maar dan een goede en betrouwbare. Want het blijft altijd gevaarlijk voor de ene ouderling, om zonder meer na te volgen wat de andere doet.
   Alles sta eerst in het teken van het instellen van een onderzoek naar de toestand in de huisgezinnen.
   Er zijn er wel, zowel onder de predikanten als de ouderlingen, die b.v. met de Avondmaalsvraag al spoedig voor de dag komen. Hier mocht men toch wel wat voorzichtiger zijn.
   Deze twee vragen: „Komt gij ter kerk? " en „Komt gij ten Avondmaal? ", liggen mijns inziens niet op één lijn. De eerste vraag zal ik tot iedereen richten, bij wie ik binnenstap. De laatste vraag echter slechts tot hen, die tekenen van belangstelling openbaren.
   De kerkgangers zonder meer, zijn aan de Avondmaalsvraag niet toe.
   Met onverschillige mensen praat ik vanzelf niet over het H. Avondmaal. Althans nu nog niet. Maar met de kerkganger dan?
   Ik zeg niet, dat er iets op tegen is, met de kerkganger over het Heilig Avondmaal te spreken, want zij liggen zeker met anderen, ook onder de dure verantwoordelijkheid. Bij hen zijn echter eerst nog andere vragen aan de orde, namelijk over hun waarachtige behering tot God.
    „Behoren de kerkgangers dan niet aan de Tafel des Heeren? " vraagt iemand. Zij behoorden er zeker, wanneer zij waarlijk hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Maar wanneer daarvan niets gebleken is, zal ik hen er niet aan praten. Want volle tafels zijn wel schoon om te zien. De Bruiloftsdis moet wel vervuld worden met aanzittende gasten, dat wil zeggen: met gasten, die er behoren.
   Over de Avondmaalsvrees spreken wij nog; hier alleen moet ik waarschuwen voor een blinde AvondmaalsAaaif. Laat men toch be­ denken: die des Heeren zijn, zullen aan de Bruiloftsdis des Lams niet ontbreken.
   Ons eerste doel moet niet wezen, de mensen aan de Avondmaalstafel te krijgen, maar dat zij in Christus aan 's Heeren voeten worden gebracht.
   Of zou men durven beweren, dat het ene met het andere wel samenvalt? Al komt dit voor, toch acht ik het een bedenkelijk verschijnsel, wanneer men dit zo maar zou veronderstellen, als iets vanzelfsprekends. Dat is zo iets als de verdoezeling van het onderscheid tussen de zichtbare en de onzichtbare Kerk.
   Wij zijn niet blind voor ongezonde toestanden in eigen kring, maar dat mag ons toch niet beletten te waarschuwen tegen dat meer en meer centraal stellen van het Heilig Sacrament en dan met name het H. Avondmaal, zoals men meer en meer doet.
   Samen Avondmaal vieren kan schoon zijn, maar dan moet men ook waarlijk één zijn.

3. De noodzakelijkheid van het huisbezoek.
   Dit hoofdstuk is in zekere zin een recapitulatie van hetgeen tevoren over huisbezoek werd geschreven. Alleen enkele punten zullen daarbij nog nader worden onderstreept.
   Er is ongetwijfeld nogal verschil tussen het huisbezoek in een dorp en dat in een grote stad. In de rechtzinnige dorpen neemt de Kerk nog steeds een grote plaats in het volksleven in. Men kan daar meestal „naar de regelen" handelen. Wanneer het daar bekend is, dat „domine met een ouderling" huisbezoek doet, dan is dat iets, waarover gesproken wordt. Er wordt nog al eens gevraagd : „Is domine bij u al geweest ? " Of opgemerkt : „hij kwam tot zover !" Men volgt ons blijkbaar op de voet. Het huisbezoek heeft daar over het algemeen een vrij kalm verloop. Men kan er vermoeid van worden, meer zelfs dan van een gewone dagtaak maar de arbeid is niet wat men noemt : zenuwschokkend.
   Het is niet de gewoonte der dorpelingen, om u met een leger van vragen te overstelpen. Meestal heeft men te veel respect, te veel opzien tegen de leraar, om zo iets aan te durven. Wel zijn er mensen, die heel wat van plan zijn, als domine komt, maar is dat het geval, dan wordt er gezwegen in alle talen. Behoudens uitzonderingen dan. Het blijft op het dorpshuisbezoek meestal bij de gewone vragen, tenminste als er geen gemeentelijke kwesties zijn. De meeste kerkgaande schapen zijn nog al rustig ; al treft gij hier en daar een enkele spelbreker aan.
