De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OUDEJAARSAVONDCOLLECTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OUDEJAARSAVONDCOLLECTE

6 minuten leestijd

   Voor zover men uit het gedeeltelijk verslag van de Synode (zie art. „Hoe in de Synode wordt geoordeeld" in dit no.) kan opmaken, werd in de discussie over de Gereformeerde Bond ook over de Paascollecte gehandeld. Men meende, dat de Gereformeerde (Bonds) gemeenten eigenlijk eens moeten beginnen met mede te doen aan de Paascollecte. Een ieder kan het verslag lezen, daar komt het op neer.
   Ziedaar weer dezelfde onbillijke houding van niet willen begrijpen.
   Is het nu inderdaad zo heel moeilijk voor de Synode om in te zien, dat ook de houding ten aanzien van de financiële medewerking een principiële achtergrond heeft, behalve dan nog het feit, dat de Paascollecte lang vóór de Synode daartoe overging, in vele Herv. gereformeerde gemeenten reeds traditie was geworden en bestemd voor de bevordering van de studie en de opleiding van Dienaren des Woords?
   De Synode heeft inderdaad weinig gedaan, wat de verwachting zou kunnen wekken, dat deze traditie voetstoots zou worden prijs gegeven.
   Zij heeft allerlei werk opgenomen onder het z.g.n. kerkewerk, waarvoor zij de gemeenten en haar leden telkens weer verantwoordelijk en aansprakelijk wil stellen, alsof dat alles uit principiële overwegingen vanzelfsprekend kon zijn. Gevoelt men dan niet, dat de Hervormdgereformeerden, die in het algemeen toch inderdaad wel weten te geven voor de verzorging van geestelijke belangen, ernstige bezwaren moeten hebben om mede te werken aan wat naar hun overtuiging niet bevorderlijk kan zijn aan gezond kerkelijk leven? Heeft men er geen oog voor, dat zij reeds langer hebben gearbeid op het terrein van de uit- en inwendige Zending, van de jeugd, om nog te zwijgen van de gewone gemeentelijke zorgen?
   De Synode komt geld tekort, zó zelfs, dat er wordt gewaagd van afbraak, en dat men een beroep doet op de gemeenten om in een Oudejaarsavond-collecte zo mogelijk een bedrag van drie ton saam te brengen.
   De Scriba merkt op (zie verslag) „dat de financiële moeilijkheden de vrucht zijn van de zegen van het nieuwe werk van de Hervormde Kerk".
   Wij kunnen dat idealisme niet delen. De Heere zegt: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal u worden toegeworpen". Dat strookt niet met elkander.
   Zou het wellicht geen aanbeveling verdienen, dat de Synode ging overwegen, of de vrucht van zoveel arbeid en geld, aan verschillende dingen ten koste gelegd, uit echt kerkelijk en geestelijk oogpunt beschouwd, rechtvaardigt om op de ingeslagen weg voort te gaan?
   Wij horen van opheffing van predikantsplaatsen. Dat kan moeilijk een goed teken zijn. Men benoemt predikanten in algemene dienst en met bijzondere opdrachten, ten dienste van het z.g. apostolaat etc; , maar er zijn plaatsen, waar het zó schromelijk is gesteld met de kerkgang, dat er feitelijk van een gemeente geen sprake meer kan zijn.
   Wij denken verder aan „Kerk en Wereld" en zoveel meer. En men noemt het afbraak als men zou moeten terugkomen van dingen, die men begon en die toch klaarblijkelijk niet wortelen in het leven der kerk.
  
De Oudejaarsavondcollecte!
   Ook al weer een collecte, welke in de Hervormd-gereformeerde gemeenten reeds bijna dertig jaren voor een bijzonder doel werd bestemd. Dit werd aangegrepen naar aanleiding van de voorgenomen invoering van een reglement op de predikantstractementen in 't begin der twintiger jaren. De drang daartoe ging toen uit van de Bond van predikanten, die althans daarin de allure van een vakbond aannam, een verburgelijking, waaraan gelukkig slechts een enkele predikant van gereformeerde richting deelnam.
   Daartoe was ook geen aanleiding, want bijna 50% der Hervormd-gereformeerde gemeenten verzorgde het levensonderhoud hunner predikanten op een wijze, dat hun tractement met soms aanzienlijke bedragen de voorgestelde minima té boven ging, terwijl de overige bijna 50% dat voorgestelde minimum vrijwel of geheel genoten. Slechts 4 gemeenten waren achter gebleven.
   De kerkeraden begrepen ook, dat de Emeriti, die in hun gemeenten hadden gediend, en hun naaste betrekkingen, eigenlijk ook nog voor hun rekening waren, althans zó, dat zij, in nood zijnde, niet hulpeloos mochten worden gelaten. Daarom nu' werd de Oudejaarsavondcollecte door velen van hen bestemd om aan hun Emeriti en hun weduwen en wezen, waar dat nodig was, enige Christelijke handreiking te doen. „Weet gij niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het hei- • lige eten? " (1 Cor. 9 vs. 13). Vgl. ook Gal. 6 vers 6.
   De Synode kan toch moeilijk verwachten, dat men — en dat in een dure tijd, als wij beleven —, de behartiging van deze belangen zal prijs geven, omdat zij nu een Oudejaarsavondcollecte gaat vragen tot dekking van haar tekort, terwijl haar beleid wordt gedrukt door bezwaren, welke niet slechts van practische aard, maar van zeer fundamentele betekenis zijn.
   Verstaat men dan in de Synode zo weinig van wat er in de Hervormd-gereformeerde gemeenten leeft?
   Men spreekt van luisteren naar elkander, maar hoe weinig heeft men dan het oor geleend aan vertegenwoordigers vin deze gemeenten in Classes en Synode, die toch een duidelijke taal hebben laten horen. Hoe weinig heeft men kennis genomen van onze bezwaren, van samensprekingen en discussies op conferenties en in commissies, waar dikwijls zeer fundamentele stukken aan de orde waren!
   Het is mogelijk, dat vele leden van de Synode dit niet verstaan, maar wij houden ons overtuigd, dat er in het moderamen mannen zijn, die geen voorlichting van anderen meer nodig hebben om nochtans te gevoelen, waar onze bezwaren liggen en dat het ons niet slechts moeilijk, maar vaak onmogelijk is om mede te werken in een weg, die zij voorstaan.
   Als men de gemeente-verwoestende uitwerking ziet van de vrijzinnige prediking, waar deze sedert generaties zich heeft meester gemaakt van de kansel, hoe kan men dan verwachting hebben van allerlei ondernemingen in de naam van, wat men noemt, het apostolaat, terwijl men de vrijzinnigheid als modaliteit van gereformeerd kerkelijk leven wil erkend hebben, èn, zoals in verschillende gemeenten gebeurt, voor haar de toegang tot de kansel wil openen?
   Even zo weinig, als degenen, die staan in het geloof der reformatie, zulk een plaats aan de vrijzinnigheid kunnen toekennen, kunnen en mogen zij medewerken aan instellingen en ondernemingen, welke zulk een erkenning onderstellen.
   Daarom ware het te wensen, dat de Synode onder de last der tekorten haar standpunt ging herzien en zocht naar een betere weg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OUDEJAARSAVONDCOLLECTE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's