De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

LAAT ONS KNIELEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LAAT ONS KNIELEN

13 minuten leestijd

Komt, laat ons aanbidden en nederbukken ; laat ons knielen voor den Heere, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet. Psalm 95 : 6, 7 en 8a.

1. Voor wien knielen ? Voor de Heere, Die ons gemaakt heeft.
2. Waarom voor Hem knielen ? Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand.
3. Wanneer voor Hem knielen ? Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.

   Bij knielen denken we onwilekeurig aan geknield bidden. En dit is bij alle Christenen in gebruik. Voordat zij zich ter rust begeven en nadat zij ontwaakt zijn, knielen zij neder bij hun bedstee om God te bidden en te danken. Dit is goed. En tot hen, die deze gewoonte niet hebben, zouden we willen zeggen : Laat ons knielen ! Het is echter iets anders in de kerk. Zullen we daar ook geknield bidden ? Er zijn voor- en tegenstanders van dit gebruik. Zal men in de kerk staande, zittende of knielende bidden en danken ? Men vindt het goed, als allen staan of allen zitten of allen knielen. Knielen was misschien het beste, maar velen achten, dat het riekt naar Rome.
   Er is verschil tussen bidden en aanbidden als tussen vragen en vereren. Toch is er ook verwantschap van betekenis. Aanbidden is in den gebede aanroepen, maar ook als goddelijk wezen vereren. Als wij een mens iets vragen, betekent dat niet, dat wij die mens vereren. Maar als we God iets vragen, dan is dat wel een teken van Godsverering. Het bidden behoort dus tot het aanbidden. Wie God aanroept vereert Hem daarmede als God. Bidden is dus een daad van Godsverering. Dit is het, als het staande, zittende, liggende of knielende geschiedt, dus ongeacht de houding van het lichaaxn. In het aanbidden treedt het bidden echter ook wel op de achtergrond. Is het bidden steeds een zaak van aanbidden, het aanbidden kan ook zijn zonder gebed. De Satan zegt tot de Heere Jezus : Al deze koninkrijken zal ik U geven, indien Gij nedervallende mij zult aanbidden. Deze aanbidding was niet een vragen van de koninkrijken aan de duivel, maar een knieval, waarmede Jezus de Satan als Zijn Heer zou erkennen. Maar al zou het bidden hierin nog opgenomen zijn, toch is het huldigen van de meerdere door de mindere hier de hoofdzaak. In het Oosten had dit ook plaats, wanneer een mindere de meerdere toesprak of begroette. Bij de Perzen bestond het eerbetoon dan daarin, dat de min­dere zich voor de meerdere nederwierp en de grond kuste ; bij de Israëlieten in een meer of minder diepe buiging, waarbij het hoofd niet zelden de grond raakte, en die soms meermalen achtereen werd herhaald. In onze psalm zal dit eerbetoon dan ook bedoeld zijn, als de tekst zegt : Komt, laat ons aanbidden en nederbukken ; laat ons knielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft. Er worden drie verschillende woorden gebezigd om de handeling uit te drukken : aanbidden, nederbukken en knielen. Aanbad een Oosterling zijn vorst, dan boog hij zich zeven en zevenmaal neder, telkens op de knieën zinkend, waarna met naar voren gestrekte armen het bovenlijf voorover viel en het voorhoofd hetj^^tof der aarde aanraakte, om dan zo, altijd weer nedervallend, de voetbank van 's konings voeten met het voorhoofd aan te raken en in smekende houding te blijven liggen, totdat het de koning behaagde het aangezicht van de smekeling op te heffen. Het nederbukken geschiedt als men het lichaam als in zittende houding in de knieen laat doorzakken. Dit is de houding van de mindere, die eerbiedig luistert naar wat zijn Heer zegt. Bij het nederknielen buigt zich als vanzelf het bovenlijf en worden de armen over de borst gekruist. Deze houding neemt de smekeling aan, die alles van zijn heer verwacht. Deze betekenis van aanbidden, nederbukken en knielen geeft Prof. Noordtzij aan in de Korte Verklaring.