   In de grote stad is dat echter heel anders. Soms kunt gij wandelen in een lange straat, waarin maar vier of vijf kerkgaande gezinnen wonen. Het is vaak een strijd voor die mensen, om hun kerkgaan vol te houden. Zij worden er rechts en links om uitgelachen en bespot. Hun gaan naar Gods huis is vaak al een getuigen op zich zelf.
   Ligt het nu niet voor de hand, dat de kerk vooral tracht te houden, wat zij heeft ? Hier komt dat woord van de Openbaringen (dat wij reeds noemden) met kracht naar voren : „Wees wakende en versterk het overige, dat sterven zou !" „Dat sterven zou daar in die geestelijke woestijnen. Dat dood gedrukt zou worden binnen de beklemmende muren van atheïsme en communisme".
   Daar gaan wij natuurlijk heen, om met die gezinnen mee te leven. Want zij moeten gesteund en gesterkt worden in hun strijd. De gang naar de stadskerken moet hun, wanneer zij uit de dorpen komen, zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt.
   Wij gaan ook naar anderen, die nog in naam met de kerk verbonden zijn ; als doopleden genoteerd staan, maar verder van haar vervreemd. En wij doen ook daar huisbezoek, hetzij met of zonder ouderling en wij laten voor het ogenblik onze regelen los, die wij van buiten kenden.
Wij dachten dan niet : „onder welk hoofd moet het huisbezoek vallen ? Onder het hoofd: „tucht" of onder het hoofd „getuigenis" ; maar wij vroegen en wij spraken dan, al naar het voorviel. Als Gods Geest ons wijsheid leerde en Christus' liefde ons drong, dan was het altijd goed, wat er kwam. Was het „tucht", dan tucht en werd het „getuigenis", nu dan was het ook getuigenis en geen „geestelijk gezwam in de ruimte" (zoals ds. A. A.. van RuIer daarvoor waarschuwt).
   Hoe dikwijls traden wij practisch op als Evangelisten en waren onze bezoeken een soort evangelistenbezoeken, al voelden wij dan ook, dat hier een aparte taak lag voor het Evangelisatiewerk, dat uitging of althans uit gaan moest van de kerk.
   Wanneer de kerk vooral in de grote stad geen huisbezoek deed, het zou haar dood zijn.
   Eens hoorde ik een man van naam in een kerkelijke bijeenkomst van de kansel zeggen:
   „Wat is nu zo'n huisbezoek je ? "
   Hoe speet het mij, dit te moeten vernemen en het deed mij tegelijk ook pijn. Daar werd namelijk een rede gehouden over de kerkelijke aangelegenheden van onze tijd. Er werd aan toegevoegd, dat het geen grootspraak was, om te zeggen, dat er in deze paar jaar op kerkelijk gebied meer gedaan en gebeurd was, dan in de honderd jaar, die daaraan voorafgingen. En zo tussen neus en lippen kwam dat bovengenoemde gezegde de geachte spreker uit de mond. Nogmaals : ik ontstelde van die uitdrukking. Niet, alsof ik menen zou, dat, wanneer een predikant, in een soort zelfvoldaanheid maar denkt :
   „In mijn Gemeente gaat het best ! Ik houd mijn catechisatiën ; doe mijn zieken- en huisbezoek ; wat wil men meer ? " dat dan werkelijk alles in orde zou zijn, alsof er niet meer op het spel stond !
   Ik ontstelde daarom, omdat ik bij mij zelf dacht : Is men nu zozeer vol van „het grote", dat voor dezulken het kleine, het onaanzienlijke geheel wegvalt of dat men het althans geringschat ?
   Zo ja, dan zou dat toch wat anders zijn, dan wat de Heere in Zijn Woord zegt, dat Hij de dag der kleine dingen niet veracht. God leert ons toch ook in het kleine getrouw te zijn.
   Het huisbezoek slaat toch al in geen beste reuk bij vele predikanten. De schuld der kerk inzake huisbezoek is toch al zo bitter groot ; met dergelijke uitspraken wordt het er zeker niet beter op.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's