DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
Stellig nog nooit is een taal als deze in de weidse ridderzaal vernomen, en nooit voorheen heeft een prediker zo onomwonden Karel zonder Baard 12) op de droeve staat zijner ziel gewezen, 't Is juist dit ongewone, dat de hertog een poos tot luisteren heeft gedwongen. Want, hoe weinig de vorst zich gedurende zijn onrustig en avontuurlijk leven ook om God en Zijn dienst moge bekreund hebben, nu hij zo ernstig en met nadruk gewezen wordt op de naderende dood en de wachtende eeuwigheid, begint hem een ogenblik 'n wakker geschud geweten te kwellen. Want, zeker, die man daar, hij zij dan wat hij wil, spreekt een grote waarheid uit, die al zijn hovelingen en vrienden steeds verbloemen, en die hij zich zelve zo vaak uit het hoofd heeft gepraat : dat hij, Karel van Gelre oud wordt en weldra weldra
Maar hieraan mag hij niet denken !
Dood, eeuwigheid, oordeel ! — o, neen, daarvan wil hij liefst niet horen ! Neen, hij wil leven en heersen en zich jeugdig blijven gevoelen evenals zijn vijand Karel van Oostenrijk, die nog in de fleur van zijn jeugd is ! Hij heeft immers geld genoeg om die geleerde doktoor de drank te laten bereiden voor zijn verjongingskuur ! Neen, hij wil niet aan sterven denken !
„Hou op, hou op, met je vermaledijde taal, verlopen monnik !" valt hij eensklaps woedend uit, een woede nog te heftiger, omdat hij zijn angst moet verbergen. „Denk je ons met zulke zottekap te bruien ? ! 't Ware beter geweest, dat je catijvigeheer, graaf Edzard, jou en alle zulke verlopen klerken in 't harnas gestoken had, dan overal in zijn land zulk duivels zaad te strooien !"
En om geheel zijn bitter, boos-onrustig gemoed te luchten, laat hij er op volgen : „Maar een aartsketter was die Edzard zelf, een ellendige satansknecht ! "
De gevangene kleurt tot achter de oren. Hij maakt met zijn rechterhand een bestraffend gebaar en stoot dan in verontwaardiging uit :
„Heer, laster de grote dode niet !.... De Hemel hoort het en zal het wreken ! Hij juicht reeds daar boven, de edele graaf, voor de troon van het Lam ! Nog eens : laster hem niet, keer liever tot uzelven in en bekeer u. Zie de vijand omringt en perst u, hij dringt zelfs in uw land. 't Is een bezoeking Gods voor uw daden, voor uw oorlogen zonder maat, voor uw onrecht, uw bloedvergieten, uw branden en blaken, uw woordbreuk, uw vergeten van Zijn Naam, uw vervolgen van onschuldigen. Wie weet, hoe spoedig u alles ontnomen wordt, wat u dierbaar is ; hoe snel uw onderdanen u de rug toekeren en gij een belaching wordt voor uw vijanden ! Als gij dan voor God moet verschijnen, hoe groot zal uwe vare zijn !...."
Het ganse gezicht van de hertog schijnt in zenuwachtige trilling. Zijn heftige woede doet hem een poze de woorden in de keel stokken, en juist deze gelegenheid heeft de Oost-Fries waargenomen, om met de strengheid van een boetgezant en in de toon van een van Israels oude profeten, Karel van Gelre zijn verkeerdheden onder 't oog te brengen.
Eensklaps springt de hertog van zijn zetel op, driftig en op niets lettend, zodat zijn prachtige hoed, met de grote flonkerstenen aan de binnenrand, hem half van 't hoofd glijdt en zijn geweldige sabel luid rinkinkelt. Vreselijk is zijn blik. Zijn rechterhand omklemt krampachtig het gevest van zijn slagzwaard. Hij trekt het halverwege uit de schede, alsof hij er een ogenblik aan denkt, om me eigen hand de vermetele prediker neer te slaan. Dan buldert hij :
„Ook dat nog !.... Een waarschuwing, een bedreiging ! tegen mij ! mij !.... Voert hem weg !.... Eer het etmaal verstreken is, zul je als een eerloze spion aan de trapscheer bengelen ! — Maar, hoor, hoor, hoor, vóór je dit overkomt, vermetele dwaas ! Bij St.-Joris, evenmin zal jouw voorspelling uitkomen, als dat Hattem zich thans aan Oostenrijk zal overgeven ! Dat zweer ik ! — Voort nu, voort, uit mijn ogen !...."
Reeds voeren de soudeniers de Oost-Fries naar de deur, als deze zich opent en een der pages van zoeven binnentreedt, op de voet gevolgd door een jong krijgsman.
't Is de man aan te zien, dat hij een lange weg haastig heeft afgelegd : zijn gezicht is vuurrood en- druipt van zweet, terwijl zijn harnas, zwaar bestoven als het is, bijna één grauwe kleur vertoont.
Met haastige stappen, doch eerbiedig, treedt hij met ongedekt hoofd, zonder af te wachten, dat de page hem aandient, op de hertog toe, en een knie buigende reikt hij de nog steeds in woede verkerende vorst een verzegelde brief over met de woorden :
„Van de bevelhebber, Heer."
Karel herkent in de ruiter een ridder uit de bezetting van het belegerde Hattem en vraagt haastig :
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's