   Droeg deze huldiging van de vorst een burgerlijk karakter, zij krijgt Godsdienstige betekenis, wanneer het godsdienstige personen zijn, die men huldigt, profeten, apostelen of ook engelen. De schepselen, die God vrezen, wijzen haar dan ook af, zeggende : aanbid God. Satan wilde deze eer wel hebben en eiste ze van Christus, maar hij werd afgewezen met het woord : de Heere Uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. De aanbidding , komt dus alleen aan God toe. Ook wie Jezus aanbidt, moet dit doen met het oog op Zijn godheid. Die tot God nadert, bidt dus voorzover hij iets vraagt of begeert te ontvangen, maar hij aanbidt voor zover hij voor Zijn aangezicht zich neerwerpt of neerlegt, zich neerbuigt en neerbukt en voor Hem op de knieën neerzinkt. Hiertoe werden de Israëlieten in de psalm bij hun nadering tot Gods tempel opgeroepen, en ongetwijfeld zijn ze toen voor de ark in het stof gevallen.
   Voor een vorst zal het genoeg geweest zijn, indien de onderdaan aldus knielde ten teken van onderdanigheid en eerbied. Menige verrader of verachter kan het geveinsd gedaan hebben en zijn ware gezindheid onder dat deksel verborgen hebben. Met de-aanbidding Gods staat dit anders. De Heere kent de gedachten des harten. Jezus wist van het begin, dat Judas een duivel was en door zijn kus werd Hij niet bedrogen. De oproep om voor God te knielen bedoelt dus een aanbidding Gods met het hart. Zeker de knieën moeten gebogen worden en de ogen gesloten en de handen gevouwen, maar indien we tevens de knieën des harten niet buigen, indien het geen waarheid is in het binnenste, dan zal de Heere zeggen : dit volk eert Mij met de lippen of met de knieën, maar hun hart houdt zich verre van Mij. De vorst mag het eisen of verwachten, maar hij kan het niet controleren, tenzij er tekenen van zijn, maar voor den Heere zijn alle dingen naakt en geopend, en leugenachtige gebaren kunnen Hem niet behagen. Zo wordt de ware aanbidding met het hart gegeven. Dit is dan ook het eerste en eigenlijke, dat de tekst eist. Maar indien deze aanbidding gevonden wordt, moet zij ook zich uitdrukken in de vormen. In het burgerlijke kan men met de vorm vaak volstaan, maar voor God nimmer. Toch is ook de uiting van de verering in de godsdienst geen onverschillige zaak. De vorm moet er bijkomen. Anders zou de tekst niet drie woorden gebruiken, die op de gestalte des lichaams wijzen. In die gestalte spiegelt zich de eerbied des harten af en zo is zij geen ijdele vorm. In het hart moet dus zijn wat de vorm weergeeft. Allereerst nederigheid. Dat wijst het zich neerleggen, het neerbuigen, het neerbukken en het neerzinken op de knieën aan. De mens moet voor God naar beneden. Hij moet voor God staan als nieteling tegenover de hoogste Majesteit ; als zondaar tegenover de Heilige ; als verlorene tegenover de Rechtvaardige en als ellendige tegenover de Barmhartige, Die vanouds genade belooft. en schenkt in Christus aan de nederige. Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die nederig knielen, maar ziet van ver met gramschap aan de ijdele waan der trotse zielen.
   God is zo groot. Want de Heere is een groot God, ja, een groot Koning boven alle goden. In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn en de hoogten der bergen zijn Zijne. Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt en Zijn handen hebben het droge geformeerd. Hij is de Heere, Die ons gemaakt heeft. Hij heeft ook het mensenkind geschapen naar ziel en lichaam, het hart, dat Hem aanbidt en de knie, die zich voor Hem buigt, en de tong die Hem zingt. De smekeling moet dus vanuit zijn laagte hoog naar God opzien. Zelfkennis en Godskennis leggen hem daar neer. Voorts moet een gevoel van heilig ontzag en van kinderlijke vreze de Israëliet vervullen voor de Heilige Israels. Ook overmant hem het besef, dat hij voor God niet bestaan kan en dat hij Zijn toorn waardig is. Maar God is de Rotssteen van zijn heil. Zijn hart gaat in liefde tot Hem uit en zo wil hij Hem vrolijk zingen en toejuichen. Ook daarin uit zich de aanbidding Zijner ziel. God heeft Israël gemaakt maar ook aangenomen tot Zijn volk. En zo moet de opwekking wel weerklank vinden : Komt buigen we ons dan biddend neer. Komt laat ons knielen voor den Heer', Die ons gemaakt heeft en verkoren !
  
