De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

5 minuten leestijd

   Ik wil echter aannemen, dat alleen bedoeld was om te zeggen: „Zo'n huisbezoekje lost het kerkelijk probleem niet op". Daar valt tenminste over te praten. Neen, wij gaan ook niet op huisbezoek met de gedachte: „nu zullen wij problemen oplossen"; maar in het besef: die gemeenteleden moeten bezocht worden.
   Een op zichzelf onbeduidend werk, geregeld en getrouw herhaald, kan na jaren belangrijk worden, zodat questies daardoor wel eens verdwijnen en opgelost zijn zonder dat men het merkte.
   Had de Kerk zich door haar ambtsdragers intenser toegelegd op het huisbezoek; bezat zij voor die arbeid het vereiste aantal dienaren, de kerkelijke toestand zou er heden ten dage heel anders uitzien.
   God is machtig, de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ineens te schenken, maar evenzeer om ze langzamerhand te doen groeien en na jaren te brengen.
   En daarom zou ik hier de zonderling klinkende stelling wel voor mijn rekening durven nemen: „Goed en degelijk, geregeld huisbezoek, is even noodzakelijk als een grote Generale gereformeerde Synode".
   Of men moest dit laten samenvallen en zeggen: als een Generale Synode goed gereformeerd is, dan komt de questie van het huisbezoek wel meteen in orde.
   Wat is nu één huisbezoek, zoals het zich in deze tijd dikwijls voordoet? Eén goed huisbezoek kan een aanval zijn op een sterk bolwerk in de Gemeente, dat tegenstand biedt.
   Niet alleen van de kerk uit en van de kansel af moet het trommelvuur van het Woord neerregenen, maar men moet er ook dichter bij komen en in de huisgezinnen zelf binnentreden en daar vrijmoedig aan de tafel gaan zitten. Met name dus in de onverschillige gezinnen. Wanneer u althans de toegang niet geweigerd wordt. "
   Nu, de meeste mensen openen u de deur nog wel en gij moogt binnen of boven komen, al naar het valt. Gij verricht heus geen heldendaad.
   Hoogstens vraagt men : „Wat komt u doen? " Of: „Wat wil de Kerk van mij? "
   De stadse verhalen zijn wel eens wat overdreven gekleurd, al hebt gij altijd baas boven baas.
   Maar wilt gij het wat sterk ? Welaan, zoek dan de leeuw op in zijn hol. Laat al zijn gebrul er u niet van afhouden, om binnen te treden. Er zijn inderdaad mensen, die u eigenlijk wel gaarne boven laten, al ware het alleen maar, om eens tegen u uit te kunnen pakken.
   En dan komt het los : „als er een God was, dan " Of: „als God rechtvaardig was, dan....". Of waar de grief tegen de kerk losbreekt : „De kerk heeft al in geen 25 jaar naar mij omgezien".
   Wacht kalm af, wanneer het uw beurt wordt. Twist dan niet over een paar jaar meer of minder, maar vraag ongestoord : „Hebt gij in die 25 jaar ook naar de kerk omgezien ? Gij hadt toch gelegenheid, er heen te gaan".
   Ontken de schuld der kerk evenwel niet !
   Toon uwe belangstelling in alles. Tracht goed te maken, wat inderdaad door de kerk bedorven of verwaarloosd is. Misschien kan op de duur de schade nog achterhaald worden.
   Verwacht dan van dat éne huisbezoek niet alles. Gij ambtsdragers moet in de gelegenheid zijn, zulk een bezoek te herhalen en het ook doen, wanneer men daar in huis de mogelijkheid open laat.
   De aanhouder wint. Wij moeten vooral niet, ten opzichte van de huisgezinnen het stof al te gemakkelijk van de voeten schudden. Alleen in dat geval, waarin Christus het zegt, wanneer men u dus niet ontvangen wil, maar niet in het geval, waarin wij wat gekrenkt of voor het hoofd gestoten zijn. Wij moeten aan dat laatste nu maar wat gewennen en er om leren glimlachen.
   Huisbezoek is nodig ; broodnodig. De mensen moeten hun bezwaren eens kunnen uitspreken in uw oren. Er zijn vertoornde huisvaders, die hun hart eens willen luchten, maar is het onweer uitgewoed, dan straalt de zon nog wel weer door de wolken. Ware belangstelling doet de ijskorst smelten en ontdooit de gemoederen.
   Een goede preek van de kansel .is nodig. Het zeggen van de dingen, zonder er doekjes om te winden. Maar daarna geldt ook : „domine nu de proef op de som !
   Nu met datzelfde woord ook de Gemeente en de huizen in en toon, dat gij er ook wat voor over hebt."
   Ligt hier toch niet veel groter geheim, dan velen vermoeden ?
   Raakt gij de mensen op een afstand niet of blijkt dat althans niet ? Raak hen dan in 's Heeren Naam van dichtbij.
   Vallen zij in de kerk wel eens in slaap, als gij preekt, zij zullen u toch niet inslapen, als gij oog in oog tegenover elkander zit.
   Het huisbezoek is nodig, opdat het verbroken contact tussen kerk en gezin hersteld worde. Opdat de gemeenteleden weer leren, met hun geestelijke en vaak ook met hun stoffelijke moeilijkheden naar de kerk toe te komen.
   Wij zijn tegenstanders van de Roomse biecht, maar vergeten daarom niet, dat de H. Schrift zegt, dat wij elkander de misdaden moeten belijden.
   En niet alleen dit, maar het is op zijn tijd wel eens nodig, dat de gemeenteleden voor de leraar het hart eens uitstorten. Wij zwijgen tegenover elkander vaak te veel en dat is ook niet goed. Onder ons is de spreuk gangbaar : „een domine kan mij toch niet helpen !" Hoe waar ook op zich zelf, zou het toch dikwijls zo wenselijk zijn, dat kerkleden, die in moeite zitten, eens een ambtsdrager in vertrouwen namen. Er zijn nogal eens jonge mensen, die hun zorgen thuis niet vertellen, omdat vader en moeder hen niet begrijpen kunnen en het zich inzake deze dingen ook liever niet moeilijk maken.
   Laten zulke jongeren dan naar hun leraren gaan, die zij vertrouwen, want zij kunnen geen goede raad missen.
   De kerk heeft voor haar kinderen te zorgen en hierin is haar ook een grote taak aangewezen. Christus heeft driemaal tot Petrus gezegd, wanneer Hij hem in het ambt herstelt: „Weid Mijn léinmeren!" „Hoed Mijn schapen!" „Weid Mijn schapen!"
Hierin ligt dus wel duidelijk en klaar opgesloten, dat dit vooi- en boven alles gaat : dat de bestaande kudde, zowel jongeren als ouderen, geweid en gehoed worde !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's