   2. Waarom dat nederknielen voor God ? Want Hij is onze God en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner hand.
Gods grootheid in de schepping is niet de enige noch de voornaamste reden van dit knielen. Maar Jehova is Israels God en Israël is Zijn volk. Zo staat het ook in psalm 100 : „Weet, dat de Heere is God. Hij heeft ons gemaakt (en niet wij of : wij zijn Zijns), Zijn volk en de schapen Zijner weide". We ontmoeten hier eerst de gedachte, dat Israël het uitverkoren volk was, en dan de herdersgedachte, die door de hele Schrift heengaat. In Ezechiël 34 heten de Israëlieten ook Gods schapen en komen de priesters en de vorsten voor als herders van die schapen. Het hoofdstuk eindigt met deze woorden : Maar zij zullen weten, dat Ik, de Heere, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis Israels, spreekt de Heere HEERE. Gij, nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
   Dat de grote Schepper aller dingen Israels God is, wil zeggen, dat Hij dat volk gekend, uitverkoren, afgezonderd en Zich tot een volk aangenomen heeft. Hij heeft een verbond met hen gesloten en gezegd : Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn. Dit was voor Israël een bijzonder voorrecht, al heeft het dit niet steeds ingezien. Wie het slot van deze psalm leest wordt daarvan wel overtuigd. Het is zo, dat alleen de Geest des Heeren die onvergelijkelijke weldaad kon doen erkennen, gelijk dan ook de profeten en psalmisten, door de Geest bezield, dit feit naar waarde schatten. En zo zal de kern des volks, die in dat licht deelde, dan ook die weldaad hebben verstaan. En dit verstand was dan ook onmisbaar nodig, zou Israël de Heere meest hierom aanbidden. Het is wel zo, dat de hele schepping God moet loven, waartoe zij dan ook b.v. in psalm 148 opgeroepen wordt, en zo is het mensdom als geheel de Heere schuldig de aanbidding Zijns Naams. Maar het voorrecht van de aanneming verplichtte Israël nog temeer daartoe. Zo zegt de dichter dan : Laat ons voor Hem knielen, voor Jehova, de God des Verbonds, want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner hand. Het zou beter vloeien te zeggen : de schapen Zijner weide. De bedoeling is echter duidelijk : de Israëlieten zijn Gods volk en de schapen, die Zijn hand wil weiden en leiden. De bijzondere zorg, die God droeg voor het volk, dat Hij verkoren had, wordt zodoende uitgedrukt. Hij was voor dat volk als een Herder en een Vader, zodat Hij hen dubbel tot Zijn lof verplichtte. 3. Wanneer moest Israël voor Zijn God knielen ? De tekst zegt : Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet. Het is duidelijk, dat de psalmist onder knielen wat anders verstaat dan. een lichaamsbeweging alleen. Met het knielen moet niet alleen aanbidding des harten samengaan maar ook gehoorzaamheid aan de stem des Heeren en trouw aan Zijn dienst. Jubelen, zingen, knielen is goed, als de gehoorzaamheid er bij komt. Het verleden van Israël was in dit opzicht leerzaam. De vaderen waren aan Gods roepende stem ongehoorzaam geweest. Daar was bij hen verharding en verblinding ; twijfel aan Gods liefde en zorg. Zij hebben God dikwijls verzocht. O, dat het met de zonen nu anders mocht zijn ! Dat zij eens wilden horen naar de stem des Heeren en zich niet verharden. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.
   De mensen zijn al gauw tevreden. Zij menen met een gebed, een lied, een lofspraak, een kerkgang en een buiging te kunnen volstaan. Maar God eist gehoorzaamheid. Hij wil geloof en bekering, overgave aan Zijn wil. Wanneer dit ontbreekt, zegt Hij : Doe het getier uwer liederen van Mij weg. Ik mag ze niet. Ongeloof en ongehoorzaamheid sluiten uit van de eeuwige rust, vers 11.
   Zingt heden, jubelt heden, knielt heden, aanbidt heden, maar ook gehoorzaamt vanaf heden aan Mijn stem !
   De opwekking om voor God te knielen kwam tot Israël, het volk van God. Zo blijkt, dat Israël daarin nalatig was door traagheid, ondankbaarheid eii vergeetachtigheid. Ook nu wordt Gods volk in de hele wereld opgeroepen tot dat knielen, wa«t ook nu is het nalatig.
   Maar ook buiten de Christenheid moet geroepen worden : Knielt voor God ! Want Hij is aller Schepper en daarom is knielen aller plicht. De zendelingen moeten dit aan de heidenen zeggen. De evangelist en de straatprediker zeggen ook tot de buitenkerkelijken en afgedwaalden : Knielt voor God.
   Maar ook moet het Evangelie worden verkondigd en de Middelaar gepredikt en aangeboden. Hoe liefderijk God is blijkt juist in de gave van Zijn Zoon tot een Borg en Middelaar, Verlosser en Zaligmaker van hen, die ten dode gedoemd zijn. En waar deze Zaligmaker door een zaligmakend geloof wordt aangenomen, daar kan men ook knielen voor God, omdat Hij ons heeft verkoren.
   Dan is Hij ook onze God, omdat Zijn verbond, dat door Christus tot alle volken is uitgebreid, ook ons toebehoort, want het verbond is voor de gelovigen en voor hun zaad. Dan zijn wij ook een schaap Zijner weide en zal God ons leiden tot de fonteinen der wateren. Dan heeft de Goede Herder ook voor ons Zijn leven gesteld en Zijn bloed vergoten. Dan staan wij ook onder de herderlijke zorg en vaderlijke hoede van de God Israels, Die een God des gansen aardbodems genaamd wordt.
   Maar wie nog niet gelooft, moet naar de stem van de Hemelse Herder leren luisteren, om zich aan Hem over te geven en Hem te gehoorzamen. Dat hij geen uitstel neme, maar heden neerkniele. Geen excuses van onmacht kunnen gelden.
   Maar ook de gelovigen moeten hun gehoorzaamheid, vernieuwen.
   Hoe lager zij bukken en hoe meer zij aan Gods stem gehoorzamen hoemeer zij God zullen eren. Maar immer in Christus, want die de Zoon niet eert in Zijn Persoon en werk, eert ook de Vader niet. Die Hem gezonden heeft.
   Jezus gehoorzaamde de wil Zijns Vaders tot in de dood, ja de dood des Kruises. Hij eerde zo de Vader en verloste de kerk. Wie de liefde des Vaders en des Zoons mag verstaaii' ëfi door deze liefde gered is van een wis en eeuwig verderf, zal die onder de last van deze goddelijke liefde niet het diepste neerzinken ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

LAAT ONS KNIELEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's